COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
[naam 1] B.V., te [vestigingsplaats] ([naam 1])
uitspraak
zaaknummer: 24/688
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2025 op het hoger beroep van
(gemachtigde: F.Th.M. Peters)
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 juni 2024, kenmerk 23/5171, in het geding tussen
[naam 1]
en
de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (voorheen de minister)
(gemachtigde: mr. D.J. van der Bij)
Procesverloop in hoger beroep
[naam 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 juni 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:5380.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.
De zitting was op 27 juli 2026. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Namens de minister is ook verschenen drs. [naam 2].
Inleiding
Op 18 mei 2022 heeft een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) een inspectie uitgevoerd bij het slachthuis van [naam 1] in [vestigingsplaats]. Van de inspectie heeft de toezichthouder op 23 mei 2022 een rapport van bevindingen opgemaakt. In dit rapport is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:
“[…] Op 18 mei 2022 omstreeks 21:00 uur liep ik in de schone slachthal ter hoogte
van het punt waar de varkenskarkassen de hal binnenkomen en richting het
keurbordes worden verplaatst. Tussen deze 2 punten worden verschillende
slachthandelingen aan het karkas gedaan. Bij één van die handelingen was er
een grote hoeveelheid verontreiniging, door mij herkend als mest, op het
borstbeen en beide voorpoten van een varkenskarkas terechtgekomen.
Dat het mestbezoedeling was zag ik aan de bruine kleur en de substantie van de
verontreiniging. Toen ik langs de medewerker liep die het darmpakket losmaakt
en in de darmschaal deponeert, zag ik dat hij een metalen handschoen in de
sterilisator doopte en het water wat er vanaf kwam gebruikte om (een deel van)
de mest van de linker voorpoot af te spoelen.
Het verwijderen van mest is alleen toegestaan door het weg te snijden, of een
andere behandeling met gelijkwaardig effect. Het wegspoelen met water wordt
niet gezien als een behandeling met gelijkwaardig effect als wegsnijden.
Het betreffende karkas heb ik alsnog aangemerkt om op de juiste manier op te
laten knappen (de bezoedelde delen weg te snijden). Nadat ik de chef slachthal op
de hoogte bracht van deze overtreding heeft hij de betreffende medewerker erop
aangesproken.
Bij mijn controle zag ik dat een karkas zichtbaar was verontreinigd met inhoud
van het maagdarmkanaal. Zichtbare verontreinigingen werden niet onmiddellijk
verwijderd door bijsnijden of door een andere behandeling met een gelijkwaardig
effect. […]”
Naar aanleiding van de bevindingen in dit rapport heeft de minister met het besluit van 9 december 2022 (boetebesluit) aan [naam 1] een boete opgelegd van € 2.500,- omdat een karkas zichtbaar verontreinigd was en deze zichtbare verontreiniging niet onmiddellijk werd verwijderd door bijsnijden of door een andere behandeling met een gelijkwaardig effect. Volgens de minister heeft [naam 1] daarmee een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling dierlijke producten en gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid, en bijlage III, sectie I, hoofdstuk IV, onderdeel 7 en 10, van Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (Verordening 853/2004).
Met het besluit van 20 juni 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van [naam 1] tegen het boetebesluit ongegrond verklaard. Tegen dit besluit was het beroep van [naam 1] bij de rechtbank gericht.
Uitspraak van de rechtbank
2 De rechtbank heeft het beroep van [naam 1] ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen, waarbij voor eiseres [naam 1] en voor verweerder de minister moet worden gelezen:
“6 Eiseres voert aan dat de betreffende medewerker de ergste bezoedeling eerst heeft weggespoeld met een in heet water gedompelde handschoen. Zonder eerst de grote hoeveelheid mest weg te spoelen zou bij het onmiddellijk bijsnijden van een dergelijke omvang mest er met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijk mest gemorst zijn op andere delen van het dier, gereedschappen, handen van medewerkers of andere karkassen. Daarbij wijst eiseres ook op Bijlage III, sectie I, Hoofdstuk IV, punt 7, onder c, van Verordening 853/2004 waarin primair wordt beoogd dat het morsen van darminhoud wordt voorkomen maar secundair wordt beoogd dat het morsen op andere slachtdieren wordt voorkomen. De medewerker heeft dit laatste morsen weten te voorkomen door de grote hoeveelheid mest weg te spoelen met een handschoen. Er is juist voor deze methode gekozen omdat een andere gebruikelijkere methode, namelijk wegspoelen met een waterslang of douche, het risico heeft dat de mest door spatten elders wordt gemorst. Na dit spoelen konden de bezoedelde plekken worden weggesneden op iedere volgende werkplek vóór de PM-keuring. Aangezien de medewerker die de mest verwijderd had met een bezoedeld mes en werkschort en bezoedelde handschoenen zat, diende de eerstvolgende medewerker de bezoedeling weg te snijden. Door te vroeg ingrijpen van de toezichthouder is het zover niet gekomen. Voorts voert eiseres aan dat punt 10 van hetzelfde onderdeel van Verordening 853/2004 ziet op karkassen en die status krijgt een slachtdier pas op de laatste werkplek voor de PM-keuring; pas dan mogen slachtdieren niet meer zichtbaar verontreinigd zijn. Daarnaast legt verweerder punt 10 te restrictief uit door ervan uit te gaan dat onmiddellijk na het ontstaan van de zichtbare bezoedeling deze moet worden verwijderd. Gelezen in samenhang met punt 7, onder c, gaat eiseres ervan uit dat alle maatregelen genomen moeten worden om verontreiniging te voorkomen en dat wegsnijding van bezoedeling uiterlijk op de laatste werkpositie voor de PM-keuring moet plaatsvinden. In dit geval is het wegspoelen gezien op de plaats van de uithaler en zijn er daarna nog meerdere werkposities voor de PM-keuring waarop de bezoedeling had kunnen worden weggesneden, aldus eiseres.
[…]
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) heeft meermaals geoordeeld (onder meer in ECLI:NL:CBB:2021:1029) dat punt 7 en 10 betrekking hebben op de uitslachtfase en dat dit betekent dat vóór de postmortemkeuring, die het einde van deze fase van het slachten markeert, aan het bepaalde in punt 7 en 10 moet zijn voldaan. Anders dan eiseres stelt, betekent dit niet dat een toezichthouder nimmer op enig moment in de uitslachtfase voorafgaand aan de postmortemkeuring al een overtreding van punt 7 en 10 kan vaststellen. In dit geval heeft een medewerker van eiseres tijdens de uitslachtfase mestbezoedeling van een (deel van een) varkenskarkas verwijderd door het af te spoelen met water afkomstig van een in sterilisatorwater gedoopte handschoen. Eiseres betwist niet dat deze (poging tot) verwijdering van de bezoedeling geen behandeling is met een gelijkwaardig effect als bijsnijden, zoals bedoeld in punt 10. Van de in punt 10 voorgeschreven wijze van verwijdering van de zichtbare verontreiniging was dus geen sprake. Dat eiseres na het punt waarop de toezichthouder zijn constatering heeft gedaan nog opknapplekken heeft waar bezoedelingen worden verwijderd door bijsnijden, maakt niet dat de toezichthouder in dit geval te vroeg heeft ingegrepen. Hoewel namens verweerder ter zitting is toegelicht dat het “onmiddellijk” in punt 10 moet worden opgevat als “zo snel mogelijk” en wel enige ruimte laat om de verwijdering van de verontreiniging te laten plaatsvinden op een geschikte plek iets verder in de lijn, is hier direct ingegrepen door de toezichthouder omdat met het wegspoelen van de verontreiniging wel onmiddellijk is gehandeld door eiseres, maar met een onjuiste behandeling die bovendien tot een vergroting van de risico’s leidt. Immers, door de handelwijze van de medewerker met de handschoen is de kans op verontreiniging van het vlees juist groter gemaakt en het later verwijderen door bijsnijden bemoeilijkt. Zoals verweerder heeft toegelicht, bestaat door het gebruik van water een grote kans dat de bezoedeling over een groter oppervlak wordt verspreid en wordt bovendien de bezoedelde plek minder goed zichtbaar. Het CBb heeft in een andere zaak (ECLI:NL:CBB:2024:114) waarin ook een bezoedeling op een karkas met water was afgespoeld, aannemelijk geacht dat ongewenste micro-organismen door het afspoelen met water over het karkas worden verspreid en de plek van de fecale bezoedeling hierdoor onzichtbaar wordt, zodat deze in een latere processtap niet meer alsnog kan worden weggesneden. Deze effecten doen zich niet voor bij het onmiddellijk bijsnijden zonder voorafgaande spoeling met water, aldus het CBb. De (poging tot) verwijdering van bezoedeling met water is geen toegestane behandeling voor verwijdering van bezoedeling en leidt ertoe dat verdere verontreiniging niet wordt voorkomen, zodat verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiseres punt 7 en 10 heeft overtreden.
Nu verweerder de overtreding terecht heeft vastgesteld was verweerder bevoegd (gelet op artikel 6.2, eerste lid, artikel 8.6, eerste lid, en artikel 8.7 van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 2.4, eerste lid, van de Regeling dierlijke producten) eiseres daarvoor een boete op te leggen. De door verweerder opgelegde boete van € 2.500,- is in overeenstemming met het standaardboetebedrag dat voor deze overtreding is vastgesteld in de Bijlage bij de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren. De rechtbank vindt de boete evenredig. Eiseres heeft geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan verweerder de boete had moeten matigen dan wel had moeten afzien van de oplegging van een boete. Ook de rechtbank is daar niet van gebleken”
Wettelijk kader
3 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling van het hoger beroep
4 Het College komt tot het oordeel dat de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten en licht dit hieronder toe.
5 [naam 1] betwist de feitelijke waarnemingen die de toezichthouder heeft opgetekend in het rapport van bevindingen niet. Het College gaat dan ook hiervan uit.
[naam 1] betwist in hoger beroep niet langer dat de waarnemingen van de toezichthouder de in het boetebesluit vermelde overtreding opleveren. Wel betoogt [naam 1] dat aanleiding bestaat de boete te matigen. Het met water wegspoelen van de bezoedeling was een impulsieve actie van één van haar werknemers. Deze werknemer ging over tot deze tussenmaatregel met de goede intentie om te voorkomen dat belendende karkassen verontreinigd zouden raken bij het wegsnijden.
Het College onderschrijft het hiervoor weergegeven oordeel van de rechtbank, en maakt de overwegingen van de rechtbank tot de zijne. In wat [naam 1] in hoger beroep heeft aangevoerd, ziet het College aanleiding daar het volgende aan toe te voegen.
Naar het oordeel van het College bestaat geen aanleiding voor matiging van de boete wegens bijzondere omstandigheden op grond van artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het was de verantwoordelijkheid van [naam 1] dat elke zichtbare verontreiniging in haar slachthuis onmiddellijk werd verwijderd door bijsnijden of door een andere behandeling met een gelijkwaardig effect. Dat is in dit geval niet gebeurd. [naam 1] is zich ook bewust van die verantwoordelijkheid, aangezien zij op de zitting heeft verklaard dat de handelwijze van haar medewerker in dit geval ook niet in overeenstemming was met haar eigen werkinstructies aan het personeel. De gestelde omstandigheid dat de handelswijze van de slachthuismedewerker een impulsieve actie was en dat de medewerker met goede bedoelingen over is gegaan tot het wegspoelen van de bezoedeling, doet niet af aan die verantwoordelijkheid en ook niet aan de risico’s voor de volksgezondheid die het met water afspoelen van een fecale bezoedeling oplevert. Kennelijk was de betrokken medewerker onvoldoende bekend met de werkinstructie of niet voldoende doordrongen van het belang deze na te leven. Ook dat behoort tot de verantwoordelijkheid van [naam 1]. Er is daarom geen sprake van een verminderde verwijtbaarheid of een beperkte ernst van de overtreding.
Slotsom
Het hoger beroep slaagt niet.
De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. R.H. Verheijen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2025.
w.g. J.L. Verbeek w.g. R.H. Verheijen
Bijlage
Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong
Artikel 3, eerste lid
Exploitanten van levensmiddelenbedrijven dienen te voldoen aan de toepasselijke bepalingen van de bijlagen II en III.
Bijlage III, sectie I, hoofdstuk IV
Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die een slachthuis beheren waar als landbouwhuisdier gehouden hoefdieren worden geslacht, moeten ervoor zorgen dat aan de volgende voorschriften wordt voldaan.
[…]
7. Het bedwelmen, het verbloeden, het villen of plukken, het verwijderen van de ingewanden en andere vormen van uitslachten moeten zo spoedig mogelijk plaatsvinden en op zodanige
wijze dat verontreiniging van het vlees wordt voorkomen. In het bijzonder geldt het volgende:
a. a) de luchtpijp en de slokdarm moeten tijdens het verbloeden intact blijven, behalve bij
rituele slachtingen;
b) tijdens het verwijderen van huiden en vachten:
i. i) mag de buitenkant daarvan niet in aanraking komen met het karkas, en
ii) mogen personeelsleden en apparatuur die met de buitenkant van huiden en
vachten in contact zijn geweest, niet meer in aanraking komen met het vlees;
c) er worden maatregelen genomen om te voorkomen dat bij en na het verwijderen van de
ingewanden de inhoud van maag en darmen wordt gemorst en om het verwijderen van
de ingewanden zo snel mogelijk na het bedwelmen te voltooien; en
d) het verwijderen van de uier mag niet leiden tot verontreiniging van het karkas met melk
of colostrum.
[…]
10. Karkassen mogen niet zichtbaar met uitwerpselen verontreinigd zijn. Elke zichtbare
verontreiniging moet onmiddellijk worden verwijderd door bijsnijden of door een andere
behandeling met een gelijkwaardig effect.
[…]
Wet dieren
Artikel 6.2, eerste lid
Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.
Regeling dierlijke producten
Artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onder d
Voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet zijn:
[…]
d. de artikelen 3 en 4, eerste tot en met vierde lid, 5 en 7, eerste lid, van verordening (EG) nr. 853/2004;
[…]