ECLI:NL:CBB:2026:390

ECLI:NL:CBB:2026:390

Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak 25-08-2026
Datum publicatie 24-08-2026
Zaaknummer 23/1952
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBROT:2023:9461

Samenvatting

Onderneming voldoet niet aan administratieplicht Speur- en Ontwikkelingswerk (S&O). De S&O-verklaringen zijn op goede gronden gemotiveerd. De boetes zijn passend en geboden. Hoger beroep ongegrond. Wel is de redelijke termijn overschreden.

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 augustus 2026 op het hoger beroep van

[naam 1] Beheer B.V., te [vestigingsplaats] (onderneming)

de minister van Economische Zaken en Klimaat

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid)

uitspraak

zaaknummer: 23/1952

(gemachtigde: mr. A.S. Schollaardt)

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 oktober 2023, kenmerk ROT 21/6319, 21/6321, 21/6323 en 21/6324, in het geding tussen

de onderneming

en

(gemachtigde: mr. J. van Essen)

en

Procesverloop in hoger beroep

De onderneming heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 oktober 2023 (ECLI:NL:RBROT:2023:9461).

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.

De zitting was op 10 juni 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 1] namens de onderneming en de gemachtigden van partijen.

Het College heeft de Staat als partij aangemerkt in verband met het verzoek van de onderneming om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Inleiding

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de uitspraak van de rechtbank. Het College volstaat met het volgende.

[naam 1] is directeur-grootaandeelhouder van de onderneming.

Op aanvraag van de onderneming heeft de minister aan de onderneming voor periodes in de jaren 2016, 2017, 2018 en 2019 op grond van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (Wva) verklaringen afgegeven voor het besteden van uren aan Speur- en Ontwikkelingswerk (S&O-verklaringen) door [naam 1] in verschillende projecten. Het gaat om een totaalbedrag aan S&O-afdrachtvermindering van € 83.824,-. De onderneming heeft mededelingen gedaan waarin staat dat zij de toegekende S&O-uren heeft gerealiseerd.

Een inspecteur van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) heeft een deskcontrole uitgevoerd ten aanzien van de door de minister afgegeven S&O-verklaringen. De onderneming heeft daarvoor gegevens uit haar S&O-administratie aangeleverd, waaronder de urenadministratie en de administratie per project. De inspecteur heeft de overgelegde stukken beoordeeld en zijn bevindingen neergelegd in een controlerapport van 8 februari 2021. Volgens de inspecteur valt uit de aangeleverde S&O-administratie over de aard, inhoud en voortgang niet eenvoudig en duidelijk op te maken dat [naam 1] S&Owerkzaamheden heeft uitgevoerd, zoals beschreven en toegelicht in de documenten op basis waarvan de S&O-verklaringen zijn verstrekt.

Met vier afzonderlijke besluiten van 10 mei 2021 heeft de minister de afgegeven S&O-verklaringen gecorrigeerd (correctie-S&O-verklaringen) en daarbij het aantal S&O-uren op nul vastgesteld. Dit leidt tot een correctie aan S&O-afdrachtvermindering van in totaal € 83.824,- naar € 0,-. De onderneming heeft namelijk niet voldaan aan de administratieverplichting als opgenomen in artikel 24, eerste lid, van de Wva, gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling S&Oafdrachtvermindering (Regeling). De aard, de inhoud en de voortgang van het S&Owerk, waarvoor de S&O-verklaringen zijn verstrekt, zijn niet op eenvoudige en duidelijke wijze af te leiden uit de projectadministratie. Hooguit lijkt het erop dat [naam 1] erbij betrokken is geweest. De minister heeft de onderneming ook boetes opgelegd van respectievelijk € 1.400,- (2016) en € 1.900,- (2017, 2018 en 2019) vanwege het niet voldoen aan de administratieplicht.

De minister heeft de onderneming in bezwaar de gelegenheid geboden om de projectadministratie van [naam 2] B.V. over te leggen, waarvoor zij werkzaamheden heeft verricht.

Met de besluiten van 11 november 2021 (bestreden besluiten), waartegen de beroepen bij de rechtbank waren gericht, heeft de minister de bezwaren gedeeltelijk gegrond verklaard, de correctie-S&O-verklaringen gehandhaafd en de boetes gematigd naar € 700,- (2016) en € 900,- (2017, 2018 en 2019).

Uitspraak van de rechtbank

2 De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd en herroepen voor zover het de hoogte van de boetes betreft, en zelf de boetes vastgesteld op € 315,- (2016) en € 405,- (2017, 2018 en 2019). Voor zover voor het hoger beroep van belang, heeft de rechtbank daartoe het volgende overwogen. Daarbij moet voor ‘eiseres’, ‘verweerder’ en ‘CBb’ achtereenvolgens de onderneming, de minister en het College worden gelezen:

“[…]

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat uit de S&O-administratie van eiseres niet op eenvoudige en duidelijke wijze blijkt dat [naam 1] S&O-werk heeft verricht voor het opgegeven aantal uren. In het controlerapport, het primaire besluit en het bestreden besluit is dit standpunt voldoende gemotiveerd.

Bij de controle heeft eiseres stukken van de urenregistratie overgelegd en enkele stukken die inhoudelijk over de projecten gaan, maar verweerder vindt die inhoudelijke stukken terecht onvoldoende. De stukken over interne overleggen en een overzicht van de projecten geven wel een algemene beschrijving van de projecten en enkele technische knelpunten en oplossingen, maar daaruit kan niet worden vastgesteld wie precies welke activiteiten heeft ondernomen en op welke data. Een onderbouwing van de verrichte werkzaamheden en de voortgang daarin met concrete stukken (zoals tekeningen en berekeningen) ontbreekt. Ook de overgelegde stukken waarin eiseres voor de S&O-aanvragen informatie heeft verstrekt, geven alleen een algemene beschrijving en onvoldoende inzicht in de daadwerkelijk verrichte werkzaamheden en de voortgang daarin per jaar, per project en door wie die zijn verricht. Dat niet exact is voorgeschreven uit welke stukken een projectadministratie moet bestaan, neemt niet weg dat van eiseres als aanvrager wel mag worden verwacht dat haar bekend is waaraan een projectadministratie ten minste moet voldoen. In de afgegeven S&O-verklaringen is eiseres er ook op gewezen dat zij verplicht is van de S&O-werkzaamheden een administratie bij te houden waaruit per project op eenvoudige en duidelijke wijze de aard, de inhoud, de omvang en de voortgang van het verrichte S&O is af te leiden. Ook wordt er jaarlijks een Handleiding WBSO uitgegeven door verweerder met daarin handvatten voor het bijhouden van een projectadministratie.

In de bezwaarfase heeft verweerder eiseres de gelegenheid geboden om alsnog stukken uit de administratie van [naam 2] B.V. te overleggen. Verweerder heeft daarbij als eis kunnen stellen dat de RVO ten tijde van de controle bij eiseres al over de desbetreffende administratie beschikte, refererend aan het al eerder door de RVO verrichte onderzoek van de S&O-administratie van [naam 2] B.V. Immers, een inhoudingsplichtige moet de projectadministratie binnen twee maanden na afloop van het kalenderkwartaal waarin het S&O-werk is verricht, beschikbaar hebben voor controle. Zoals het CBb heeft overwogen, mag verweerder dan ook uitgaan van de administratie zoals die ten tijde van de controle aan hem ter beschikking is gesteld en was hij niet gehouden om rekening te houden met nadien (bijvoorbeeld in de bezwaarfase) alsnog overgelegde stukken. Terecht heeft verweerder de in bezwaar overgelegde stukken die zien op het jaar 2019, niet beoordeeld, nu onbetwist is dat de controle bij [naam 2] B.V. geen betrekking had op dat jaar en dus aannemelijk is dat de RVO nog niet eerder over die stukken beschikte. Dat de stukken volgens eiseres ten tijde van de controle al wel aanwezig waren in de administratie van [naam 2] B.V., doet daar niet aan af. Het lag op de weg van eiseres om bij de controle alle stukken te overleggen die volgens haar van belang waren, waaronder eventueel stukken uit de administratie van [naam 2] B.V. (waarvan [naam 1] ook directeur was). De rechtbank ziet niet in dat eiseres door de wijze waarop de controle is verricht, ongerechtvaardigd is benadeeld. Eiseres is gelegenheid geboden om bij de controle de stukken uit de administratie die zij van belang achtte, digitaal aan verweerder toe te sturen. Zoals verweerder heeft toegelicht, zou ook als de controle ter plaatse bij eiseres was verricht, de inspecteur alleen de administratie hebben beoordeeld die eiseres op dat moment ter beschikking had gesteld. Niet is gebleken dat eiseres door de uitgevoerde deskcontrole bepaalde stukken niet heeft kunnen overleggen die zij bij een fysieke controle wel had kunnen overleggen.

Wat betreft de in de bezwaarfase overgelegde stukken over de jaren 2016, 2017 en 2018 stelt verweerder eveneens terecht dat daaruit onvoldoende blijkt dat [naam 1] de opgegeven S&O-werkzaamheden heeft verricht. Alleen ten aanzien van een aantal projecten heeft eiseres nieuwe stukken overgelegd en dat zijn deels (wederom) toelichtingen op en beschrijvingen van de projecten achteraf. Dergelijke stukken hebben geen aannemelijkheidswaarde als ze niet worden onderbouwd met documenten die tijdens de ontwikkeling van de installaties en machines zijn opgesteld. Voor een deel van de projecten zijn dergelijke documenten niet overgelegd; voor een ander deel wel, maar terecht vindt verweerder die onvoldoende om het S&O-werk door [naam 1] te kunnen vaststellen. Zo heeft eiseres schetsen overgelegd waarvan niet kan worden vastgesteld door wie die zijn gemaakt en blijkt uit bepaalde overgelegde tekeningen en berekeningen dat die juist door anderen dan [naam 1] zijn gemaakt. De overgelegde foto’s geven geen informatie over wie S&O-werk heeft verricht en ook uit de overgelegde notulen, besluitenlijsten en testresultaten blijkt onvoldoende wie wanneer wat gedaan heeft.

Verweerder heeft dus terecht vastgesteld dat uit de door eiseres overgelegde administratie niet op eenvoudige en duidelijke wijze de aard, inhoud, omvang en voortgang van het S&O-werk is af te leiden. De rechtbank merkt daarbij op dat niet wordt geoordeeld dat [naam 1] helemaal geen S&O-werk heeft verricht; er wordt slechts vastgesteld dat dit uit de door eiseres overgelegde administratie onvoldoende blijkt. Verweerder wijst in dit kader terecht op het belang van een voldoende duidelijke en inzichtelijke administratie; de projectadministratie is immers het enige middel dat verweerder heeft om te kunnen controleren of terecht afdrachtvermindering voor het gevraagde aantal uren S&O-werk is toegekend. Verder heeft verweerder terecht opgemerkt dat [naam 1] weliswaar betrokken kan zijn geweest bij de projecten, maar dat dat nog niet betekent dat [naam 1] (deels) S&O-werkzaamheden heeft verricht aan die projecten. Betrokkenheid bij een project kan immers ook bestaan uit organisatorische of administratieve werkzaamheden die niet zijn te kwalificeren als S&O-werk. Juist de projectadministratie moet inzicht geven in de werkzaamheden die door de S&O-medewerker zijn verricht met betrekking tot de daadwerkelijke ontwikkeling van een product en de oplossing van technische knelpunten. Terecht stelt verweerder dat de administratie dit inzicht onvoldoende biedt.

[…]

Uit het voorgaande volgt dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat de administratie van eiseres niet voldoet aan het bij of krachtens artikel 24, eerste lid, van de Wva bepaalde. In dat geval kan verweerder op grond van artikel 25, derde lid, van de Wva, een correctieS&Overklaring afgeven tot een omvang waarvan onvoldoende aannemelijk is dat S&O-werk zoals opgenomen in de S&O-verklaring is verricht. Volgens vaste jurisprudentie van het CBb komt aan verweerder een grote beoordelingsruimte toe bij toepassing van artikel 25, derde lid, van de Wva, gelet op de aard en de bewoordingen van dit wettelijk criterium, en overschrijdt verweerder de grenzen van die ruimte in beginsel niet door aan het begrip “onvoldoende aannemelijk” een ruime uitleg te geven en dus bij deze toets zeer terughoudend te zijn in het aannemen dat S&O-werk daadwerkelijk is verricht. Verweerder hoeft niet op detailniveau te onderzoeken hoeveel S&O-werk wel aannemelijk is. Het ligt voorts op de weg van de aanvrager om, als hij meent dat verweerders beoordeling op dit punt geen stand kan houden, dit aan de hand van andere feiten en omstandigheden en eventueel administratie aannemelijk te maken. Verweerder heeft in dit geval terecht geconcludeerd dat uit de overgelegde administratie niet voldoende duidelijk blijkt dat [naam 1] S&O-werk heeft verricht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook terecht de S&Overklaringen gecorrigeerd naar nul uren. De rechtbank vindt deze correcties niet onevenredig. Zoals het CBb heeft overwogen is de correctie een geschikt middel om te reageren op het niet correct administreren en uitvoeren van de werkzaamheden waarvoor de S&O-verklaringen zijn afgegeven. Als er, gezien de administratie, niet van kan worden uitgegaan dat de werkzaamheden zijn uitgevoerd, zoals in dit geval, is het ook een noodzakelijk middel; het is immers niet de bedoeling dat belastingaftrek wordt verkregen zonder dat daar een prestatie tegenover staat. Eiseres wordt nadelig getroffen doordat de toegekende S&O-afdrachtverminderingen van in totaal € 83.824,- worden teruggedraaid. Maar nu uit de administratie niet is gebleken dat [naam 1] de werkzaamheden waarvoor deze aftrek is verkregen, heeft verricht, is een volledige correctie van zijn S&O-uren naar nul in balans met het doel om aftrek te geven voor uitgevoerde S&O werkzaamheden. Van onevenwichtigheid is daarom naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

Nu uit het voorgaande volgt dat eiseres niet heeft voldaan aan haar administratieverplichting in artikel 24, eerste lid, van de Wva, was verweerder ook bevoegd, op grond van artikel 26, eerste lid, van de Wva, eiseres daarvoor boetes op te leggen. […] De rechtbank ziet in de omstandigheden in deze zaken aanleiding om de boetes te matigen met 50 %. Dit betekent dat de boete voor 2016 wordt verlaagd naar € 350,- en de boetes voor 2017, 2018 en 2019 worden verlaagd naar € 450,-.

[…]

In dit geval is de redelijke termijn aangevangen met het uitbrengen van de voornemens op 16 maart 2021. Op het moment van deze uitspraak is de redelijke termijn met zeven maanden overschreden. De rechtbank ziet in deze overschrijding aanleiding om de boetes verder te matigen met 10 %. Dat betekent dat de boete voor 2016 wordt vastgesteld op € 315,- en de boetes van 2017, 2018 en 2019 worden vastgesteld op € 405,-.

[…]”.

Wettelijk kader

3 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.

Standpunten van partijen

4 De onderneming stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van een overtreding van de administratieverplichting. In de eerste plaats wijst zij erop dat wat de minister van haar verlangt de reikwijdte van de administratieverplichting, zoals die volgt uit artikel 24, eerste lid, van de Wva, gelezen in samenhang met artikel 3 van de Regeling, te buiten gaat. Volgens de minister had de onderneming schetsen, meer of andere uitgewerkte ontwerpen, berekeningen, uitwerkingen van ideeën op papier, alle van datum voorzien en ondertekend, moeten aanleveren om de S&O-werkzaamheden te onderbouwen. Uit de wet- en regelgeving volgt een dergelijk vergaande administratieplicht niet. Daarbij komt dat als vervolgens meer gedetailleerde stukken worden overgelegd, deze als niet relevant terzijde worden geschoven. Hierbij wijst de onderneming erop dat uit die stukken blijkt dat er werkzaamheden zijn verricht, dat deze werkzaamheden alles van doen hadden met de projecten waarvoor de S&O-verklaringen zijn afgegeven, langs welke weg het resultaat bereikt is, dat [naam 1] daarbij betrokken was, welke technische knelpunten zich hebben voorgedaan en op welke wijze deze zijn opgelost. In de tweede plaats wijst zij erop dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de stukken over het jaar 2019 terecht niet door de minister zijn beoordeeld, nu de controle bij de [naam 2] B.V. geen betrekking had op dat jaar. Deze stukken bevonden zich op dat moment wel in de administratie van dat bedrijf en in het kader van een volledige heroverweging in bezwaar had de minister ook die stukken bij zijn besluitvorming moeten betrekken. Verder heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat uit de relevant geachte stukken over de jaren 2016, 2017 en 2018 onvoldoende is gebleken dat [naam 1] S&O-werkzaamheden heeft verricht. Uit de stukken, waaronder tekeningen, berekeningen en notulen blijkt dat [naam 1] oplossingsrichtingen heeft aangedragen en daarna de knelpunten heeft opgelost. [naam 1] fungeerde niet alleen als leidinggevende, maar verrichtte ook operationele werkzaamheden. Ook uit de urenstaten blijkt dat [naam 1] daadwerkelijk technische knelpunten heeft vastgesteld en opgelost, omdat daarin steeds is aangegeven in het kader van welk project wanneer welke werkzaamheden zijn verricht. Tot slot wordt aangevoerd dat als al sprake zou zijn van een overtreding van de administratieverplichting, de correcties van de S&O-verklaringen onevenredig zijn. Op basis van de overgelegde stukken is aannemelijk geworden dat in ieder geval tot een redelijke omvang S&O-werkzaamheden zijn verricht. De betrokkenheid van [naam 1] bij de projecten wordt door de minister ook niet betwist. Een volledige correctie gaat vele malen verder dan het herstel naar de rechtmatige toestand waar een herstelsanctie voor bedoeld is. Verder heeft de onderneming aangevoerd dat de redelijke termijn is overschreden.

5 De minister heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

Beoordeling van het hoger beroep

Heeft de onderneming voldaan aan de administratieverplichting?

Zoals het College eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 juni 2022, ECLI:NL:CBB:2022:342, onder 5.1) moet de minister in het kader van artikel 24 van de Wva beoordelen of de administratie van een S&O-inhoudingsplichtige voldoet aan bepaalde eisen (administratietoets). In artikel 3, eerste lid, van de Regeling is één van de eisen uitgewerkt. Dit artikel bepaalt dat de S&O-inhoudingsplichtige gedurende het kalenderjaar waarop de S&O-verklaring betrekking heeft, per project een zodanige administratie voert dat daaruit op een eenvoudige en duidelijke wijze de aard, de inhoud, de omvang en de voortgang van het verrichte S&O-werk kunnen worden afgeleid. De minister moet vervolgens toetsen of uit de administratie voldoende aannemelijk is dat de omvang van het S&O-werk dat is verricht, overeenkomt met de omvang zoals opgenomen in de S&Overklaring (aannemelijkheidstoets). Uit artikel 25, derde lid, van de Wva volgt dat een correctie-S&O-verklaring kan worden afgegeven, indien een administratie niet voldoet aan die eisen. Uit artikel 24, eerste lid, van de Wva, gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling, volgt dus waar een projectadministratie aan moet voldoen.

Verder heeft het College eerder overwogen dat een S&O-inhoudingsplichtige vrij is in de wijze waarop hij zijn projectadministratie inricht, maar deze moet wel gegevens bevatten waaruit op een eenvoudige en duidelijke wijze is af te leiden wat voor S&O-werk is verricht (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 mei 2024, ECLI:NL:CBB:2024:329, onder 7.1). Voor de conclusie dat de minister en de rechtbank hier de reikwijdte van de administratieverplichting hebben miskend bestaat geen grond.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de minister niet (ook) de administratie van [naam 2] B.V. over het jaar 2019 bij zijn besluitvorming hoefde te betrekken, omdat de minister alleen stukken van [naam 2] B.V. hoefde te beoordelen voor zover de RVO daarover al beschikte in het kader van het eerdere onderzoek naar de S&O-administratie van dat bedrijf. Uit artikel 3, vierde lid, van de Regeling volgt namelijk dat de onderneming de projectadministratie binnen twee maanden na afloop van het kalenderkwartaal waarin het S&O-werk is verricht, beschikbaar moet hebben voor controle. Vaststaat dat de controle bij [naam 2] B.V. niet op het jaar 2019 zag, zodat de RVO niet over een S&O-administratie van dat bedrijf over dat jaar beschikte.

Verder is het College met de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat de aard, de inhoud, de omvang en de voortgang van het S&O-werk niet op eenvoudige en duidelijke wijze uit de S&O-administratie van de onderneming en van [naam 2] B.V. over de jaren 2016, 2017 en 2018, is af te leiden. Het ligt op de weg van de onderneming om met (een verwijzing naar) concrete stukken te komen waaruit de onjuistheid van het gemotiveerde standpunt van de minister blijkt. Als de onderneming van mening is dat de door haar beschikbaar gestelde gegevens voldoende zijn om vast te stellen dat sprake is van S&O-werkzaamheden door [naam 1] , is het aan haar om in hoger beroep concreet aan te geven uit welke gegevens dat dan blijkt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 mei 2024, ECLI:NL:CBB:2024:329, onder 7.2). Daarin is zij niet geslaagd. Zonder nadere (chronologische) onderbouwing van het S&O-werk op projectniveau ontbreekt het gepresenteerde verband tussen de technische- en vergaderstukken en de urenadministratie van [naam 1] . Het overzicht per project van 24 augustus 2023, waarop [naam 1] op de zitting heeft gewezen, biedt dat inzicht evenmin, terwijl dit overzicht bovendien pas achteraf is opgesteld en aldus geen deel uitmaakte van de projectadministratie op het moment van de controle. Daardoor blijft onduidelijk wat de technische knelpunten in de verschillende projecten waren en wie welke acties heeft ondernomen om deze op te lossen. Het feit dat [naam 1] heeft deelgenomen aan vergaderingen en dat tekeningen, berekeningen, foto’s en ingevulde urenstaten zijn overgelegd, verandert hier niets aan. De aard, omvang en inhoud van de S&Owerkzaamheden zijn namelijk niet vast te stellen; de concrete bijdrage aan die stukken en de relatie met de gestelde 3.700 S&O-uren van [naam 1] ontbreken. Voor de conclusie dat de rechtbank de urenadministratie niet heeft betrokken in haar beoordeling bestaat geen grond.

Uit het voorgaande volgt dat de projectadministratie van de onderneming niet zodanig is ingericht dat de minister daaruit op een eenvoudige en duidelijke wijze de aard, de inhoud en de voortgang van de S&O-werkzaamheden kan afleiden. Het betoog van de onderneming slaagt niet. De minister was dus bevoegd om op grond van artikel 25, derde lid, van de Wva correctieS&O-verklaringen af te geven.

Is de volledige correctie van de S&O-verklaringen evenredig?

7 Het College is van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat de minister de S&O-verklaringen terecht heeft gecorrigeerd naar nul uren en dat deze correcties niet onevenredig zijn. Anders dan waarvan de onderneming uitgaat, kan juist niet vastgesteld worden of en welke S&O-werkzaamheden [naam 1] heeft verricht waarvoor S&O-verklaringen zijn afgegeven. Het betoog van de onderneming slaagt niet.

Overschrijding redelijke termijn

Het College overweegt over het beroep van de onderneming op de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) als volgt.

Ten aanzien van de correctie-S&O-verklaringen geldt het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties (bezwaar, beroep en hoger beroep) in beginsel is overschreden als die procedure in haar geheel langer duurt dan vier jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaren duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Uitgangspunt voor de immateriële schadevergoeding is een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

In dit geval is sprake van vier samenhangende zaken van één belanghebbende die in de bezwaar-, beroeps- en hoger beroepsfase gezamenlijk zijn behandeld. In gevallen als deze wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500,- per half jaar gehanteerd. Daarbij wordt gerekend vanaf de datum waarop de minister het eerst ingediende bezwaarschrift heeft ontvangen tot de datum van deze uitspraak. De minister heeft de bewaarschriften ontvangen op 10 juni 2021. De onderneming heeft op de zitting aangegeven het beroep op de overschrijding van de redelijke termijn wat betreft de behandelingsduur te beperken tot november 2025, omdat zij (twee keer) heeft verzocht om uitstel van een geplande zitting. Dit betekent dat de redelijke termijn van vier jaar met vijf maanden is overschreden. Van factoren die aanleiding kunnen geven de overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake. De onderneming heeft daarom recht op een immateriële schadevergoeding van € 500,-.

De behandeling van de bezwaarschriften heeft vijf maanden geduurd en de behandeling van de beroepen en het hoger beroep tot november 2025 tezamen vier jaar. De overschrijding is dus geheel aan de rechterlijke fase toe te rekenen. Het College zal daarom de Staat veroordelen tot betaling van de immateriële schadevergoeding.

Ten aanzien van de boetes geldt eveneens het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties (bezwaar, beroep en hoger beroep) in beginsel is overschreden als die procedure in haar geheel langer duurt dan vier jaar. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bestuurlijke fase in beginsel een jaar mag duren, de beroepsfase ook een jaar en de hoger beroepsfase twee jaar. De redelijke termijn begint op het moment waarop een handeling wordt verricht waaraan de betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een bestuurlijke boete wordt opgelegd. De in aanmerking te nemen termijn eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet in de procedure over het geschil dat de betrokkene en het bestuursorgaan verdeeld houdt. Ook voor de boetes geldt dat de onderneming op de zitting het beroep op de overschrijding van de redelijke termijn wat betreft de behandelingsduur heeft beperkt tot november 2025.

In deze zaken is de redelijke termijn aangevangen met de voornemens tot boeteoplegging op 16 maart 2021. Dit brengt met zich dat, rekening houdend met de beperking tot november 2025, de redelijke termijn van vier jaar is overschreden met acht maanden. Aangezien de rechtbank de opgelegde boetes al met 10% heeft gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn (voor een periode tot twaalf maanden), bestaat geen aanleiding de boetes verder te matigen.

Conclusie

9 Het hoger beroep slaagt niet. Dit betekent dat de uitspraak van de rechtbank bevestigd zal worden.

10 Het College veroordeelt de Staat tot vergoeding aan de onderneming van immateriële schade tot een bedrag van € 500,- en in de kosten die de onderneming in verband met haar verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze proceskosten worden vastgesteld op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5).

Beslissing

Het College:

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, mr. A. Venekamp en mr. S.B. SmitColenbrander, in aanwezigheid van mr. M. Ettema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026.

w.g. M.M. Smorenburg w.g. M. Ettema

Bijlage

Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen

Artikel 24, eerste, tweede en derde lid

1. De S&O-inhoudingsplichtige aan wie een S&O-verklaring is afgegeven, houdt een overeenkomstig bij regeling van Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat vast te stellen regels ingerichte administratie bij omtrent de aard, de inhoud, de omvang en de voortgang van het werk dat in de verklaring is aangemerkt als speur- en ontwikkelingswerk. […]

2 De S&O-inhoudingsplichtige doet mededeling aan Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat over de in dat kalenderjaar aan speur- en ontwikkelingswerk bestede uren waarvoor een S&O-verklaring is afgegeven […].

3 De S&O-inhoudingsplichtige doet de mededeling, bedoeld in het tweede lid, binnen drie kalendermaanden na afloop van het kalenderjaar waarop de in dat lid bedoelde S&O-verklaringen betrekking hebben of, indien dat later is, binnen drie kalendermaanden na de afgifte van de laatste S&O-verklaring die betrekking heeft op dat kalenderjaar.

Artikel 25, derde lid

3. Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat kan, indien blijkt dat de in artikel 24, eerste lid, bedoelde administratie niet voldoet aan het bij of krachtens dat artikel bepaalde aan de S&O-inhoudingsplichtige een correctie-S&O-verklaring afgeven tot een omvang waarvan onvoldoende aannemelijk is dat speur- en ontwikkelingswerk zoals opgenomen in de S&O-verklaring is verricht of kosten en uitgaven zoals opgenomen in de S&O-verklaring zijn gerealiseerd.

Artikel 26, eerste lid

1. Bij overtreding van het bij of krachtens artikel 24, eerste lid, bepaalde of indien sprake is van het geval, bedoeld in artikel 25, tweede lid, onderdeel a, kan Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat aan de S&O-inhoudingsplichtige een bestuurlijke boete opleggen ter hoogte van maximaal € 100 000, of, wanneer dat meer is, 20% van het in de S&O-verklaring als afdrachtvermindering vastgestelde bedrag.

Regeling S&O-afdrachtvermindering

Artikel 3, eerste, vierde, vijfde en zesde lid

1. De S&O-inhoudingsplichtige of de S&O-belastingplichtige voert gedurende het kalenderjaar waarvoor de S&O-verklaring afgegeven is per project een zodanige administratie dat daaruit op eenvoudige en duidelijke wijze zijn af te leiden:

a. de aard, inhoud en voortgang van het werk dat is verricht;

b. op welke dagen door een werknemer van de S&O-inhoudingsplichtige of door de S&O-belastingplichtige het werk is verricht en om hoeveel uur het per dag ging.

4. De S&O-inhoudingsplichtige of de S&O-belastingplichtige houdt de administratie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, zodanig bij dat deze binnen twee maanden na afloop van het kalenderkwartaal waarin het werk is verricht, beschikbaar is voor controle.

5. De S&O-inhoudingsplichtige of de S&O-belastingplichtige houdt de administratie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, steeds zodanig bij dat deze uiterlijk 10 werkdagen na een dag waarop het werk is verricht, beschikbaar is voor controle.

6. De S&O-inhoudingsplichtige houdt de administratie, bedoeld in het tweede en derde lid, zodanig bij dat deze op het moment van de S&O-mededeling, bedoeld in artikel 24, derde en vierde lid, van de wet, beschikbaar is voor controle.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026082606 FutD 2026-1535
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand