COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 25 augustus 2026 in de zaak tussen
[naam 1] B.V. handelend onder de naam [naam 2] Kitchen, te [vestigingsplaats]
het college van burgemeester en wethouders van [vestigingsplaats]
uitspraak
zaaknummer: 25/641
(gemachtigde: mr. R.V. Lie-a-Lien)
en
(gemachtigde: mr. M. Boermans)
Procesverloop in beroep
[naam 1] heeft tegen de beslissing op bezwaar van 15 januari 2025 (bestreden besluit) beroep ingesteld.
[naam 1] heeft aanvullende gronden ingediend.
De zitting was op 10 juni 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: de gemachtigden van partijen.
Inleiding
1 [naam 1] exploiteert de broodjeswinkel [naam 2] Kitchen (broodjeswinkel) aan de Leidsestraat in het centrum van [vestigingsplaats] . Zij heeft een ontheffing aangevraagd om in de late avond en nacht geopend te mogen blijven. Met het besluit van 27 februari 2024 heeft het college van b en w de ontheffing op grond van artikel 5, eerste lid, van de Verordening winkeltijden [vestigingsplaats] 2017 (Winkeltijdenverordening) voor de duur van vijf jaar verleend om buiten de reguliere openingstijden open te mogen blijven van 22:00 uur tot 3:00 uur op zondag tot en met donderdag en van 22:00 uur tot 4:00 uur op vrijdag en zaterdag. Met de duur van vijf jaar beoogt het college van b en w een vast moment om te toetsen of een onderneming nog voldoet aan de voorwaarden en of een ontheffing nog in het belang van het woon- en leefklimaat, de veiligheid en openbare orde is. Met het bestreden besluit heeft het college van b en w het bezwaar van [naam 1] , onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie, ongegrond verklaard.
Wettelijk kader
2 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Standpunten van partijen
[naam 1] vindt dat het college van b en w de aan haar verleende ontheffing ten onrechte in duur heeft beperkt tot vijf jaar. Er is geen dwingende reden van algemeen belang die deze beperkte duur rechtvaardigt. Het college van b en w heeft de noodzakelijkheid van de beperkte geldigheidsduur onvoldoende onderbouwd. [naam 1] betwist dat de beperkte duur van de ontheffing gerechtvaardigd is ter bescherming van het woon- en leefklimaat en de openbare orde en veiligheid. Zij wijst erop dat de exploitatie al jarenlang probleemloos verloopt en dat van overlast geen sprake is. De beperkte ontheffingstermijn van vijf jaar leidt tot een zeer ernstige aantasting van het eigendomsrecht van [naam 1] . Deze aantasting is in strijd met de vereiste evenredigheid, omdat er geen enkele noodzaak is voor de beperking en de gevolgen voor haar zeer groot zijn. Bovendien zijn er alternatieve, minder ingrijpende maatregelen, zoals tussentijdse evaluatiemomenten of strengere handhaving bij geconstateerde overlast. Daarnaast zou een langere termijn geboden kunnen worden om recht te doen aan alle gedane investeringen en aangegane verplichtingen. Ook is het bestreden besluit om genoemde redenen in strijd met het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). [naam 1] heeft erop gewezen dat het niet nodig is om een ontheffing in duur te beperken, omdat de ontheffing tussentijds kan worden ingetrokken of gewijzigd. Dat een verplicht toetsmoment ontbreekt en het college van b en w doorgaans gebruik zal maken van die bevoegdheid op een moment dat een incident zich voordoet, terwijl een vast toetsmoment aan het eind van de looptijd een dergelijk incident juist beoogt te voorkomen, maakt dit niet anders. Dit verplichte toetsmoment kan, anders dan het College in de uitspraak 26 januari 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:59) heeft overwogen, ook worden opgelegd zonder dat de ontheffing in duur wordt beperkt. Een verplichte tussentijdse controle na vijf jaar zou namelijk ook een verplicht toetsmoment kunnen zijn. Het college van b en w heeft niet deugdelijk en concreet onderbouwd dat het woon- en leefklimaat en de openbare orde in de omgeving van [naam 1] op ontoelaatbare nadelige wijze kan worden beïnvloed en dat het daarom noodzakelijk is om grip te houden op de toekomst. Zij wijst in dit verband op de uitspraken van het College van 9 juli 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:465) en 12 maart 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:167) en naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 november 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:2594). In haar directe omgeving zijn horecagelegenheden en clubs gelegen die in de nacht zijn geopend, terwijl [naam 1] geen alcohol verkoopt en juist het publiek opvangt dat uit is geweest en hen voorziet van maaltijden. Het besluit van 27 februari 2024 is volgens [naam 1] alleen maar genomen, omdat het college van b en w in de toekomst de mogelijkheid om een ontheffing te verlenen wil schrappen uit de Winkeltijdenverordening.
Het college van b en w heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
Beoordeling van het beroep
Op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en onder c, van Richtlijn 2016/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (Dienstenrichtlijn) en artikel 33 van de Dienstenwet heeft een aan een dienstverrichter verleende vergunning geen beperkte geldigheidsduur, tenzij een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang. Evenals in de zaak die heeft geleid tot de onder 3.1 genoemde uitspraak van het College van 26 januari 2021, heeft het college van b en w aan de beperkte duur van de aan [naam 1] verleende ontheffing het belang van bescherming van de openbare orde en veiligheid, evenals de bescherming van het stedelijk milieu (bescherming van het woon- en leefklimaat) ten grondslag gelegd. Deze belangen vormen dwingende redenen van algemeen belang als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder 8, van de Dienstenrichtlijn. Voor zover [naam 1] betoogt dat het college van b en w daaraan een andere reden ten grondslag heeft gelegd, moet worden geoordeeld dat dat betoog uitgaat van een onjuiste lezing van het bestreden besluit. Dat, zoals [naam 1] in wezen aanvoert, zij zelf geen overlast veroorzaakt en zelfs een positieve bijdrage levert aan haar omgeving, neemt niet weg dat genoemde belangen spelen in het gebied waar [naam 1] is gelegen (het centrum van [plaats] ). De door [naam 1] in dit verband aangehaalde rechtspraak kan haar niet baten, omdat die rechtspraak betrekking heeft op – kort gezegd – de openingstijden als zodanig en niet, zoals hier aan de orde, op de duur van de verleende ontheffing.
Zoals het College heeft overwogen in de onder 3.1 genoemde uitspraak van 26 januari 2021 is de beperkte duur van de ontheffing gerechtvaardigd, omdat deze geschikt is en niet verder gaat dan noodzakelijk met het oog op de te dienen belangen. In wat [naam 1] daarover aanvoert, ziet het College geen aanknopingspunten om daarover in haar geval anders te oordelen. Dat, zoals zij stelt, zij na de overname van de broodjeswinkel medio 2023 investeringen heeft gedaan en verplichtingen is aangegaan, betekent niet dat haar belang bij het verkrijgen van een ontheffing voor onbepaalde duur hier zwaarder dient te wegen dan het belang van het college van b en w om grip te willen houden op de leefbaarheid van de stad en de openbare orde door na afloop van de ontheffing opnieuw te kunnen beoordelen of deze kan worden verleend. Overigens was aan de vorige eigenaar van de broodjeswinkel ook een ontheffing voor de duur van vijf jaar verleend en bestond er geen enkele indicatie dat nu wel een ontheffing voor onbepaalde tijd zou worden verleend. Van een aantasting van het eigendomsrecht van [naam 1] is geen sprake en het bestreden besluit is niet in strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb.
5 Het College zal het beroep ongegrond verklaren. Het college van b en w hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, mr. A. Venekamp en mr. S.B. SmitColenbrander, in aanwezigheid van mr. M. Ettema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026.
w.g. M.M. Smorenburg w.g. M. Ettema
Bijlage
Richtlijn 2016/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (Dienstenrichtlijn)
Artikel 2 Werkingssfeer
1. Deze richtlijn is van toepassing op de diensten van dienstverrichters die in een lidstaat zijn gevestigd.
Artikel 4 Definities
Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
1) „dienst”: elke economische activiteit, anders dan in loondienst, die gewoonlijk tegen vergoeding geschiedt, zoals bedoeld in artikel 50 van het Verdrag;
(…)
6) „vergunningstelsel”: elke procedure die voor een dienstverrichter of afnemer de verplichting inhoudt bij een bevoegde instantie stappen te ondernemen ter verkrijging van een formele of stilzwijgende beslissing over de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit;
7) „eis”: elke verplichting, verbodsbepaling, voorwaarde of beperking uit hoofde van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten of voortvloeiend uit de rechtspraak, de administratieve praktijk, (…)
8) „dwingende redenen van algemeen belang”: redenen die als zodanig zijn erkend in de rechtspraak van het Hof van Justitie; waaronder de volgende gronden: openbare orde, openbare veiligheid, staatsveiligheid, volksgezondheid, handhaving van het financiële evenwicht van het socialezekerheidsstelsel, bescherming van consumenten, afnemers van diensten en werknemers, eerlijkheid van handelstransacties, fraudebestrijding, bescherming van het milieu en het stedelijk milieu, diergezondheid, intellectuele eigendom, behoud van het nationaal historisch en artistiek erfgoed en doelstellingen van het sociaal beleid en het cultuurbeleid;
Artikel 11 Vergunningsduur, eerste en vierde lid,
1. Een aan een dienstverrichter verleende vergunning heeft geen beperkte geldigheidsduur, tenzij in gevallen waar:
a. a) de vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de voortdurende vervulling van de voorwaarden;
b) het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden van algemeen belang; of
c) een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang.
4. Dit artikel laat de mogelijkheid van lidstaten onverlet om vergunningen in te trekken, wanneer niet meer aan de vergunningsvoorwaarden wordt voldaan.
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:4
1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Dienstenwet
Artikel 33, eerste lid,
1. Een bevoegde instantie beperkt een vergunning die zij al dan niet voor onbepaalde tijd kan verlenen niet in geldigheidsduur, tenzij:
a. die geldigheidsduur automatisch wordt verlengd,
b. het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden van algemeen belang, of
c. een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang.
Winkeltijdenwet
Artikel 2, eerste lid,
1. Het is verboden een winkel voor het publiek geopend te hebben:
a. op zondag;
b. op Nieuwjaarsdag, op Goede Vrijdag na 19 uur, op tweede Paasdag, op Hemelvaartsdag, op tweede Pinksterdag, op 24 december na 19 uur, op eerste en tweede Kerstdag en op 4 mei na 19 uur;
c. op werkdagen voor 6 uur en na 22 uur.
Artikel 3
1. De gemeenteraad kan bij verordening vrijstelling verlenen van de in artikel 2 vervatte verboden.
2. De gemeenteraad kan bij verordening aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid verlenen om in de gevallen, in de verordening aan te wijzen, en met inachtneming van de daarin gestelde regels op daartoe strekkend verzoek ontheffing van de in het eerste lid bedoelde verboden te verlenen.
3. De vrijstellingen en ontheffingen kunnen onder beperkingen worden verleend. Aan de vrijstellingen en ontheffingen kunnen voorschriften worden verbonden.
Verordening winkeltijden Amsterdam 2017
Artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder b,
5. De in artikel 2, eerste lid, van de wet vervatte verboden, voor zover deze betrekking hebben op de zondag en de feestdagen, alsmede Goede Vrijdag na 19 uur, 24 december na 19 uur en 4 mei na 19 uur, gelden niet ten aanzien van:
b. winkels, waar uitsluitend maaltijden, voor directe consumptie geschikte eetwaren, alcoholvrije dranken en, door middel van een automaat, tabak en tabaksproducten, middelen ter voorkoming van zwangerschap en damesverband plegen te worden verkocht;
Artikel 5 Ontheffing op werkdagen, eerste lid,
1. Het college kan op aanvraag ontheffing verlenen van het in artikel 2, eerste lid, onder c, van de wet vermelde verbod. De ontheffing kan worden verleend ten behoeve van vormen van detailhandel die in artikel 4 worden vrijgesteld voor de zon- en feestdagen.