COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
[naam 1] B.V., te [vestigingsplaats] ( [naam 1] )
uitspraak
zaaknummer: 23/2002
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2026 op het hoger beroep van
(gemachtigde: [naam 2] )
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 november 2023, kenmerk 22/3617, in het geding tussen
[naam 1]
en
de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (voorheen de minister)
(gemachtigde: mr. D.J. van der Bij)
Procesverloop in hoger beroep
[naam 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 november 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:10021.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.
De zitting was op 27 juli 2026. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Namens de minister is ook verschenen drs. [naam 3] .
Inleiding
Op 27 augustus 2021 heeft een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) een inspectie uitgevoerd bij het slachthuis van [naam 1] in [vestigingsplaats] . Van de inspectie heeft de toezichthouder op 26 november 2021 een rapport van bevindingen opgemaakt. In dit rapport is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:
“[…] Tijdens mijn inspectie bevond ik mij in de schone afdeling van het slachthuis voor
mijn regulier toezicht. Ik bevond mij na de stempelautomaat. Op dit punt in het
slachtproces zijn alle slacht- en opknaphandelingen in het kader van de PM-keuring
en alle op HACCP gebaseerde controles van de exploitant afgelopen.
Dit betreft een heterdaadbevinding.
Ik zag daar, vlak voordat het karkas de koeling in zou gaan, dat één
varkenskarkas aan de rechterkant, op de binnenkant van de voorpoot, op het
vlees fecaal bezoedeld was met een plek groen-bruine mest, met een diameter
van ongeveer 6 cm (zie fotobijlage).
Het karkas was al gestempeld en daardoor goedgekeurd voor menselijke
consumptie.
Het bezoedelde karkas is direct, door het wegsnijden van de fecale bezoedeling
door een bedrijfsmedewerker, opgeknapt.
Bij mijn controle na afloop van het slachtproces zag ik dat het karkas zichtbaar
was verontreinigd. Zichtbare verontreinigingen werden niet onmiddellijk
verwijderd door bijsnijden of door een andere behandeling met een gelijkwaardig
effect. […]”
Naar aanleiding van de bevindingen zoals beschreven in dit rapport heeft de minister met het besluit van 4 maart 2022 (boetebesluit) aan [naam 1] een boete opgelegd van € 2.500,- omdat een karkas zichtbaar verontreinigd was en deze zichtbare verontreiniging niet onmiddellijk werd verwijderd door bijsnijden of door een andere behandeling met een gelijkwaardig effect. Volgens de minister heeft [naam 1] daarmee een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling dierlijke producten en gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid, en bijlage III, sectie I, hoofdstuk IV, onderdeel 7 en 10, van Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (Verordening 853/2004).
Met het besluit van 27 juni 2022 (bestreden besluit) heeft de minister de bezwaren van [naam 1] tegen het boetebesluit ongegrond verklaard. Tegen dit besluit was het beroep van [naam 1] bij de rechtbank gericht.
Uitspraak van de rechtbank
2 De rechtbank heeft het beroep van [naam 1] ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen, waarbij voor eiseres [naam 1] en voor verweerder de minister moet worden gelezen:
“6.1. De rechtbank stelt vast dat eiseres niet betwist dat na de stempelautomaat op een varkenspoot fecale bezoedeling is aangetroffen. Uit het voorschrift van punt 7 van Bijlage III, sectie I, hoofdstuk IV van Verordening 853/2004 volgt dat het uitslachten zodanig moet plaatsvinden dat verontreiniging van het vlees wordt voorkomen en uit het voorschrift van punt 10 van hetzelfde onderdeel van Verordening 853/2004 volgt dat zichtbare verontreiniging onmiddellijk moet worden verwijderd. Het gaat hierbij niet slechts om een inspanningsverplichting, het te behalen resultaat is duidelijk: een karkas mag niet verontreinigd zijn. Voorts heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven geoordeeld (in onder meer ECLI:NL:CBB:2021:1029 en ECLI:NL:CBB:2017:426) dat punt 7 en punt 10 zien op de uitslachtfase en dat dit betekent dat vóór de postmortemkeuring, die het einde van deze fase van het slachten markeert, aan het bepaalde in punt 7 en punt 10 moet zijn voldaan. Ook volgt uit die uitspraak dat geen sprake meer mag zijn van verontreiniging op het moment dat de dierenarts heeft beslist over de geschiktheid van het vlees voor menselijke consumptie en het gezondheidsmerk is aangebracht ten bewijze van die geschiktheid. In dit geval heeft de toezichthouder een controle uitgevoerd na afloop van het slachtproces, na de stempelautomaat, en volgens de toezichthouder waren op dat controlepunt alle slacht- en opknaphandelingen in het kader van de PM-keuring en alle HACCP-controles afgelopen. Verweerder stelt dan ook terecht dat op het moment van de controle door de toezichthouder aan de voorschriften van punt 7 en 10 moest zijn voldaan en er geen sprake meer mocht zijn van een verontreiniging. Of na de plek van de controle een medewerker van eiseres de bezoedeling al dan niet uit eigen beweging zou hebben weggesneden is dan ook niet relevant. Ter zitting heeft eiseres nog geopperd dat de bezoedeling ook kan zijn veroorzaakt doordat het varken voor de bedwelming door de mest in de stal is gelopen. Eiseres heeft dit evenwel niet onderbouwd. Bovendien zou ook dan sprake zijn van een verontreiniging die na het uitslachten verwijderd had moeten zijn. Dat de omvang van de bezoedeling niet zo groot was, zoals eiseres eveneens nog ter zitting heeft gesteld, leidt niet tot een andere conclusie. Daarbij blijkt uit het rapport van bevindingen dat het een plek groenbruine mest met een diameter van ongeveer 6 centimeter betrof, die door de toezichthouder is opgemerkt.
Nu een toezichthouder een met mest bezoedeld varkenskarkas heeft aangetroffen op een plek waar vlees niet meer verontreinigd mocht zijn, heeft verweerder terecht vastgesteld dat eiseres de overtreding heeft begaan.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat er geen gevaar was voor de volksgezondheid. Er is een bezoedeling met mest aangetroffen op een karkas dat reeds was goedgekeurd voor menselijke consumptie. Als de toezichthouder dit niet had geconstateerd, was het bezoedelde varkenskarkas mogelijk in de voedselketen terecht gekomen. De aard van de bezoedeling waarop eiseres heeft gewezen, de binnenkant van de poot, maakt dat niet anders. Er was dus wel degelijk sprake van een risico voor de volksgezondheid. Dat een medewerker wellicht naderhand de bezoedeling alsnog had opgemerkt en verwijderd doet niet af aan dit risico. Eiseres heeft kennelijk bij de vaste controle- en opknapplekken in het slachtproces deze bezoedeling niet opgemerkt en/of verwijderd. Het is onzeker of de bezoedeling op een later moment wel door een medewerker van eiseres zou zijn opgemerkt, zeker nu eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er na de controleplek van de toezichthouder (waarop een karkas al niet meer bezoedeld mag zijn) nog een vaste plek is waarop eiseres de karkassen op onregelmatigheden controleert. Voor zover dit wel bij het verpakken van varkenspoten voor de export gebeurt, dan is dit bovendien in een zodanig laat stadium van het proces dat het risico voor de volksgezondheid daarmee niet geringer wordt. Het karkas of de poten zijn dan immers al op verschillende plekken geweest waarop kruisbesmetting met andere (delen van) karkassen heeft kunnen plaatsvinden en de bezoedeling onzichtbaar kan zijn geworden, bijvoorbeeld in de koelcel.
De rechtbank overweegt dat de wetgever reeds een afweging heeft gemaakt welke boete bij een bepaalde overtreding evenredig is. Het met Verordening 852/2004 gediende doel, bescherming van de volksgezondheid, staat voorop. De hoogte van de boete als hier aan de orde vindt de rechtbank als zodanig niet onredelijk. Zoals uit het voorgaande volgt is van een gering risico voor de volksgezond geen sprake geweest. Er is dus geen grond om de standaardboete op grond van artikel 2.3, aanhef en onder a, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren te matigen. Verder heeft eiseres geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die reden zouden moeten zijn voor matiging en de rechtbank is daarvan evenmin gebleken. De rechtbank vindt de opgelegde boete van € 2.500,- evenredig.”
Wettelijk kader
3 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling van het hoger beroep
4 Het College komt tot het oordeel dat de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten, en licht dit hieronder toe.
5 [naam 1] betwist de feitelijke waarnemingen die de toezichthouder heeft opgetekend in het rapport van bevindingen niet. Op de zitting heeft zij verder te kennen gegeven dat zij in hoger beroep niet langer betwist dat deze waarnemingen de in het boetebesluit vermelde overtreding opleveren. Het College gaat dan ook hiervan uit.
[naam 1] betoogt dat de boete dient te worden gematigd. Volgens haar hebben haar medewerkers de bezoedeling niet opgemerkt omdat die niet goed zichtbaar was. [naam 1] wijst er daarbij op dat ook de toezichthouders van de NVWA de bezoedeling voor de postmortemkeuring niet hebben opgemerkt.
Het College onderschrijft het hiervoor weergegeven oordeel van de rechtbank, en maakt de overwegingen van de rechtbank tot de zijne. In wat [naam 1] in hoger beroep heeft aangevoerd, ziet het College aanleiding daar het volgende aan toe te voegen.
Het College ziet in de door [naam 1] gestelde omstandigheid dat het ging om een moeilijk zichtbare bezoedeling en dat de toezichthouders de bezoedeling ook niet zouden hebben opgemerkt, geen bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De fecale bezoedeling is na de postmortemkeuring opgemerkt door een toezichthouder en die heeft daarvan foto’s gemaakt, waarna het karkas is opgeknapt. Bovendien doen de gestelde omstandigheden niet af aan de verantwoordelijkheid van [naam 1] om ervoor te zorgen dat zichtbare verontreiniging vóór de postmortemkeuring wordt weggesneden. Door dat niet te doen heeft [naam 1] niet voldaan aan de resultaatsverplichting die hier geldt.
Overschrijding van de redelijke termijn
[naam 1] heeft verzocht om matiging van de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.
Zoals volgt uit vaste rechtspraak van het College (bijvoorbeeld de uitspraak van 16 september 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:466)) geldt in een zaak waarin een boete is opgelegd het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties (bezwaar, beroep en hoger beroep) in beginsel is overschreden als die procedure in haar geheel langer duurt dan vier jaar. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bestuurlijke fase in beginsel een jaar mag duren, de beroepsfase ook een jaar en de hogerberoepsfase twee jaar. De termijn begint op het moment waarop een handeling wordt verricht waaraan de betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een bestuurlijke boete wordt opgelegd. De in aanmerking te nemen termijn eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet in de procedure over het geschil dat de betrokkene en het bestuursorgaan verdeeld houdt.
In dit geval is de redelijke termijn aangevangen met het voornemen tot boeteoplegging van 27 januari 2022. Het College ziet in de omstandigheden van dit geval geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. Op het moment van deze uitspraak is de redelijke termijn van vier jaar met ongeveer acht maanden overschreden. Deze overschrijding is geheel toe te rekenen aan de rechterlijke fase. In geval van een overschrijding van meer dan zes maanden, maar niet meer dan twaalf maanden, ligt een vermindering met 10% met een maximum van € 2.500,- in de rede. Het College ziet gelet hierop aanleiding de boete te matigen met € 250,- tot een bedrag van € 2.250,-.
Slotsom
Het hoger beroep slaagt niet. Uitsluitend vanwege de overschrijding van de redelijke termijn zal het College de uitspraak van de rechtbank vernietigen voor zover het de hoogte van de boete betreft. Het College zal het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren, dat besluit vernietigen voor zover het de hoogte van de boete betreft en het boetebesluit in zoverre herroepen. Het College zal de boete vaststellen op € 2.250,- en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het te vernietigen gedeelte van het bestreden besluit. Voor het overige zal het College de uitspraak van de rechtbank bevestigen.
Het College zal de minister veroordelen in de door [naam 1] gemaakte proceskosten voor het verzoek om matiging van de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het College stelt deze op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).
Omdat de overschrijding van de redelijke termijn is toe te rekenen aan de rechterlijke fase zal de griffier van het College het in hoger beroep door [naam 1] betaalde griffierecht op grond van artikel 8:114, eerste lid, van de Awb terugbetalen. Het griffierecht in beroep zal op grond van artikel 8:74, eerste lid, van de Awb door de minister aan [naam 1] moeten worden vergoed.
Beslissing
Het College:
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover het de hoogte van de boete betreft;
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;
- verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep van [naam 1] tegen het bestreden besluit gegrond;
- vernietigt dit besluit voor zover het de hoogte van de boete betreft;
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. R.H. Verheijen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026.
w.g. J.L. Verbeek w.g. R.H. Verheijen
Bijlage
Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong
Artikel 3, eerste lid
Exploitanten van levensmiddelenbedrijven dienen te voldoen aan de toepasselijke bepalingen van de bijlagen II en III.
Bijlage III, sectie I, hoofdstuk IV
Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die een slachthuis beheren waar als landbouwhuisdier gehouden hoefdieren worden geslacht, moeten ervoor zorgen dat aan de volgende voorschriften wordt voldaan.
[…]
7. Het bedwelmen, het verbloeden, het villen of plukken, het verwijderen van de ingewanden en andere vormen van uitslachten moeten zo spoedig mogelijk plaatsvinden en op zodanige
wijze dat verontreiniging van het vlees wordt voorkomen. In het bijzonder geldt het volgende:
a. a) de luchtpijp en de slokdarm moeten tijdens het verbloeden intact blijven, behalve bij
rituele slachtingen;
b) tijdens het verwijderen van huiden en vachten:
i. i) mag de buitenkant daarvan niet in aanraking komen met het karkas, en
ii) mogen personeelsleden en apparatuur die met de buitenkant van huiden en
vachten in contact zijn geweest, niet meer in aanraking komen met het vlees;
c) er worden maatregelen genomen om te voorkomen dat bij en na het verwijderen van de
ingewanden de inhoud van maag en darmen wordt gemorst en om het verwijderen van
de ingewanden zo snel mogelijk na het bedwelmen te voltooien; en
d) het verwijderen van de uier mag niet leiden tot verontreiniging van het karkas met melk
of colostrum.
[…]
10. Karkassen mogen niet zichtbaar met uitwerpselen verontreinigd zijn. Elke zichtbare
verontreiniging moet onmiddellijk worden verwijderd door bijsnijden of door een andere
behandeling met een gelijkwaardig effect.
[…]
Wet dieren
Artikel 6.2, eerste lid
Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.
Regeling dierlijke producten
Artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onder d
Voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet zijn:
[…]
d. de artikelen 3 en 4, eerste tot en met vierde lid, 5 en 7, eerste lid, van verordening (EG) nr. 853/2004;
[…]