ECLI:NL:CBB:2026:393

ECLI:NL:CBB:2026:393

Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak 25-08-2026
Datum publicatie 24-08-2026
Zaaknummer 24/563
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Het hoger beroep slaagt niet. De minister heeft terecht een boete aan de slachterij opgelegd wegens fecale bezoedeling van een karkas. Er is sprake van een overtreding van punt 7 en 10 van Hoofdstuk IV, sectie I, Bijlage III, van Verordening 853/2004. Er bestaat geen aanleiding aan de bevindingen van de toezichthouder te twijfelen. Overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

[naam 1] , te [woonplaats] ( [naam 1] )

uitspraak

zaaknummer: 24/563

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2025 op het hoger beroep van

(gemachtigde: [naam 2] )

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 mei 2024, kenmerk 23/2688, in het geding tussen

[naam 1]

en

de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (voorheen de minister) (gemachtigde: mr. D.J. van der Bij)

Procesverloop in hoger beroep

[naam 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 mei 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:4507.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.

De zitting was op 27 juli 2026. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Namens de minister is ook verschenen drs. [naam 3] , toezichthoudend dierenarts bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).

Inleiding

Op 22 oktober 2021 heeft een toezichthouder van de NVWA een inspectie uitgevoerd bij het slachthuis van [naam 1] in [woonplaats] . Van de inspectie heeft de toezichthouder op 7 maart 2022 een rapport van bevindingen opgemaakt. In dit rapport is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“[…] Tijdens een jaarlijkse systeeminspectie derde landen registratie bevond ik mij,

omstreeks 11.30 uur, in de koelcel "touwtjes-cel" van de slachthal bij [naam 1]

te [woonplaats] . Daar hangen karkassen en karkasdelen die aan het einde

van de slachtlijn handmatig worden gestempeld.

Ik bevond mij aan het einde van de slachtlijn in de touwtjes-cel. Op dit punt in het

slachtproces zijn alle slacht- en opknaphandelingen in het kader van de PM-keuring

en alle op HACCP gebaseerde controles van de exploitant afgelopen.

Ik zag daar een varkenskarkas waarbij ik mest op de linker voorpoot zag zitten

(zie fotobijlage, foto 1). Ik zag dat er een gezondheidsmerk op het karkas was

aangebracht, waaruit blijkt dat het karkas reeds goedgekeurd was voor humane

consumptie (zie fotobijlage, foto 2). Dit betrof een heterdaadbevinding.

Ik heb de mest van de bezoedelde poot weg laten snijden door een medewerker

van het bedrijf.

Bij mijn controle na afloop van het slachtproces zag ik dat het karkas zichtbaar

was verontreinigd. Zichtbare verontreinigingen werden niet onmiddellijk

verwijderd door bijsnijden of door een andere behandeling met een gelijkwaardig

effect. […]”

Naar aanleiding van de bevindingen in dit rapport heeft de minister met het besluit van 29 juli 2022 (boetebesluit) aan [naam 1] een boete opgelegd van € 2.500,- omdat een karkas zichtbaar verontreinigd was en deze zichtbare verontreiniging niet onmiddellijk werd verwijderd door bijsnijden of door een andere behandeling met een gelijkwaardig effect. Volgens de minister heeft [naam 1] daarmee een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling dierlijke producten en gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid, en bijlage III, sectie I, hoofdstuk IV, onderdeel 7 en 10, van Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (Verordening 853/2004).

Met het besluit van 17 maart 2023 (bestreden besluit) heeft de minister de bezwaren van [naam 1] tegen het boetebesluit ongegrond verklaard. Tegen dit besluit was het beroep van [naam 1] bij de rechtbank gericht.

Uitspraak van de rechtbank

2 De rechtbank heeft het beroep van [naam 1] ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen, waarbij voor eiseres [naam 1] en voor verweerder de minister moet worden gelezen:

“5. Eiseres voert als beroepsgrond aan dat verweerder ten onrechte een overtreding heeft vastgesteld. Eiseres betoogt dat de voorschriften van punt 7 en 10 van Bijlage III, sectie I, hoofdstuk IV, van Verordening (EG) 853/2004 zich niet uitstrekken tot (de onderkant van) de pootjes van varkens. De onderkant van de pootjes vormen geen risicogebied voor fecale bezoedeling tijdens het uitslachten van het karkas en punt 8 van Bijlage III, sectie I, hoofdstuk IV, van Verordening (EG) 853/2004 kent een specifieke bepaling voor onder meer poten, waarin staat vermeld dat koppen en poten zo moeten worden gehanteerd dat elke verontreiniging van vlees wordt voorkomen.Eiseres betwist dat sprake is van verontreiniging afkomstig van een tijdens het uitslachten ontstane verontreiniging. Niet valt in te zien hoe een zodanige bezoedeling, afkomstig van een hoger gelegen deel van het karkas op deze wijze op de onderkant van de poot terecht zou komen. Volgens eiseres betreft het een vervuiling die aanwezig was voor de schroeioven, voordat het uitslachten heeft plaatsgevonden en aldaar is ingebrand.

Volgens vaste jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) mag een bestuursorgaan in beginsel uitgaan van de bevindingen in een rapport van bevindingen, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder van de NVWA kan daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan. Indien de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. Daarbij zal doorgaans van belang zijn de wijze waarop de bedoelde waarnemingen in het rapport zijn weergegeven en onderbouwd, alsmede de aard van de waarneming en daarbij in het bijzonder in welke mate die waarneming waarderende elementen kent.

In dit geval blijkt uit het rapport dat de toezichthouder heeft waargenomen dat er mest op de linker voorpoot zat. In het bijschrift bij foto 1 bij het rapport staat weliswaar vermeld dat het om een achterpoot gaat, maar omdat uit de foto duidelijk blijkt dat de poot naar beneden hangt en daarom duidelijk is dat het een voorpoot betreft en de toezichthouder voor het overige wel consequent spreekt van een voorpoot, merkt de rechtbank de toelichting bij de foto dat het een achterpoot betreft aan als een kennelijke verschrijving, die niet afdoet aan de inhoud van het rapport. In het betoog van eiser dat het niet om mest, maar om schroeiplekken gaat, ziet de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de expertise van de toezichthouder en aan de juistheid van de door hem gedane bevindingen. Eiseres heeft haar standpunt dat het schroeiplekken betreft op geen enkele wijze onderbouwd. Bovendien moet een toezichthouder in staat worden geacht mest van dergelijke schroeiplekken te kunnen onderscheiden. Daarbij komt dat blijkens het bestreden besluit de toezichthouder heeft toegelicht dat het een bruine, donkergekleurde substantie met een vezelachtige structuur betrof en dat ook uit de geur ervan kon worden geconcludeerd dat het mest betrof. Ter zitting heeft Spijker nog toegelicht dat karkassen aan de achterpoten worden opgehangen waardoor mest tijdens het slachtproces eventueel door de zwaartekracht op de voorpoten terecht zou kunnen komen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee vast komen te staan dat er mest op de linker voorpoot van het varken zat, terwijl het karkas zich reeds bevond aan het einde van de slachtlijn en reeds was voorzien van een gezondheidskenmerk waaruit blijkt dat het karkas was goedgekeurd voor humane consumptie. Nu na de slachtfase mest is aangetroffen op het karkas, is komen vast te staan dat het verwijderen van de ingewanden niet op zo een manier is gedaan dat verontreiniging is voorkomen en dat zichtbare verontreiniging niet onmiddellijk werd verwijderd door bijsnijden of door een andere behandeling met een gelijkwaardig effect. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat daarmee in strijd is gehandeld met punt 7 en 10 van de Bijlage III, sectie I, hoofdstuk IV, van Verordening (EG) 853/2004 (vergelijk de uitspraak van het CBb van 30 november 2021, ECLILNL:CBB:2021:1029). De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat deze punten 7 en 10 niet van toepassing zijn op poten. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de poten van varkens onderdeel uitmaken van het karkas en als zodanig moeten voldoen aan de vereisten van punten 7 en 10. De verwijzing door eiseres naar punt 8 van Bijlage III, sectie I, hoofdstuk IV, van Verordening (EG) 853/2004 maakt dit niet anders. Deze bepaling heeft namelijk betrekking op de verplichting om karkassen volledig te villen en maakt een uitzondering op dat uitgangspunt voor varkens, de koppen en poten van schapen en geiten en kalveren.

Verweerder heeft eiseres dan ook terecht een boete opgelegd wegens overtreding van artikel 2.4, eerste lid, onder d, van de Regeling dierlijke producten, in verbinding met artikel 3, eerste lid, van Verordening (EG) 853/2004.”

Wettelijk kader

3 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling van het hoger beroep

4 Het College komt tot het oordeel dat de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten en licht dit hieronder toe.

[naam 1] voert (ook) in hoger beroep aan dat de verontreiniging die de toezichthouder op de poot van het varkenskarkas heeft aangetroffen, geen verontreiniging is die tijdens het uitslachten is ontstaan. Het gaat volgens [naam 1] om tijdens het schroeien in de vuile slachthal ingebrande vervuiling. Uit de foto bij het rapport van bevindingen blijkt volgens haar dat de verontreiniging korrelig en niet vezelachtig is en een donkerbruine tot zwarte kleur heeft, wat erop wijst dat het gaat om ingebrande vervuiling. Ook stelt [naam 1] dat de onderkant van de poot onbereikbaar is voor fecale bezoedeling, gelet op de wijze waarop het varken in de slachthal hangt.

[naam 1] herhaalt in hoger beroep in grote lijnen wat zij bij de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze beroepsgronden afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Het College verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust. Het College voegt hier het volgende aan toe.

Op de zitting heeft [naam 3] verduidelijkt hoe het reinigingsproces op het einde van de vuile slachthal in zijn werk gaat, en toegelicht dat het gelet op dit intensieve reinigingsproces uitgesloten is dat daarbij (ingebrande) vervuiling op een karkas achterblijft. [naam 1] heeft deze overtuigende stelling van de minister niet ontkracht. Haar stelling dat de onderkant van de voorpoot – de plek waar de vervuiling is aangetroffen – onbereikbaar is voor fecale bezoedeling, leidt niet tot een ander oordeel. De minister heeft toegelicht dat het voorkomt dat bezoedeling op deze plek terechtkomt tijdens het verwijderen van het maagdarmpakket. De karkassen hangen niet steeds strak naar beneden. Ook is het mogelijk dat fecale bezoedeling op de onderkant van de poot terechtkomt door omhoog spatten via de schaal die tijdens het uitslachten onder het karkas staat. Er bestaat daarom geen aanleiding aan de bevindingen van de toezichthouder op 22 oktober 2021 te twijfelen.

Overschrijding van de redelijke termijn

[naam 1] heeft verzocht om matiging van de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

Zoals volgt uit vaste rechtspraak van het College (bijvoorbeeld de uitspraak van 16 september 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:466)) geldt in een zaak waarin een boete is opgelegd het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties (bezwaar, beroep en hoger beroep) in beginsel is overschreden als die procedure in haar geheel langer duurt dan vier jaar. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bestuurlijke fase in beginsel een jaar mag duren, de beroepsfase ook een jaar en de hogerberoepsfase twee jaar. De termijn begint op het moment waarop een handeling wordt verricht waaraan de betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een bestuurlijke boete wordt opgelegd. De in aanmerking te nemen termijn eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet in de procedure over het geschil dat de betrokkene en het bestuursorgaan verdeeld houdt.

In dit geval is de redelijke termijn aangevangen met het voornemen tot boeteoplegging van 5 juli 2022. Op het moment van deze uitspraak is de redelijke termijn van vier jaar met minder dan zes maanden overschreden. Deze overschrijding is geheel toe te rekenen aan de rechterlijke fase. Gelet daarop ligt een vermindering met 5% met een maximum van € 2.500,- in de rede. Het College ziet gelet hierop aanleiding de boete te matigen met € 125,- tot een bedrag van € 2.375,-.

Slotsom

Het hoger beroep slaagt niet. Uitsluitend vanwege de overschrijding van de redelijke termijn zal het College de uitspraak van de rechtbank vernietigen voor zover het de hoogte van de boete betreft. Het College zal het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren, dat besluit vernietigen voor zover het de hoogte van de boete betreft en het boetebesluit in zoverre herroepen. Het College zal de boete vaststellen op € 2.375,- en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het te vernietigen gedeelte van het bestreden besluit. Voor het overige zal het College de uitspraak van de rechtbank bevestigen.

Het College zal de minister veroordelen in de door [naam 1] gemaakte proceskosten voor het verzoek om matiging van de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het College stelt deze op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).

Omdat de overschrijding van de redelijke termijn is toe te rekenen aan de rechterlijke fase zal de griffier van het College het in hoger beroep door [naam 1] betaalde griffierecht op grond van artikel 8:114, eerste lid, van de Awb terugbetalen. Het griffierecht in beroep zal op grond van artikel 8:74, eerste lid, van de Awb door de minister aan [naam 1] moeten worden vergoed.

Beslissing

Het College:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover het de hoogte van de boete betreft;

- bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;

- verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep van [naam 1] tegen het bestreden besluit gegrond;

- vernietigt dit besluit voor zover het de hoogte van de boete betreft;

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. R.H. Verheijen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2025.

w.g. J.L. Verbeek w.g. R.H. Verheijen

Bijlage

Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong

Artikel 3, eerste lid

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven dienen te voldoen aan de toepasselijke bepalingen van de bijlagen II en III.

Bijlage III, sectie I, hoofdstuk IV

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die een slachthuis beheren waar als landbouwhuisdier gehouden hoefdieren worden geslacht, moeten ervoor zorgen dat aan de volgende voorschriften wordt voldaan.

[…]

7. Het bedwelmen, het verbloeden, het villen of plukken, het verwijderen van de ingewanden en andere vormen van uitslachten moeten zo spoedig mogelijk plaatsvinden en op zodanige

wijze dat verontreiniging van het vlees wordt voorkomen. In het bijzonder geldt het volgende:

a. a) de luchtpijp en de slokdarm moeten tijdens het verbloeden intact blijven, behalve bij

rituele slachtingen;

b) tijdens het verwijderen van huiden en vachten:

i. i) mag de buitenkant daarvan niet in aanraking komen met het karkas, en

ii) mogen personeelsleden en apparatuur die met de buitenkant van huiden en

vachten in contact zijn geweest, niet meer in aanraking komen met het vlees;

c) er worden maatregelen genomen om te voorkomen dat bij en na het verwijderen van de

ingewanden de inhoud van maag en darmen wordt gemorst en om het verwijderen van

de ingewanden zo snel mogelijk na het bedwelmen te voltooien; en

d) het verwijderen van de uier mag niet leiden tot verontreiniging van het karkas met melk

of colostrum.

[…]

10. Karkassen mogen niet zichtbaar met uitwerpselen verontreinigd zijn. Elke zichtbare

verontreiniging moet onmiddellijk worden verwijderd door bijsnijden of door een andere

behandeling met een gelijkwaardig effect.

[…]

Wet dieren

Artikel 6.2, eerste lid

Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.

Regeling dierlijke producten

Artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onder d

Voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet zijn:

[…]

d. de artikelen 3 en 4, eerste tot en met vierde lid, 5 en 7, eerste lid, van verordening (EG) nr. 853/2004;

[…]

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand