ECLI:NL:CBB:2026:416

ECLI:NL:CBB:2026:416

Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak 08-09-2026
Datum publicatie 03-09-2026
Zaaknummer 24/945
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Spoedbestuursdwang en kostenbesluit. Hond de nodige zorg onthouden. Sprake van een spoedeisende situatie waarin een besluit niet kon worden afgewacht. Geen aanleiding om (deels) af te zien van het kostenverhaal. Beroep ongegrond.

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2026 in de zaak tussen

[naam 1] , te [woonplaats]

uitspraak

zaaknummer: 24/945

(gemachtigde: mr. C.C.J.L. Huurman-Ip Vai Ching)

en

de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (voorheen de minister)

(gemachtigde: mr. S.F. Hu)

Procesverloop in beroep

[naam 1] heeft tegen het besluit van 16 september 2024 beroep ingesteld bij de rechtbank Rotterdam. De rechtbank heeft het beroepschrift ter behandeling doorgezonden aan het College.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De zitting was op 28 juli 2026. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Namens de staatssecretaris waren verder aanwezig [naam 2] en [naam 3] .

Inleiding

Op 17 februari 2024 zijn twee (aspirant-)politieagenten van de eenheid Rotterdam naar aanleiding van een melding ter plaatse geweest bij de woning van [naam 1] . Van wat zij ter plaatse hebben aangetroffen, hebben zij op ambtsbelofte een proces-verbaal opgemaakt. Tijdens het onderzoek hebben de politieagenten telefonisch contact opgenomen met een toezichthouder van de Stichting Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID). De toezichthouder heeft haar bevindingen neergelegd in een rapport van 21 februari 2024 (toezichtrapport). Bij het rapport zijn het proces-verbaal van de politie en foto’s van de hond ter plaatse gevoegd.

In het toezichtrapport staat, voor zover hier van belang, het volgende:

“Op zaterdag 17 februari 2024 omstreeks 11:00 uur werd ik, rapporteur gebeld door verbalisant [naam 4] .

[naam 4] vertelde mij, dat zij ter plaatse was met een collega i.v.m. een melding over het mogelijk onthouden van medische zorg aan een hond. [naam 4] legde mij de casus voor en stuurde mij via whats app een foto van de aangetroffen hond. Op deze foto zag ik een extreem magere hond, waarvan de ribben, ruggenwervels en heupbotten uitstaken. Ik zag dat de hond op een soort matrasje lag en ik zag dat de hond de kop over het matrasje liet hangen, waarbij de neus op de grond lag. Zoals ik de hond zag liggen met daarbij de bevindingen van [naam 4] , was mijns inziens medische zorg per direct nodig.

Ik heb [naam 4] gevraagd of de betrokkene bereid was om zelf per direct met de hond naar een dierenarts te gaan. Ik hoorde dat [naam 4] zei dat betrokkene dit niet ging doen en dat betrokkene tot maandag wilde wachten, zodat zij eea met haar begeleider kon bespreken. Ik heb [naam 4] gevraagd om aan betrokkene aan te geven, dat ze de kans kreeg om zelf met de hond naar een dierenkliniek te gaan, maar dat dit wel nu moest gebeuren en dat de hond niet nog een dag zo kon blijven liggen. Ik hoorde, nadat [naam 4] dit aan betrokkene had verteld, dat [naam 4] tegen mij zei, dat betrokkene niet van plan was om naar een dierenarts te gaan, omdat betrokkene eerder naar een dierenarts was geweest, maar dat deze dierenarts niet kon vertellen wat de hond mankeerde en dat deze dierenarts had aangegeven dat verder onderzoek nodig was. Betrokkene vertelde dat deze onderzoeken niet waren uitgevoerd en dat de dierenarts daarover een vervelende mail naar betrokkene had gestuurd. Ik heb aan [naam 4] gevraagd om na te vragen bij betrokkene wanneer dit speelde en hoelang de hond als ziek was.

Ik hoorde, nadat [naam 4] dit aan betrokkene had gevraagd, dat betrokkene aan [naam 4] verklaarde dat de hond al een paar weken aan het vermageren was en niet meer wilde eten.”

Op basis van de bevindingen hebben de politieagenten de hond meegevoerd voor onderzoek door een dierenarts. Hierover staat in het toezichtrapport het volgende:

“Bij het dierenziekenhuis Rotterdam aangekomen hebben zij op verzoek de hond op de weegschaal gezet en zagen verbalisanten dat de hond 14,2 kilo woog.

[naam 4] hoorde dat een dierenarts verklaarde dat betrokkene vorige week met tegenzin was langs geweest met de hond om haar te wegen en toen gaf de weegschaal 15 kilo aan.

Verbalisanten hoorden de dierenarts het volgende verklaren, in woorden van gelijke strekking: "We gaan bloedprikken en een echo maken. Ik voel van alles in haar buik. Het is niet goed. Ik hoop dat ze het red, maar ik ben bang dat het mogelijk euthanasie gaat worden."”

De hond is vervolgens ondergebracht in het Dierenziekenhuis Rotterdam. Op 20 februari 2024 is in overleg met de behandelend dierenarts besloten om de hond te euthanaseren.

De staatssecretaris heeft op 17 februari 2024 spoedbestuursdwang toegepast door de hond mee te voeren en onder te brengen in het Dierenziekenhuis Rotterdam. Met het besluit van 27 februari 2024 heeft de staatssecretaris het besluit tot toepassing van spoedbestuursdwang op schrift gesteld en bekend gemaakt. Volgens de staatssecretaris heeft [naam 1] haar hond niet de nodige (medische) zorg gegeven. Dit is een overtreding van artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren en artikel 1.7, aanhef en onder c, van het Besluit houders van dieren (Bhd).

Met het besluit van 23 juli 2024 (kostenbesluit) heeft de staatssecretaris de kosten voor het toepassen van spoedbestuursdwang tot een bedrag van € 2.689,50 bij [naam 1] in rekening gebracht.

Met het besluit van 16 september 2024 heeft de staatssecretaris het bezwaar van [naam 1] tegen het spoedbestuursdwangbesluit ongegrond verklaard en dit besluit gehandhaafd.

Beoordeling van het beroep

2 [naam 1] heeft in beroep het kostenbesluit betwist, zodat het beroep, gelet op artikel 5:31c, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede betrekking heeft op dit besluit.

3 Aan de orde zijn de vragen of de staatssecretaris de hond van [naam 1] met toepassing van spoedbestuursdwang mocht meevoeren en onderbrengen in het Dierenziekenhuis Rotterdam, en of de staatssecretaris de kosten daarvan tot een bedrag van € 2.689,50 terecht bij [naam 1] in rekening heeft gebracht. Het College beantwoordt deze vragen bevestigend en licht dit hieronder toe.

Spoedbestuursdwangbesluit

4 Op grond van artikel 8.5 van de Wet dieren is de staatssecretaris bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens die wet. Op grond van artikel 5:31, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last. Op grond van het tweede lid kan, indien de situatie zo spoedeisend is, dat een besluit niet kan worden afgewacht, terstond bestuursdwang worden toegepast, maar wordt zo spoedig mogelijk nadien alsnog een besluit als bedoeld in het eerste lid bekendgemaakt.

Was sprake van een overtreding?

[naam 1] voert aan dat de staatssecretaris niet bevoegd was tot spoedbestuursdwang, omdat geen sprake is van een overtreding. Volgens haar heeft de staatssecretaris ten onrechte geconcludeerd dat zij haar hond niet de benodigde zorg heeft geboden. Dat zij het advies en behandelplan van de dierenarts niet heeft opgevolgd, klopt volgens [naam 1] niet, omdat zij nooit een behandelplan van de dierenarts heeft ontvangen. Er waren volgens haar zorgen over het gewichtsverlies van haar hond, maar onduidelijk was wat daarvan de oorzaak was. Op 10 februari 2024 is met de behandelend dierenarts afgesproken dat zij verschillende fondsen zou benaderen om het onderzoek voor haar hond te bekostigen. [naam 1] heeft vervolgens zo spoedig mogelijk een aanvraag bij de fondsen willen doen. Voordat zij daartoe de kans kreeg, had de staatssecretaris al spoedbestuursdwang toegepast.

Uit het toezichtrapport van 21 februari 2024 blijkt dat de toezichthouder op 17 februari 2024 op de door de politieagenten toegezonden foto een extreem magere hond zag, waarvan de ribben, ruggenwervels en heupbotten uitstaken. [naam 1] verklaarde dat haar hond al een paar weken aan het vermageren was en niet meer wilde eten. Een medewerker van het Dierenziekenhuis Rotterdam verklaarde dat het waarschijnlijk gaat om nier- en/of leverfalen en dat de hond dringend hulp nodig heeft. Verder blijkt uit de gedingstukken dat de behandelend dierenarts [naam 1] al op 31 januari 2024 heeft gewezen op de noodzaak van nader onderzoek en behandeling. De hond woog op dat moment minder dan de helft van haar normale lichaamsgewicht. Omdat zij de behandeling niet kon betalen, is op die dag alleen een bloed- en urineonderzoek verricht. De dierenarts heeft [naam 1] op 10 februari 2024 opnieuw gewezen op de noodzaak van behandeling. De hond was in de tussentijd meer dan een kilo afgevallen. De dierenarts heeft [naam 1] een folder gegeven met fondsen voor financiering van de benodigde behandeling van haar hond. Tot het politiebezoek op 17 februari 2024 heeft de behandeling niet plaatsgevonden. Dit terwijl de toestand van de hond op 31 januari 2024 al ernstig was en daarna alleen nog maar verslechterde. [naam 1] zou de financiële middelen niet hebben gehad voor bekostiging van de behandeling, maar zij heeft niet tijdig gezorgd voor financiering van de behandeling door een fonds. Pas op 16 februari 2024 heeft zij de dierenarts verzocht om gegevens voor het doen van een aanvraag bij een fonds, terwijl uit de gedingstukken blijkt dat behandeling van haar hond op dat moment niet langer kon worden uitgesteld.

Het College is gelet op het voorgaande van oordeel dat de staatssecretaris terecht heeft geconstateerd dat [naam 1] haar hond niet de nodige zorg heeft gegeven en daarmee artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren en artikel 1.7, aanhef en onder c, van het Bhd heeft overtreden. De beroepsgrond slaagt niet.

Mocht de staatssecretaris spoedbestuursdwang toepassen?

[naam 1] voert verder aan dat geen sprake was van een spoedsituatie. Zij heeft weliswaar verklaard dat zij niet van plan was zelf met haar hond naar de dierenarts te gaan, maar zij voelde zich door het bezoek van de politieagenten overvallen. Verder is zij afgegaan op de deskundigheid van de behandelend dierenarts, van wie zij tot 19 februari 2024 de tijd kreeg om de behandeling voor haar hond te regelen. Zij heeft daartoe niet de kans gekregen, omdat de staatssecretaris al op 17 februari 2024 spoedbestuursdwang heeft toegepast.

Uit het toezichtrapport blijkt dat [naam 1] tijdens het politiebezoek desgevraagd heeft verklaard dat zij niet bereid was om per direct met haar hond naar de dierenarts te gaan. Zij wachtte nog op financiering door een fonds en wilde na het weekend overleggen met haar begeleider. Dat [naam 1] zich overvallen voelde door het politiebezoek kan zo zijn, maar uit de gedingstukken blijkt dat de hond op dat moment dringend zorg nodig had. Dit blijkt ook uit het e-mailbericht van de behandelend dierenarts, die [naam 1] in dat bericht heeft aangespoord haast te maken met de fondsaanvragen en vóór 19 februari 2024, 15.00 uur, iets voor haar hond te regelen, omdat de dierenarts zich anders genoodzaakt voelde melding te doen bij de LID. Anders dan [naam 1] betoogt, kan uit dit e-mailbericht niet worden afgeleid dat de dierenarts akkoord ging met uitstel van de behandeling. Bovendien heeft de dierenarts voorafgaand aan dit e-mailbericht meermaals zijn zorgen uitgesproken over de situatie van de hond en haar gewezen op de noodzaak van behandeling.

Uit het voorgaande volgt dat sprake was van een spoedeisende situatie waarin een besluit niet kon worden afgewacht, zodat de staatssecretaris terecht spoedbestuursdwang heeft toegepast. De beroepsgrond slaagt niet.

Het kostenbesluit

7 Op grond van artikel 5:25, eerste lid, van de Awb komen de kosten van de toepassing van bestuursdwang voor rekening van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen. Op grond van artikel 5:25, tweede lid, van de Awb moet de last vermelden in hoeverre de kosten van bestuursdwang ten laste van de overtreder zullen worden gebracht.

[naam 1] voert aan dat de politieagenten niet hebben aangegeven dat, als zij niet bereid was haar medewerking te verlenen, er spoedbestuursdwang zou worden toegepast en wat daarvan de financiële consequenties voor haar zouden zijn. Verder voert zij aan dat de factuur niet klopt en dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd dat de dierenarts noodzakelijke kosten heeft gemaakt. Tot slot wijst [naam 1] erop dat de kosten zwaar op haar drukken en dat zij door het besluit in de financiële problemen komt.

Het standpunt van [naam 1] dat de politieagenten haar niet op de hoogte hebben gesteld van de financiële consequenties van het toepassen van spoedbestuursdwang begrijpt het College zo, dat zij aanvoert dat kostenverhaal in dit geval niet mogelijk is, omdat sprake is van strijd met artikel 5:25, tweede lid, van de Awb. Het College stelt vast dat de staatssecretaris in het besluit van 27 februari 2024, waarmee de toepassing van bestuursdwang op schrift is gesteld, erop heeft gewezen dat [naam 1] de kosten van de dierenarts moet betalen. Van strijd met artikel 5:25, tweede lid, van de Awb is dus geen sprake. Overigens blijkt uit het toezichtrapport dat – anders dan [naam 1] stelt – de politieagenten haar tijdens hun bezoek ook hebben meegedeeld dat de kosten van de dierenarts voor haar rekening komen.

De kosten die de staatssecretaris in het kostenbesluit aan [naam 1] in rekening heeft gebracht, zijn de daadwerkelijk gemaakte kosten. De staatssecretaris heeft deze kosten onderbouwd met een factuur. [naam 1] heeft de kosten niet gemotiveerd bestreden en slechts volstaan met de niet onderbouwde stelling dat de kosten onnodig zijn gemaakt dan wel te hoog zijn. Zonder onderbouwing van die stelling heeft het College geen reden voor twijfel aan de noodzaak en hoogte van de gemaakte kosten. Op de zitting heeft [naam 1] nog gesteld dat de dierenarts mogelijk te lang heeft gewacht met het euthanaseren van haar hond, zodat de kosten onnodig zijn opgelopen. Dit standpunt heeft zij niet nader toegelicht, zodat het College ook hierin geen reden ziet om aan de noodzaak van de gemaakte kosten te twijfelen.

Wat betreft het beroep van [naam 1] op haar beperkte financiële draagkracht geldt het volgende. Een bestuursorgaan hoeft bij een besluit omtrent kostenverhaal in beginsel geen rekening te houden met de financiële draagkracht van de overtreder. De draagkracht van de overtreder kan namelijk in de regel pas in de executiefase ten volle worden gewogen. Als hierover een geschil ontstaat, is de rechter die belast is met de beslechting daarvan bij uitstek in de positie hierover een oordeel te geven. Voor een uitzondering op dit beginsel bestaat slechts aanleiding als evident is dat de overtreder gezien zijn financiële draagkracht niet in staat zal zijn de te verhalen kosten van bestuursdwang (volledig) te betalen. Op de overtreder rust de last aannemelijk te maken dat dit het geval is. De overtreder dient daartoe zodanige informatie te verstrekken dat een betrouwbaar en volledig inzicht wordt verkregen in zijn financiële situatie en de gevolgen die het betalen van de verhaalde kosten zou hebben (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 7 januari 2020, ECLI:NL:CBB:2020:21). In dit geval heeft [naam 1] tegen het kostenbesluit geen bezwaar gemaakt en heeft zij dit besluit pas in beroep betwist. In beroep heeft [naam 1] geen financiële gegevens overgelegd en dus geen inzicht verschaft in haar financiële situatie. De staatssecretaris heeft daarom terecht geen reden gezien om al in het kostenbesluit rekening te houden met haar financiële draagkracht. Daar komt bij dat de staatssecretaris op de zitting heeft verklaard dat de invordering van de kosten momenteel stilligt en de mogelijkheid van een betalingsregeling wordt onderzocht.

Gelet op het voorgaande heeft de staatssecretaris terecht geen aanleiding gezien om in het kostenbesluit (deels) af te zien van het kostenverhaal. De beroepsgronden slagen niet.

Slotsom

9 Het College zal het beroep ongegrond verklaren. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, in aanwezigheid van mr. M.C. Verviers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026.

w.g. M.M. Smorenburg w.g. M.C. Verviers

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M.C. Verviers

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand