ECLI:NL:CBB:2026:397

ECLI:NL:CBB:2026:397

Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak 24-08-2026
Datum publicatie 27-08-2026
Zaaknummer 26/521
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Ambtshalve uitschrijving onderneming uit handelsregister Kamer van Koophandel.

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] (onderneming)

de Kamer van Koophandel (KvK)

uitspraak

zaaknummer: 26/521

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 augustus 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

en

(gemachtigde: [naam 3] ).

Procesverloop

[naam 1] heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de KvK tot ambtshalve uitschrijving van zijn onderneming uit het handelsregister. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De KvK heeft een verweerschrift ingediend.

[naam 1] heeft nadere stukken ingezonden.

De zitting was op 18 augustus 2026. Aan de zitting hebben [naam 1] en de gemachtigde van de KvK deelgenomen.

Overwegingen

Standpunten van partijen

Inleiding

1. De onderneming is op 10 januari 2008 ingeschreven in het handelsregister met een vestigingsadres in [plaats] . De KvK heeft op 9 maart 2026 van de belastingdienst de melding ontvangen dat de onderneming sinds 2017 geen BTW nummer meer heeft en dat geen aangiftes van inkomsten uit de onderneming worden gedaan. De KvK heeft op 9 maart 2026 per e-mail en per brief, geadresseerd aan het bij de KvK bekende (e-mail)adres van de onderneming, [naam 1] verzocht om stukken waaruit blijkt dat de onderneming nog actief is. De KvK heeft daarbij aangegeven dat als geen reactie volgt, de onderneming zal worden uitgeschreven uit het handelsregister. Het e-mailbericht is bij de KvK als onbestelbaar retour ontvangen omdat het e-mailadres niet meer bestaat. [naam 1] heeft op de brief niet gereageerd. De KvK heeft met een brief van 14 april 2026, geadresseerd aan het bij de KvK bekende adres van de onderneming, [naam 1] een herinnering gestuurd, waarop hij niet heeft gereageerd.

2 Met het besluit van 4 mei 2026, geadresseerd aan het bij de KvK bekende adres van de onderneming, heeft de KvK de onderneming per direct uitgeschreven uit het handelsregister.

[naam 1] betoogt dat de KvK de onderneming niet had mogen uitschrijven. Hij heeft de e-mail en brieven van de KvK niet ontvangen. De onderneming was actief ook al had ze geen BTW nummer meer en waren er geen inkomsten. De activiteit was het opbouwen van een netwerk en acquisitie. Dat valt volgens hem volgens vaste rechtspraak van het College onder het drijven van een onderneming. Hij heeft daar jarenlang aan gewerkt en € 500.000,- geïnvesteerd zonder dat daar inkomsten tegenover stonden. De onderneming stond op het punt om in Turkije projecten te gaan uitvoeren, zoals blijkt uit de door hem overgelegde letters of intent (LOI’s), toen zij werd uitgeschreven uit het handelsregister. Door die uitschrijving is hij onevenredig zwaar getroffen. De zakenpartners hebben het vertrouwen in zijn onderneming opgezegd. Zijn jarenlange voorbereidingen en investeringen die op het punt stonden te resulteren in contracten, en zijn eer en goede naam, zijn verloren gegaan. Dat kan volgens hem hopelijk worden hersteld als en zolang de inschrijving met terugwerkende kracht wordt hersteld.

De KvK heeft aangevoerd dat haar uit onderzoek is gebleken dat de onderneming niet actief is. Dat volgt uit de melding van de belastingdienst en het feit dat de KvK geen reacties heeft ontvangen op haar e-mail en brieven in maart en april 2026. [naam 1] heeft het door hem gestelde tegendeel ook niet aannemelijk gemaakt met de in bezwaar door hem overgelegde stukken: zijn curriculum vitae, een foto uit 2018, een brief uit 2015, een video uit 2023, een ticket voor een evenement in Hong Kong in 2026. De twee kort voor de zitting overgelegde LOI’s zijn voor de KvK ook geen bewijs voor het nog actief zijn van de onderneming. Ze zijn niet ondertekend en uit één van die LOI’s volgt dat 30 dagen na 26 maart 2026, dat is rond 25 april 2026, een bedrag van € 80.000,- door de onderneming gefactureerd zou moeten zijn of aan de onderneming betaald zou moeten zijn. Als die betaling zou blijken uit facturen of een bankafschrift, dan zou er volgens de KvK mogelijk een begin van bewijs van activiteit zijn. Maar die gegevens zijn er niet.

De KvK heeft desgevraagd ter zitting toegelicht dat zij het beleid hanteert, en communiceert naar ondernemers, dat als hun onderneming langer dan zes maanden niet actief is, zij die moeten uitschrijven uit het handelsregister. Dit omdat derden die het handelsregister raadplegen erop moeten kunnen vertrouwen dat de daarin vermelde ondernemingen actief zijn en ten behoeve van de rechtszekerheid.

Beoordeling

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het besluit is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in de bodemprocedure.

Spoedeisend belang

5 Het verzoek om voorlopige voorziening strekt tot schorsing van het besluit tot uitschrijving en tot (her)inschrijving van de onderneming in het handelsregister van de KvK met terugwerkende kracht. [naam 1] hoopt dat hij dan de projecten kan uitvoeren die door de uitschrijving zijn afgebroken. De voorzieningenrechter ziet daarin, anders dan de KvK, reden om aan te nemen dat [naam 1] spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening.

Voorlopig rechtmatigheidsoordeel

In dit geding is de vraag aan de orde of het besluit van 4 mei 2026 waarmee de KvK de onderneming ambtshalve heeft uitgeschreven uit het handelsregister, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter rechtmatig is. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag bevestigend, ziet geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening, en overweegt daartoe als hierna vermeld.

Artikel 38, eerste lid, van de Handelsregisterwet 2007 (Hrw 2007) bevat samen met de artikelen 33 tot en met 36 van de Hrw 2007 een procedure op grond waarvan de KvK, als zij gerede twijfel heeft over de juistheid van authentieke gegevens, uit eigen beweging in het handelsregister opgenomen gegevens in onderzoek kan nemen en eventueel kan wijzigen. Het College heeft in zijn uitspraak van 15 juli 2009 (ECLI:NL:CBB:2009:BJ3137) overwogen dat voldoende duidelijkheid over de onjuistheid van gegevens moet bestaan voordat de KvK na haar onderzoek tot wijziging of doorhaling ervan kan overgaan. Artikel 2 lid 2 van het Handelsregisterbesluit 2008 (Hrb 2008) bepaalt dat van een onderneming geen sprake is indien er naar het oordeel van de KvK onvoldoende omvang van activiteiten of omzet is.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de KvK naar aanleiding van de melding van de Belastingdienst heeft mogen onderzoeken of de in het handelsregister ingeschreven onderneming van [naam 1] nog bestaat. [naam 1] heeft op de zitting bevestigd dat de melding van de Belastingdienst juist was. Zijn onderneming heeft al langere tijd geen BTW nummer en inkomsten meer. De voorzieningenrechter stelt vervolgens vast dat de KvK haar brieven van maart en april 2026, met het verzoek om bewijs dat de onderneming nog actief is, naar het juiste adres heeft gestuurd. Ze zijn gestuurd naar het bij de KvK bekende adres van de onderneming, waar [naam 1] naar eigen zeggen nog steeds woont. [naam 1] heeft op de brieven niet gereageerd. Of [naam 1] de brieven ook heeft ontvangen laat de voorzieningenrechter in het midden. [naam 1] heeft in deze procedure alsnog stukken ingediend die door de voorzieningenrechter bij de beoordeling worden betrokken en door de KvK zijn becommentarieerd. Deze stukken zullen ook bij de heroverweging in bezwaar worden betrokken. De KvK heeft de eerste brief ook per e-mail verstuurd naar het door [naam 1] bij haar opgegeven e-mailadres. Die kwam onbestelbaar retour omdat het e-mailadres niet meer bestond. De KvK heeft op grond van voormelde bevindingen in onderling verband bezien voldoende duidelijk mogen achten dat de onderneming geen activiteiten en omzet meer heeft en niet meer bestaat. Volgens de KvK moet een ondernemer zijn onderneming na zes maanden inactiviteit uitschrijven uit het handelsregister. Omdat de onderneming sinds 2017 geen BTW nummer en inkomsten meer heeft acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat de onderneming ten tijde van de uitschrijving langer dan zes maanden niet meer actief was. De KvK was op grond van artikel 38 van de Hrw 2007 en voormelde feiten en omstandigheden, bevoegd om met het besluit van 4 mei 2026 tot ambtshalve uitschrijving van de onderneming uit het handelsregister over te gaan.

De voorzieningenrechter volgt de KvK in haar standpunt dat [naam 1] met de in bezwaar overgelegde stukken ook niet (alsnog) aannemelijk heeft gemaakt dat de onderneming actief is. [naam 1] heeft op de zitting zelf toegegeven dat die stukken niets bewijzen. De kort voor de zitting overgelegde twee LOI’s van voorgenomen projecten zijn volgens hem wel voldoende bewijs voor het actief zijn van de onderneming. De voorzieningenrechter volgt hem daarin niet. De LOI’s zijn niet ondertekend en er zijn geen gegevens beschikbaar waaruit blijkt dat er onderhandelingen hebben plaatsgevonden en/of facturen zijn ingediend of betaald, zoals ook door de KvK is aangevoerd als hiervoor onder 3.2 vermeld. [naam 1] heeft ook op de zitting niet aannemelijk gemaakt dat de onderneming nog actief is, bijvoorbeeld door facturen of ander bewijs dat activiteiten zijn ontplooid te overleggen. Hij heeft ook geen verklaring gegeven voor het ontbreken van handtekeningen op de LOI’s en van enig bewijs dat anderen daadwerkelijk zaken met hem doen of gedaan hebben, zoals betalingen of correspondnetie van derden.

Belangenafweging

Het betoog van [naam 1] dat het belang van de KvK bij een administratief geschoond register niet opweegt tegen het acute verlies van zijn onderneming, investeringen en commerciële relaties, waardoor de uitschrijving in strijd is met het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb, slaagt al niet omdat [naam 1] de gestelde investeringen en commerciële relaties niet aannemelijk heeft gemaakt, zoals hiervoor onder 6.4 is overwogen. Dit betoog behoeft daarom hier geen verdere bespreking.

Gelet op al het vorenstaande en op het belang van de KvK om een betrouwbaar register beschikbaar te stellen, acht de voorzieningenrechter het niet aangewezen om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter betrekt daarbij ook dat het voor [naam 1] niet onevenredig bezwarend is om zich opnieuw in het handelsregister te laten inschrijven, zodra zijn onderneming weer voldoende activiteit en/of omzet heeft als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Hrb 2008.

Slotsom

8 De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

9 De KvK hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2026.

w.g. J.L. Verbeek w.g. J.W.E. Pinckaers

Afschrift verzonden aan partijen op:

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand