COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2026 in de zaak tussen
Maatschap [naam 1] , te [vestigingsplaats 1]
uitspraak
zaaknummer: 24/932
en
de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (voorheen de minister)
(gemachtigde: mr. drs. P.J. Kooiman)
Procesverloop in beroep
De maatschap heeft tegen het besluit van 6 augustus 2024 (bestreden besluit) bezwaar gemaakt bij de staatssecretaris. De staatssecretaris heeft het bezwaarschrift ter behandeling doorgezonden aan het College.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 28 juli 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 2] en [naam 3] namens de maatschap en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Overwegingen
1. De maatschap exploiteert een rundveehouderij, met het uniek bedrijfsnummer (UBN) [nummer 1] . Zij heeft per 1 november 2023 een geitenhouderij in [vestigingsplaats 2] ( [naam provincie] ) aangekocht. Met de aankoop van de geitenhouderij heeft zij ook het bijbehorende UBN [nummer 2] overgenomen.
2 Op 17 mei 2024 heeft de staatssecretaris een factuur van € 577,71 aan de maatschap gestuurd, bestaande uit een retributie voor dierregistraties (I&R) over het jaar 2023. Een deel van dit bedrag, € 149,75, betreft de dierregistraties voor UBN [nummer 2] . Dit bedrag is op de factuur als volgt gespecifieerd:
“Schaap/geit
Totaal Schaap/geit € 130,75
- Houder UBN schapen/geiten, vast bedrag per UBN € 26,-
- Geboortemelding geiten 414 x € 0,25 € 103,50
- Aanvoer-/importmelding geiten op bedrijf houder
5 x € 0,25 € 1,25
Huisdieren
- Houder UBN huisdieren, vast bedrag per UBN € 19,00
Totaal Huisdieren € 19,00
Totaal UBN [nummer 2] € 149,75”
3 De maatschap heeft tegen de factuur bezwaar gemaakt. Zij is het niet eens met de kosten die de staatssecretaris voor UBN [nummer 2] in rekening heeft gebracht. Volgens de maatschap komen de kosten voor geboortemeldingen van de geiten (€ 103,50) voor rekening van de vorige eigenaar, omdat die meldingen dateren van vóór de bedrijfsovername. Verder had de staatssecretaris maar een zesde deel (€ 4,33) van het vaste bedrag voor het houden van geiten (€ 26,-) bij haar in rekening mogen brengen, omdat zij pas per 1 november 2023 eigenaar is van de geitenhouderij. Verder houdt de maatschap geen huisdieren, zodat zij niet de daarvoor in rekening gebrachte retributie (€ 19,-) verschuldigd is.
4 Met het bestreden besluit heeft de staatssecretaris het door de maatschap gemaakte bezwaar (kennelijk) ongegrond verklaard. De staatssecretaris heeft toegelicht dat hij de retributie terecht bij de maatschap in rekening heeft gebracht, omdat zij bij de overname van de geitenhouderij ook het UBN van dat bedrijf heeft overgenomen. Het gevolg daarvan is dat de lusten en lasten die gerelateerd zijn aan het UBN voor haar rekening komen.
5 De maatschap heeft in beroep het in bezwaar ingenomen standpunt herhaald. Ook heeft de maatschap er nog op gewezen dat haar bezwaar tegen de heffing Diergezondheidsfonds wel gegrond is verklaard en de heffing alleen verschuldigd is voor het deel van 2023 dat zij eigenaar was van de geitenhouderij. Het College stelt vast dat partijen uitsluitend verdeeld zijn over de vraag of de staatssecretaris terecht een bedrag van € 149,75 aan dierregistraties voor UBN [nummer 2] bij de maatschap in rekening heeft gebracht. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en licht dit hieronder toe.
6 De onder 2 vermelde bedragen op de factuur zijn gebaseerd op de artikelen 4 en 11 van de Regeling tarieven identificatie en registratie Wet dieren (Regeling). Artikel 4 van de Regeling bepaalt:
“1. Een exploitant van een inrichting voor het houden van schapen of geiten waaraan een uniek registratienummer is toegekend, is jaarlijks een retributie verschuldigd die bestaat uit:
a. een vast bedrag per aan de exploitant toegekend uniek registratienummer van € 26,00 voor de instandhouding van de registratie; en
b. een bedrag afhankelijk van het aantal schapen of geiten dat op de inrichting is geboren, daarop is aangevoerd vanuit Nederland of uit het buitenland.
2. Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, bedraagt € 0,25 per schaap of geit.
3. In afwijking van het tweede lid bedraagt het bedrag per schaap of geit dat wordt aangevoerd op een verzamelcentrum of slachthuis € 0,05 per schaap of geit.
4. De aantallen schapen of geiten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, zijn de aantallen die in een kalenderjaar ten aanzien van de inrichting zijn opgenomen in het geautomatiseerde gegevensbestand.”
Artikel 11 van de Regeling bepaalt:
“Voor de aanmelding, bedoeld in art. 3.8, eerste lid, van het Besluit houders van dieren is degene die de aanmelding doet jaarlijks een retributie verschuldigd van € 19,00.”
7 Uit de Regeling volgt dat de retributie is verschuldigd door de exploitant van de inrichting. De maatschap heeft met de overname van de geitenhouderij ook het daarbij behorende UBN overgenomen. Daarmee is de maatschap de exploitant van de inrichting (geitenhouderij) geworden, zodat zij op grond van de Regeling jaarlijks de retributie is verschuldigd. Dit betekent dat alle kosten die gedurende het jaar op dat UBN zijn gemaakt voor haar rekening komen. Dat de maatschap pas tegen het einde van 2023 de geitenhouderij heeft overgenomen, is dus niet relevant. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat de maatschap in 2023 zelf geen houder is geweest van huisdieren. Het betoog over de heffing Diergezondheidsfonds kan evenmin tot een ander oordeel leiden, omdat die heffing is gebaseerd op een andere regeling, die hier niet van toepassing is.
8 Op de zitting heeft de maatschap aangevoerd dat het niet redelijk is dat zij voor de kosten van een ander moeten opdraaien. Zij vindt dat er duidelijkheid moet komen over de wijze waarop de staatssecretaris de Regeling in situaties zoals die van haar toepast, omdat hier meer bedrijven last van zullen hebben.
9 Het College vat dit betoog zo op dat de maatschap aanvoert dat de artikelen 4 en 11 van de Regeling in haar geval wegens strijd met het (ongeschreven) evenredigheidsbeginsel buiten toepassing moeten worden gelaten. In dit geval gaat het om de toepassing van een gebonden bevoegdheid van een algemeen verbindend voorschrift. Strijd met het evenredigheidsbeginsel is uitsluitend aan de orde als sprake is van bijzondere omstandigheden die het besluit zozeer onevenwichtig maken dat toepassing van het voorschrift waarop die bevoegdheid berust in dit geval achterwege moet blijven (zie de uitspraak van het College van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190). Dat een deel van de verschuldigde retributie kosten betreffen die door de vorige exploitant van de geitenhouderij zijn gemaakt, is geen bijzondere omstandigheid in de hiervoor genoemde zin. In de Regeling staat dat de retributie jaarlijks verschuldigd is door de exploitant van de inrichting. Het had de maatschap daarom redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat de kosten voor het gehele jaar voor haar rekening komen. In dat verband merkt het College nog op dat de maatschap bij de overdracht van de geitenhouderij de mogelijkheid had een nieuwe UBN aan te vragen. Ook had zij met de overdragende partij een afspraak kunnen maken over een verdeling van de reeds gemaakte kosten. Dat zij daar niet voor heeft gekozen, komt voor haar rekening.
10 De conclusie is dat de staatssecretaris met de factuur terecht een bedrag van € 149,75 voor UBN [nummer 2] bij de maatschap in rekening heeft gebracht. De beroepsgronden slagen niet.
Slotsom
11 Het College zal het beroep ongegrond verklaren. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, in aanwezigheid van mr. M.C. Verviers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026.
w.g. M.M. Smorenburg w.g. M.C. Verviers