COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 8 september 2026 op het hoger beroep van
drs. [naam 1] BSc MSc RA CFE, te [woonplaats] ( [naam 1] )
drs. [naam 2] , registeraccountant ( [naam 2] )
uitspraak
zaaknummer: 23/1213
tegen de uitspraak van de accountantskamer van 7 april 2023 waarbij is beslist op een klacht, ingediend door [naam 1] tegen
(gemachtigde: mr. H.A. de Savornin Lohman)
Procesverloop in hoger beroep
[naam 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 7 april 2023, met nummer 22/1287 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2023:32).
[naam 2] heeft een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven.
De zitting was op 16 juni 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 1] , [naam 2] en de gemachtigde van [naam 2] .
Grondslag van het geschil
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de uitspraak van de accountantskamer. Het College volstaat met het volgende.
[naam 2] is sinds 15 december 2004 ingeschreven als registeraccountant in het register van de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA). Sinds 2013 is zij werkzaam voor (destijds geheten) [naam 3] B.V., houdstermaatschappij van de drie werkmaatschappijen [naam 4] B.V., [naam 5] B.V. en [naam 6] B.V., gezamenlijk de [naam 7] . [naam 6] B.V. is een trustkantoor.
De werkmaatschappijen verlenen diensten aan alternatieve beleggingsfondsen. In dat kader verlenen zij aan cliëntvennootschappen administratieve diensten, verzorgen zij rapportages, jaarrekeningen en andere diensten, waaronder het optreden als AIFMD-bewaarder (Alternative Investment Fund Managers Directive), of treden zij op als bestuurder van entiteiten die de juridische eigendom beheren van fondsactiva.
[naam 2] verrichtte tot 2014 werkzaamheden voor een groot aantal
cliëntvennootschappen van de [naam 7] . Zij verrichtte interne controlewerkzaamheden ten
aanzien van de juistheid en volledigheid van de jaarrekeningen van een aantal vennootschappen van die groep. Ook had zij de functie van controller binnen de [naam 7] . Vanaf 2014 is zij voor twee derde van haar dienstverband werkzaamheden gaan verrichten voor de in dat jaar opgerichte vennootschap [naam 5] B.V. Sinds 1 januari 2018 is zij lid van het managementteam van [naam 3] B.V.
[naam 1] is mede-oprichter van [naam 8] ( [naam 8] ), een houdstermaatschappij van de dochtermaatschappijen [naam 9] ( [naam 9] ) en [naam 10]
[naam 11] ( [naam 11] ) is opgericht op 26 februari 2014. Het doel van [naam 11] was om het voor investeerders mogelijk te maken om te beleggen in [naam 8] . Het bestuur van [naam 11] werd gevormd door [naam 4] B.V. en [naam 12] . De jaarrekening 2016 van [naam 11] is, met datum juli 2017, opgesteld door (de directie van) [naam 4] B.V. De jaarrekening 2016 van [naam 11] is gezien een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK), op 2 november 2017 vastgesteld en op 22 november 2017 bij de KvK gedeponeerd.
Op 17 juni 2019 is bij de KvK geregistreerd dat [naam 11] (als ontbonden rechtspersoon) is opgehouden te bestaan, omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 12 juni 2019.
Op een eerder door [naam 1] tegen [naam 2] ingediende klacht heeft de accountantskamer bij uitspraak van 4 mei 2020, met nummer 19/2028 Wtra AK (ECLI:NL:TACAKN:2020:40) beslist. Deze klacht hield in dat in de jaarrekening 2016 van [naam 11] fouten staan die aan [naam 2] kunnen worden verweten. De accountantskamer heeft deze klacht ongegrond verklaard. Volgens de accountantskamer is geen sprake van verwijtbaar handelen of nalaten van [naam 2] , onder meer omdat niet is gebleken dat [naam 2] persoonlijk bij het samenstellen van de jaarrekening 2016 van de cliëntvennootschap [naam 11] betrokken is geweest of had moeten zijn (zie de uitspraak van 4 mei2020 onder 4.7 en volgende). Met de uitspraak van 12 juli 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:408) heeft het College het hoger beroep van [naam 1] tegen de uitspraak van 4 mei 2020 ongegrond verklaard.
Op een volgende (tweede) door [naam 1] tegen [naam 2] ingediende klacht heeft de accountantskamer met de uitspraak van 12 maart 2021, met nummer 20/1396 Wtra AK (ECLI:NL:TACAKN:2021:21) beslist. Deze klacht hield het volgende in:
a. hoewel [naam 2] door de vorige klacht op de hoogte was van directiefraude in haar organisatie en van het feit dat de jaarrekening 2016 van [naam 11] een onjuist en niet getrouw beeld geeft, heeft zij nagelaten de Nadere voorschriften handelwijze accountant bij niet-naleving wet- en regelgeving door eigen organisatie of cliënt (NV NOCLAR) toe te passen, op maatregelen aan te dringen binnen en/of buiten haar organisatie, te voorzien in een melding, zelf maatregelen te nemen, dan wel andere accountants in te lichten;
b. na een interne bespreking van de vorige klacht met haar leidinggevenden, die verantwoordelijk worden gehouden voor de directiefraude, heeft [naam 2] in plaats van daarvan afstand te nemen ervoor gekozen deze te verdedigen en met hen samen te spannen;
c. [naam 2] handelt willens en wetens tegen de grondslag van de NV NOCLAR door actief mee te werken aan het tot stand komen van onjuiste informatie.
De accountantskamer heeft deze klacht in alle onderdelen ongegrond verklaard. Met de uitspraak van 12 juli 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:409) heeft het College het hoger beroep van [naam 1] tegen de uitspraak van 12 maart 2021 ongegrond verklaard.
Uitspraak van de accountantskamer
De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, houdt in dat [naam 2] :
a. de zorgplicht heeft als dagelijks beleidsbepaler en kwaliteitsbepaler en in het
kader van de kwaliteitssystemen een verwijt is te maken, doordat valse jaarrekeningen werden
samengesteld door de [naam 7] , waar zij werkzaam is;
b. in strijd met de fundamentele beginselen heeft gehandeld door geen maatregelen te treffen bij het niet-integer handelen van anderen, dan wel door zich hiervan niet te distantiëren en door de accountantskamer onjuist in te lichten;
c. heeft nagelaten de NV NOCLAR toe te passen, op maatregelen aan te dringen binnen en/of buiten haar organisatie, te voorzien in een melding, zelf maatregelen te nemen, dan wel andere accountants in te lichten, nadat zij bekend was geraakt met de directiefraude en de valse jaarrekeningen van [naam 11] .
Met de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer klachtonderdeel a ongegrond verklaard en de klachtonderdelen b en c niet-ontvankelijk. De [naam 7] of enig onderdeel daarvan, waaronder het trustkantoor ( [naam 6] B.V.) kan volgens de accountantskamer niet worden gekwalificeerd als een accountantskantoor in de zin van artikel 1 van de (destijds geldende) Nadere voorschriften accountantskantoren ter zake van aan assurance verwante opdrachten (NVAK-aav). Omdat geen sprake is van een accountantskantoor, kan [naam 2] niet worden gezien als een beleids- en kwaliteitsbepaler in de zin van de toepasselijke regelgeving en is zij niet verantwoordelijk voor het kwaliteitssysteem. Daarom is klachtonderdeel a ongegrond. De klachtonderdelen b en c zijn niet-ontvankelijk, omdat daarover al eerder is geklaagd.
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
Klachtonderdeel a
De accountantskamer heeft wat betreft klachtonderdeel a het volgende overwogen (waarbij – ook in de verder nog te citeren overwegingen – voor ‘betrokkene’ [naam 2] moet worden gelezen en voor ‘klager’ [naam 1] ):
“5.16. De Accountantskamer overweegt dat allereerst moet worden beoordeeld of de [naam 7] of enig onderdeel daarvan moet worden beschouwd als een accountantskantoor. Voor de beantwoording van deze vraag moet worden gekeken naar de definitie van accountantskantoor, zoals opgenomen in artikel 1 van de (destijds geldende) NVAK-aav. Een accountantskantoor is daarin als volgt gedefinieerd:
"b. accountantskantoor:
i de organisatorische eenheid waarbij een registeraccountant werkzaam is of waaraan een
registeraccountant verbonden is en waarbinnen één of meer registeraccountants of Accountants-Administratieconsulenten voor een cliënt bedrijfsmatig professionele diensten verrichten, bestaande uit assurance-opdrachten of aan assurance verwante opdrachten en eventueel overige opdrachten, die niet beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 5 van de Wet toezicht accountantsorganisaties; of
ii de accountantsorganisatie terzake van uitgevoerde professionele diensten bestaande uit
assurance-opdrachten of aan assurance verwante opdrachten en eventueel overige opdrachten, die niet onder de werkingssfeer van de Wet toezicht accountantsorganisaties vallen;"
Uit deze definitie volgt dat pas van een accountantskantoor sprake is wanneer er binnen
de organisatie assurance-opdrachten of aan assurance verwante opdrachten worden uitgevoerd. Dit betekent dat als dergelijke opdrachten niet worden uitgevoerd er geen sprake is van een accountantskantoor in de zin van de NVAK-aav.
De Accountantskamer overweegt dat [naam 4] (thans geheten [naam 6] ) optrad als bestuurder van [naam 11] en dat [naam 4] in haar rol van bestuurder de jaarrekeningen van [naam 11] heeft opgemaakt. Daarbij staat vast dat betrokkene geen betrokkenheid heeft gehad bij het opmaken van deze jaarrekeningen. Gelet hierop is geen sprake van een samenstellingsopdracht als bedoeld in NV COS 4410. Hieruit volgt dat de [naam 7] op grond van de uitgevoerde werkzaamheden voor het opmaken van de jaarrekeningen van [naam 11] niet gekwalificeerd kan worden als een accountantskantoor. Evenmin is gebleken dat onder verantwoordelijkheid van betrokkene samenstellingsopdrachten binnen de [naam 7] zijn uitgevoerd. Daarmee zijn door betrokkene geen diensten uitgevoerd zoals genoemd in de definitie van accountantskantoor van artikel 1 NVAK-aav zoals hiervoor geciteerd en kwalificeert de organisatie niet als accountantskantoor.
Hieruit volgt dat betrokkene niet kan worden aangemerkt als beleids- en
kwaliteitsbepaler in de zin van die regelgeving en dat op haar ook niet de verplichting rustte om zorg te dragen voor een deugdelijk kwaliteitssysteem. Het verwijt dat betrokkene als dagelijks beleids- en kwaliteitsbepaler verantwoordelijk is voor het kwaliteitssysteem binnen de [naam 7] treft daarom geen doel. Het klachtonderdeel is ongegrond.”
[naam 1] voert aan dat [naam 2] professionele diensten verricht voor de [naam 7] , die kunnen worden gekwalificeerd als aan assurance verwante dan wel overige opdrachten, en dat de [naam 7] is te kwalificeren als accountantskantoor. Dit heeft [naam 2] volgens hem zowel schriftelijk als mondeling bevestigd tijdens de procedure bij de accountantskamer in 2020. De accountantskamer heeft daarom ten onrechte nagelaten [naam 2] , de enige bij de [naam 7] in dienst zijnde accountant, te kwalificeren als dagelijks beleidsbepaler, kwaliteitsbepaler en eindverantwoordelijk accountant. Tijdens de zitting heeft [naam 1] daaraan toegevoegd dat als het College zou aannemen dat de [naam 7] geen accountantskantoor is, zoals de accountantskamer heeft geoordeeld, daaruit niet volgt dat [naam 2] geen tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid droeg. Een registeraccountant kan zich niet aan de fundamentele beginselen van de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA) onttrekken. De accountantskamer heeft ten onrechte niet beoordeeld of [naam 2] heeft gehandeld overeenkomstig de fundamentele beginselen van de VGBA nadat zij bekend werd met de ernstige signalen van mogelijke onregelmatigheden. [naam 2] heeft zich volgens [naam 1] niet gehouden aan de fundamentele beginselen van professionaliteit, integriteit, objectiviteit en vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. In plaats daarvan heeft de accountantskamer alleen onderzocht of de [naam 7] kan worden gekwalificeerd als accountantskantoor en heeft zij niet de gedragingen van [naam 2] beoordeeld, maar zich beperkt tot de juridische status van haar werkgever.
[naam 2] betwist dat sprake was van aan assurance verwante opdrachten en overige opdrachten, in de zin van de NVAK-aav. Tijdens de zitting heeft [naam 2] benadrukt dat zij niet betrokken was bij het opstellen van de jaarrekening 2016 van [naam 11] dan wel de jaarrekeningen van andere cliëntvennootschappen. Zij was werkzaam bij een andere entiteit dan de entiteit die de trustdiensten verleende. Ook had zij geen cliëntendossiers in haar functie als controller, maar was zij alleen controller van de interne organisatie.
Volgens vaste jurisprudentie is het in een tuchtprocedure als de onderhavige in beginsel aan de klager om feiten en omstandigheden te stellen en – in geval van (gemotiveerde) betwisting – aannemelijk te maken, die tot het oordeel kunnen leiden dat de betrokken accountant tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Uit artikel 22, eerste lid, van de Wtra, waarin het klachtrecht is geregeld, volgt dat in de accountantstuchtprocedure het handelen of nalaten van de individuele accountant centraal staat.
De tuchtrechter beoordeelt zelfstandig of het handelen of nalaten van de accountant als bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de Wet op het accountantsberoep of artikel 31, eerste lid, van de Wet toezicht accountantsorganisaties, waarover wordt geklaagd, tuchtrechtelijk verwijtbaar is, en zo ja, welke norm(en) is of zijn overtreden. Daarbij moet het handelen en/of nalaten waarop de klacht betrekking heeft, worden getoetst aan de VGBA. Dat de klager gedragingen van de accountant in verband brengt met het schenden van een bepaalde tuchtrechtelijke norm, laat daarom de mogelijkheid van een andere kwalificatie door de tuchtrechter onverlet.
Het College ziet, gelet hierop, geen aanleiding voor het oordeel dat de accountantskamer de klachtonderdelen te beperkt heeft opgevat, zoals [naam 1] betoogt. De klachtonderdelen zoals opgenomen door [naam 1] in zijn klaagschrift, passen bij de omschrijving door de accountantskamer zoals weergegeven onder 2.1.
De accountantskamer heeft geoordeeld dat de [naam 7] op grond van
de uitgevoerde werkzaamheden voor het opmaken van de jaarrekeningen van [naam 11] niet
gekwalificeerd kan worden als een accountantskantoor als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van de NVAK-aav. Volgens deze bepaling is sprake van een accountantskantoor als de accountant voor een cliënt bedrijfsmatig professionele diensten verricht, bestaande uit assurance-opdrachten of aan assurance verwante opdrachten en eventueel overige opdrachten.
Zoals het College al eerder heeft geoordeeld (zie de uitspraak van het College van 22 maart 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:128, onder 7.5)), blijkt uit de artikelen 1 tot en met 3 van de VGBA en de toelichting bij die artikelen dat het voor de beoordeling van het handelen van een accountant verschil maakt of al dan niet sprake is van een professionele dienst. Als de door de accountant verrichte werkzaamheden niet vallen onder dat begrip, dan dient de accountant zich bij de uitoefening van zijn of haar werkzaamheden alleen te houden aan het fundamentele beginsel van professionaliteit. Als wel sprake is van een professionele dienst, dan zijn alle in artikel 2 van de VGBA genoemde fundamentele beginselen van toepassing.
Volgens [naam 1] zijn hier de volgende werkzaamheden van [naam 2] van belang. [naam 2] houdt als controller ook toezicht op de financiële administratie van cliëntvennootschappen. Zij behoort daarvoor risicoanalyses te verrichten, omdat sprake is van een verhoogd risico in verband met belangenconflicten. Dit risico moet ondervangen worden door een kwaliteitsbeleid en kwaliteitsbeheersing. Tijdens de zitting heeft [naam 1] nog opgemerkt dat [naam 4] administratiediensten verleende, rapportages verzorgde, jaarrekeningen opstelde en bestuursdiensten verrichtte voor cliënten. Daarnaast heeft [naam 2] volgens [naam 1] eerder verklaard dat zij werkzaam was in een omgeving waarin jaarrekeningen werden gemaakt, reviews plaatsvonden en controles werden uitgevoerd op samengestelde jaarrekeningen. Deze werkzaamheden zijn volgens [naam 1] te kwalificeren als professionele diensten.
Tegenover de betwisting van [naam 2] dat zij geen werkzaamheden heeft verricht voor cliëntvennootschappen, dan wel zeer gering, en ook niet werkzaam was bij de entiteit die de trustdiensten verleent, heeft [naam 1] met de onder 3.9 aangehaalde algemene omschrijving van werkzaamheden/diensten onvoldoende aannemelijk gemaakt dat wel sprake was van het verrichten van professionele diensten, bestaande uit assurance- of daaraan verwante opdrachten en eventueel overige opdrachten door de entiteit waarvoor [naam 2] werkzaam was. Daarbij neemt het College in aanmerking dat hij al eerder heeft geoordeeld dat van enige vakinhoudelijke betrokkenheid van [naam 2] bij het [naam 11] -dossier niet is gebleken (zie de uitspraken van het College van 12 juli 2022 over de eerste, respectievelijk tweede klacht (ECLI:NL:CBB:2022:408, onder 3.2) en (ECLI:NL:CBB:2022:409, onder 4.8)).
Wat betreft het betoog van [naam 1] dat [naam 2] zelf heeft gezegd dat zij bepaalde werkzaamheden verricht die vervolgens als professionele diensten kunnen worden aangemerkt, heeft [naam 2] verklaard dat dit nog geen punt van debat was tussen partijen op dat moment, omdat de oorspronkelijke klacht van [naam 1] daarop niet was gebaseerd. Zij gebruikte woorden uit de spreektaal en heeft daarmee niet bedoeld dat jaarrekeningen werden gecontroleerd zoals een externe accountant dat zou doen. Het College acht deze verklaring van [naam 2] niet ongeloofwaardig en ziet hierin dan ook geen aanleiding om aan te nemen dat wel sprake was van samenstellingsopdrachten of andere aan assurance verwante opdrachten bij de [naam 7] .
Uit het voorgaande volgt dat niet is gebleken dat [naam 2] professionele diensten verrichtte voor cliënten als bedoeld in de NVAK-aav, zodat de [naam 7] niet kan worden beschouwd als een accountantskantoor in de zin van de NVAK-aav. [naam 2] was daarom niet een dagelijks beleids- en kwaliteitsbepaler als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de NVAK-aav, tot wie deze nadere voorschriften zich richten. Op haar rustte ook niet de verplichting om zorg te dragen voor een deugdelijk kwaliteitssysteem. Daarnaast volgt uit het voorgaande dat de gedragingen die [naam 1] [naam 2] verwijt, niet kunnen worden getoetst aan de in de VGBA opgenomen fundamentele beginselen van integriteit, objectiviteit en vakbekwaamheid en zorgvuldigheid.
[naam 1] verwijt [naam 2] wat betreft het fundamentele beginsel van professionaliteit dat [naam 2] bekend was met ernstige signalen van mogelijke verslaggevingsfraude en faillissementsfraude en dat zij desondanks geen maatregelen heeft genomen. De gedragingen die [naam 1] [naam 2] verwijt, kunnen echter ook niet aan dit beginsel worden getoetst. Hoewel het fundamentele beginsel van professionaliteit ziet op al het handelen en nalaten van [naam 2] , had [naam 2] namelijk geen betrokkenheid bij [naam 11] , zoals het College al eerder heeft geoordeeld (ECLI:NL:CBB:2022:409, onder 4.7 en 4.8). Zij kon dan ook niet handelen of iets nalaten met betrekking tot deze vennootschap zoals bedoeld in artikel 4 van de VGBA. Ook heeft [naam 1] geen feiten gesteld die aannemelijk maken dat de [naam 7] zelf de wet- en regelgeving niet heeft nageleefd, zoals bedoeld in artikel 5 van de VGBA.
Omdat [naam 1] in zijn hogerberoepschrift de gestelde persoonlijke betrokkenheid van [naam 2] , de door haar en de [naam 7] geleverde diensten niet nader heeft toegespitst op het handelen en nalaten van [naam 2] en niet is gebleken dat het oordeel van de accountantskamer wat betreft klachtonderdeel a onjuist is, slaagt de hogerberoepsgrond niet.
Klachtonderdelen b en c
De accountantskamer heeft over deze klachtonderdelen het volgende overwogen:
“Klachtonderdeel b: geen maatregelen bij niet-integer handelen
Met betrekking tot dit klachtonderdeel wordt overwogen dat klager in zijn tweede klacht
het volgende verwijt aan betrokkene gemaakt:
“(...) Niet alleen laat [naam 2] na de NV NOCLAR toe te passen, zij handelt willens en wetens tegen de grondslag in van de NV NOCLAR door actief mee te werken aan het tot stand komen van onjuiste informatie. Nadat [naam 2] de klacht intern had besproken met haar 2 leidinggevenden, die beiden verantwoordelijk worden gehouden voor directiefraude, heeft zij, in plaats van afstand te nemen van de fraude ervoor gekozen deze te verdedigen en daarmee samen te spannen met de van fraude verdachte voormalig bestuurders van [naam 11] . De volgende selectie van onjuiste stellingen dragen bij aan het beeld dat [naam 2] niet objectief, integer en zorgvuldig heeft gehandeld door kritiekloos stellingen van één bron over te nemen zonder eigen nader onderzoek en daarmee medewerking verleent aan het verspreiden van misleidende informatie en het geven van een onjuist en niet getrouw beeld van de jaarrekeningen van [naam 11] . (…)”
Dit verwijt komt overeen met het onderhavige klachtonderdeel. Beide klachtonderdelen
hebben immers betrekking op het niet treffen van maatregelen in verband met beweerdelijk niet-integer handelen (fraude), het samenspannen met de directie van [naam 11] , het niet nemen van afstand en het innemen van onjuiste stellingen, waardoor de Accountantskamer onjuist zou zijn voorgelicht.
Omdat al eerder over deze (gestelde) gedragingen van betrokkene is geklaagd, is sprake van strijd met het ne bis in idem-beginsel. Dit klachtonderdeel is daarom niet-ontvankelijk.
Klachtonderdeel c: nalaten de NV NOCLAR toe te passen
Ten aanzien van dit klachtonderdeel wordt overwogen dat in het klaagschrift van de
tweede klacht het volgende staat:
"(...) [naam 2] heeft nagelaten de NV NOCLAR toe te passen, op maatregelen aan te dringen binnen en/of buiten haar organisatie, te voorzien in een melding, zelf maatregelen te nemen, dan wel andere accountants in te lichten.
Dit verwijt komt op hetzelfde neer als het onderhavige klachtonderdeel, namelijk het niet toepassen van de NV NOCLAR. Omdat hiermee over dezelfde gedraging van betrokkene wordt geklaagd als in de tweede klacht al aan de orde is geweest, is ook met betrekking tot dit klachtonderdeel sprake van strijd met het ne bis in idem-beginsel. Het klachtonderdeel is niet-ontvankelijk.
Uit het voorgaande volgt dat de klachtonderdelen b en c niet-ontvankelijk zijn. Omdat ten aanzien van klachtonderdeel a geen sprake is van niet-ontvankelijkheid zal dit klachtonderdeel hieronder inhoudelijk worden beoordeeld. Voor zover klager met de klachtonderdelen b en c heeft bedoeld die in het licht van betrokkenes vermeende rol als kwaliteitsbepaler te plaatsen om daarmee de ontvankelijkheid van de klacht te bewerkstelligen, dienen deze ook inhoudelijk wegens een gebrek aan feitelijke grondslag te worden afgewezen, zoals blijkt uit rechtsoverweging 5.18.
Volgens vaste rechtspraak van het College (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 30 mei 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:257, onder 3.2)) kan gelet op de eisen van een behoorlijke tuchtprocesorde, en met name het daaruit voortvloeiende beginsel van ne bis in idem, niet nogmaals worden geklaagd over gedragingen die al eerder voorwerp waren van een inhoudelijke beoordeling door de tuchtrechter.
[naam 1] heeft tegen het oordeel van de accountantskamer dat over klachtonderdeel b al eerder is geklaagd, geen concrete hogerberoepsgronden aangevoerd, behalve een herhaling van de verwijten die hij [naam 2] in dit kader maakt. Hij heeft bij de accountantskamer zelf ook verklaard dat zijn klacht een volledige herhaling van zetten is met dezelfde feitelijke informatie maar alleen met een andere grondslag.
Het College volgt [naam 1] niet in zijn betoog op de zitting dat klachtonderdeel c niet ziet op exact dezelfde gedragingen als in de eerdere procedures, omdat het verwijt ziet op het voortduren van het nalaten door [naam 2] . Het College heeft in de onder 1.9 genoemde uitspraak van 12 juli 2022, onder 4.7, over de tweede klacht al geoordeeld dat van enige (vakinhoudelijke) betrokkenheid van betrokkene bij het [naam 11] -dossier ook na 2016 niet is gebleken. Dit betekent dat de gestelde niet-nalevingen die zien op de jaren 2017 tot en met 2019 niet onder het toepassingsbereik van de NV NOCLAR vallen (zie de uitspraak van het College van 12 juli 2022 over de tweede klacht (ECLI:NL:CBB:2022:409, onder 4.8)). Klachtonderdeel c ziet daarmee op een gedraging waarover al eerder inhoudelijk is geoordeeld.
Het College volgt de accountantskamer in zijn oordeel dat de klachtonderdelen b en c niet-ontvankelijk zijn, omdat [naam 1] hierover al eerder heeft geklaagd. De hogerberoepsgronden slagen niet.
Conclusie
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wtra.
Beslissing
Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, mr. H.L. van der Beek en mr. W.J.A.M. van Brussel, in aanwezigheid van mr. F. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026.
w.g. S.C. Stuldreher w.g. F. Willems