COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 september 2026 in de zaak tussen
[naam 1] , te [woonplaats] (dierenhoudster)
uitspraak
zaaknummer: 25/401
en
de staatssecretaris (voorheen de minister) van Landbouw, Visserij, Voedselkwaliteit en Natuur (staatssecretaris)
(gemachtigde: mr. A.F. Kabiri)
Procesverloop in beroep
Met het besluit van 4 mei 2023 (bestuursdwangbesluit) heeft de staatssecretaris wegens overtredingen van het Besluit houders van dieren aan de dierenhoudster een last onder bestuursdwang opgelegd ter beëindiging en ter voorkoming van herhaling van deze overtredingen.
Met het besluit van 1 december 2023 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar van de dierenhoudster tegen het bestuursdwangbesluit, niet-ontvankelijk verklaard.
De dierenhoudster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 1 juli 2026. Aan de zitting hebben de dierenhoudster en de gemachtigde van de staatssecretaris deelgenomen.
Inleiding
Op 2 mei 2023 hebben toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), onder wie een toezichthoudend dierenarts, een controle uitgevoerd op de locatie van de dierenhoudster.
Tijdens deze controle hebben de toezichthouders geconstateerd dat de dierenhoudster aan buiten gehouden paarden en alpaca’s onvoldoende bescherming tegen gezondheidsrisico’s had geboden, en dat haar kippen geen hygiënische huisvesting hadden. De toezichthouders hebben hun bevindingen neergelegd in een rapport van bevindingen van 8 mei 2023 en een veterinaire verklaring van 3 mei 2023.
Naar aanleiding daarvan heeft de staatssecretaris met het bestuursdwangbesluit de volgende last onder bestuursdwang aan de dierenhoudster opgelegd:
“Overtreding 1: uw alpaca's en paarden werden, indien zij niet in een gebouw werden gehouden, geen bescherming geboden tegen gezondheidsrisico's.
Daarmee handelt u in strijd met artikel 1.6, lid 3, van het Besluit houders van dieren.
Lastgeving
U moet deze overtreding beëindigen door ervoor te zorgen dat uw alpaca’s en pony s, wanneer zij buiten hun stal worden gehuisvest, bescherming worden geboden tegen gezondheidsrisico's. Dit kunt u doen door de materialen en/of voorwerpen waaraan de alpaca's en pony's zich kunnen bezeren en/of verwonden te verwijderen van weiden A, B en C en de doorloop naar stal. Daarnaast kunt u dit doen door, daar waar kan, de materialen en of voorwerpen af te schermen, zodat de dieren er niet meer bij kunnen komen. Ook kunt u de dieren elders op een geschikte weide (op uw bedrijf) huisvesten. Vervolgens dient u een herhaling van deze overtreding voor uw dieren te voorkomen.”
“Overtreding 2: uw kippen hadden geen beschikking over een hygiënisch huisvesting met een schone, droge en comfortabele lig- en zitplaats.
Daarmee handelt u in strijd met artikel 1.7, aanhef en onder d, van het Besluit houders van dieren.
Lastgeving
U moet deze overtreding beëindigen door ervoor te zorgen dat uw kippen over een hygiënisch huisvesting met een schone, droge en comfortabele lig- en zitplaats [beschikken, toevoeging College]. Dit kunt u doen door het kippenhok volledig te reinigen. Vervolgens dient u een herhaling van deze overtreding voor uw dieren te voorkomen.”
Volgens de last moest de dierenhoudster overtreding 1 beëindigen voor 16 mei 2023, 09:00 uur en overtreding 2 voor 8 mei 2023, 09:00 uur. De last had een looptijd van zes maanden na de dagtekening van dit besluit.
In het bestreden besluit van 1 december 2023 heeft de staatssecretaris het bezwaar van de dierenhoudster niet-ontvankelijk verklaard. Volgens de staatssecretaris heeft de dierenhoudster geen procesbelang bij het bezwaar omdat de looptijd van de last is verstreken en geen bestuursdwang is toegepast.
Beoordeling van het beroep
Aan de orde is de vraag of de staatssecretaris het bezwaar van de dierenhoudster terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat zij geen (proces)belang meer heeft. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en legt dit hieronder uit.
Voor de vraag of er nog procesbelang bestaat, is van belang wat de dierenhoudster met haar bezwaar nastreeft. Het doel dat de dierenhoudster hiermee wil bereiken, moet zij ook daadwerkelijk kunnen bereiken en dat resultaat moet voor de dierenhoudster feitelijke betekenis hebben en niet alleen hypothetische. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van procesbelang. Daarbij geldt dat in beginsel geen procesbelang kan zijn gelegen in de beoordeling van een reeds verstreken periode of een inmiddels ingetrokken of vervallen besluit, tenzij sprake is van een onderbouwd verzoek om schadevergoeding dan wel indien een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn bij toekomstige (terugkerende) besluiten. Het College verwijst in dit verband naar zijn vaste rechtspraak als neergelegd in onder andere de uitspraak van 24 mei 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:256, onder 6.1).
Het College stelt vast dat op het moment dat de staatssecretaris het bestreden besluit heeft genomen de looptijd van de last onder bestuursdwang was verstreken zonder dat bestuursdwang was toegepast. Dit betekent dat de dierenhoudster in beginsel niet langer procesbelang had bij een inhoudelijke beoordeling van haar bezwaar. Dat de staatssecretaris bij het nemen van het bestreden besluit de daarvoor in de wet gestelde beslistermijn heeft overschreden en dat de looptijd van de last niet zou zijn verstreken als hij wel binnen deze termijn op het bezwaar had beslist, is op zichzelf geen reden om hier anders over te oordelen. De dierenhoudster betoogt dat wel sprake was van procesbelang en voert daartoe een aantal argumenten aan. Het College zal deze argumenten hierna afzonderlijk bespreken.
Lopende strafzaak
De dierenhoudster betoogt dat zij procesbelang had bij een inhoudelijke beoordeling van haar bezwaar, omdat een strafzaak tegen haar liep en nog steeds loopt met betrekking tot een eerdere controle van de NVWA. In deze strafzaak heeft de rechtbank inmiddels vonnis gewezen, maar de dierenhoudster heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. De controle van 2 mei 2023 en het bestuursdwangbesluit van 4 mei 2023 worden volgens de dierenhoudster in de strafzaak meegenomen. Als het bezwaar tegen het bestuursdwangbesluit gegrond wordt verklaard, dan kan de dierenhoudster dit als voor haar positief bewijs inbrengen in de strafzaak.
Het College volgt de dierenhoudster niet in dit betoog. De strafrechter oordeelt namelijk zelfstandig of de dierenhoudster zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit (vergelijk de uitspraak van het College van 6 mei 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:292) onder 6). Bovendien is niet gebleken dat de strafbare feiten die in de strafzaak aan de dierenhoudster ten laste zijn gelegd betrekking hebben op feiten die tijdens de controle van 2 mei 2023 zijn geconstateerd; de dierenhoudster spreekt zelf in dit kader over “een eerdere controle”. Dit betekent dat de strafzaak niet leidt tot het oordeel dat de staatssecretaris had moeten aannemen dat de dierenhoudster procesbelang had bij een inhoudelijke beoordeling van het bezwaar.
Nieuw bewijs
De dierenhoudster betoogt verder dat zij onlangs nieuw bewijs heeft verkregen dat het kippenhok niet onhygiënisch was. Dit betreft een e-mail van een (niet bij deze zaak betrokken) NVWA-toezichthouder. Dit nieuwe bewijs is volgens de dierenhoudster een extra reden om haar bezwaar wel inhoudelijk te beoordelen. Het College is van oordeel dat dit betoog niet op gaat. Het verkrijgen van dit nieuwe bewijsstuk levert op zichzelf niet alsnog procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van het bezwaar op. Overigens staat het de dierenhoudster vrij om de e-mail van de toezichthouder in de strafzaak in te brengen.
Negatieve media-aandacht
De dierenhoudster heeft op de zitting aangevoerd dat de controles van de NVWA ertoe hebben geleid dat negatief over haar is bericht in lokale en landelijke nieuwsmedia en dat zij hiervan last heeft, onder meer omdat langs haar woning passerende fietsers zeggen dat zij kippen mishandelt. Voor zover de dierenhoudster wil betogen dat de negatieve media-aandacht een procesbelang oplevert, kan het College haar ook daarin niet volgen. Daarbij is van belang dat niet duidelijk is geworden dat de media-aandacht door de controle van 2 mei 2023 is veroorzaakt. Ook is niet duidelijk geworden hoe deze media-aandacht betekenis had moeten krijgen bij een inhoudelijke beoordeling van het bezwaar en waar dat toe had moeten leiden.
Het College concludeert dat de staatssecretaris het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het ontbreken van een procesbelang. De beroepsgrond inhoudende dat wel sprake was van een procesbelang, slaagt dus niet.
Slotsom
3 Het College zal het beroep ongegrond verklaren. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. C.T.C. Welters, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026.
w.g. S.C. Stuldreher w.g. C.T.C. Welters