ECLI:NL:CBB:2026:422

ECLI:NL:CBB:2026:422

Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak 08-09-2026
Datum publicatie 07-09-2026
Zaaknummer 25/331
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Verzoek om herziening van afgewezen TVL-subsidiebesluit. De minister heeft het herzieningsverzoek terecht afgewezen, omdat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Er zijn geen bijzondere feiten of omstandigheden die maken dat de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is en er is ook geen sprake van een kennelijke misslag.

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2026 in de zaak tussen

[naam 1] B.V., te [woonplaats] (onderneming)

de minister van Economische Zaken en Klimaat

uitspraak

zaaknummer: 25/331

(gemachtigde: mr. L.M.O. Coolen)

en

(gemachtigde: mr. S. Piron)

Procesverloop

Met het besluit van 20 november 2024 (afwijzingsbesluit) heeft de minister het verzoek tot herziening van het besluit van 25 april 2022 tot intrekking van de subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal (Q1) van 2021 afgewezen.

Met het besluit van 18 maart 2025 (bestreden besluit) heeft de minister het daartegen

door de onderneming gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zitting was op 21 mei 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 2], namens de onderneming, en de gemachtigden van partijen.

Na de zitting hebben partijen nadere stukken ingediend.

Het College heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Inleiding: achtergrond en totstandkoming afwijzingsbesluit

De onderneming heeft op 25 maart 2021 TVL-subsidie voor Q1 van 2021 aangevraagd. Op 26 april 2021 heeft de minister besloten deze subsidie te verlenen. Met het besluit van 25 april 2022 heeft de minister de subsidie ingetrokken op grond van artikel 4:48, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (intrekkingsbesluit), omdat de onderneming niet in aanmerking komt voor de subsidie. Uit onderzoek van de minister was volgens hem namelijk gebleken dat de onderneming geen vestiging heeft in Nederland, zodat zij niet voldoet aan het vestigingsvereiste van artikel 2.2.1, tweede lid, aanhef en onder e, onder 1°, of artikel 2.2.12, tweede lid, aanhef en onder f, onder 1°, van de TVL. Met het besluit van 22 augustus 2022 heeft de minister het bezwaar van de onderneming tegen het intrekkingsbesluit kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend.

De onderneming is in beroep gegaan tegen de beslissing op bezwaar van 22 augustus 2022. In de uitspraak van 16 mei 2023 heeft het College dit beroep ongegrond verklaard. De onderneming is vervolgens in verzet gegaan tegen deze uitspraak en dit verzet is op 3 december 2024 ongegrond verklaard door het College (ECLI:NL:CBB:2024:859).

Op 21 augustus 2024 heeft de onderneming een verzoek tot herziening van het intrekkingsbesluit ingediend. Met het afwijzingsbesluit heeft de minister dit herzieningsverzoek afgewezen, omdat geen sprake is van nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden of evidente onredelijkheid. Een toekenning van TVL-subsidie in een eerder kwartaal werkt niet door in latere TVL-subsidieverleningen. De minister heeft het bezwaar van de onderneming tegen het afwijzingsbesluit ongegrond verklaard, omdat er geen sprake is van nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden en er ook geen sprake is van een kennelijke misslag of bijzondere feiten en omstandigheden die maken dat de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk zou zijn.

De vraag die in deze zaak voorligt is of de minister het herzieningsverzoek terecht heeft afgewezen.

Wettelijk kader

2 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.

Standpunten van partijen

3 De onderneming is het niet eens met de afwijzing van het herzieningsverzoek. Zij voert aan dat het in dit geval evident onredelijk is om het intrekkingsbesluit te handhaven. Ten eerste omdat de vaststellingsbeschikking onmiskenbaar onjuist is en ten tweede omdat het desondanks vasthouden aan die beschikking in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Voor het vierde kwartaal van 2020 heeft de onderneming wel TVL-subsidie ontvangen, terwijl voor dat kwartaal ook het vereiste van het hebben van een vestiging in Nederland gold. Het moet voor de minister bovendien duidelijk zijn geweest dat zij aan het vestigingsvereiste voldoet. Het intrekkingsbesluit is daarom onmiskenbaar onjuist. Daarnaast is er sprake van bijzondere omstandigheden die maken dat het onevenredig is om het herzieningsverzoek af te wijzen. Het financiële belang van de onderneming bij TVL-subsidie voor Q1 van 2021 (€ 207.595,61) weegt in dit geval niet op tegen het belang van rechtszekerheid bij het handhaven van het intrekkingsbesluit. Dat het bezwaarschrift tegen het intrekkingsbesluit te laat was, doet hier niet aan af. Het College heeft de onderneming na de zitting in de gelegenheid gesteld haar standpunt over haar financieel belang met stukken te onderbouwen. Daarop heeft zij nadere stukken (jaarrekeningen van 2021 tot en met 2024, een resultatenoverzicht van 2020-2024 en een brief van de Rabobank van 8 juni 2024) overgelegd die volgens haar aantonen dat de coronacrisis grote negatieve financiële gevolgen voor haar heeft gehad, waardoor zij is ook nog steeds is ondergebracht bij de afdeling intensief beheer van haar bank.

4 De minister stelt zich op het standpunt dat hij het herzieningsverzoek terecht heeft afgewezen. Indien geen sprake is van een nieuw feit of veranderde omstandigheid, hanteert de minister bij de TVL het vaste uitgangspunt om bij verzoeken om herziening overeenkomstige toepassing te geven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Alleen als er sprake is van een evidente onredelijkheid of van een kennelijke misslag ziet de minister aanleiding om te herzien. In deze procedure is de minister niet gebleken dat sprake is van een kennelijke misslag of dat er bijzondere omstandigheden zijn die het afwijzingsbesluit evident onredelijk maken. Wat betreft de door de onderneming nader overgelegde stukken ter onderbouwing van haar financieel belang, merkt de minister op dat hij hieruit kan afleiden dat de onderneming is getroffen door de coronacrisis, maar ook dat het haar lukt om achterstanden in belastingschulden in te halen en de omzet weer op het gewenste niveau te krijgen. Op grond van de overgelegde financiële stukken en toelichting daarop kan hij onvoldoende beoordelen dat de onderneming in haar voortbestaan wordt bedreigd, zodat het afwijzingsbesluit niet evident onredelijk is.

Beoordeling van het beroep

Bij een verzoek om herziening is een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd om het verzoek inhoudelijk te behandelen. Daarbij zal het bestuursorgaan het oorspronkelijke besluit in volle omvang heroverwegen en kan het bestuursorgaan het verzoek inwilligen of afwijzen. Een bestuursorgaan mag dit ook als de aanvrager aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. In dat geval toetst de bestuursrechter het besluit op die aanvraag als ware dit het eerste besluit over die aanvraag. Het bestuursorgaan kan er ook voor kiezen om het verzoek af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Daarmee geeft het bestuursorgaan dan overeenkomstige toepassing aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. In dat geval toetst de bestuursrechter of het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, zoals bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, is sprake als deze feiten en omstandigheden na het eerdere besluit zijn voorgevallen of niet vóór dat besluit konden en dus behoorden te worden aangevoerd.

In dit geval heeft de minister het herzieningsverzoek afgewezen, omdat geen sprake was van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Het College zal toetsen of dit standpunt van de minister terecht is.

Niet in geschil is dat de feiten en omstandigheden niet zijn gewijzigd ten opzichte van het moment waarop het intrekkingsbesluit is genomen. Dat betekent dat het standpunt van de minister dat de onderneming aan haar verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd, juist is. Dit kan de afwijzing van het verzoek om terug te komen op een in rechte onaantastbaar besluit in beginsel dragen. Dat is slechts anders als het besluit om niet terug te komen van dat eerdere besluit evident onredelijk is.

Daarnaast hanteert de minister het beleid dat een besluit wordt herzien als sprake is van een kennelijke misslag. Dit houdt in dat de minister terugkomt op een besluit als op het moment van het nemen van het besluit sprake was van een kennelijke misslag in het besluit. Dat is het geval als sprake is van een overduidelijk onjuist besluit, dat wil zeggen dat het in één oogopslag en zonder enig verder onderzoek duidelijk is. Dat is in deze zaak niet het geval, omdat de minister aanleiding heeft gezien om vragen te stellen over de vestiging van de onderneming. De onderneming heeft die vragen niet beantwoord.

De weigering om een eerder besluit te herzien, is evident onredelijk als zich bijzondere feiten of omstandigheden voordoen die tot het oordeel kunnen leiden dat de minister in het geval van de onderneming minder belang heeft mogen hechten aan overwegingen van rechtszekerheid en doelmatig bestuur dan aan het financiële belang van de onderneming. Van zulke feiten of omstandigheden is niet gebleken. Uit de stukken die de onderneming na de zitting heeft overgelegd, blijkt niet dat de onderneming in haar voortbestaan wordt bedreigd. In dit kader is ook van belang dat de onderneming de mogelijkheid heeft gehad om tegen het intrekkingsbesluit rechtsmiddelen in te stellen. De onderneming heeft niet tijdig bezwaar gemaakt tegen het intrekkingsbesluit. Dit moet voor haar rekening en risico komen. Een herzieningsprocedure is niet bedoeld om alsnog een bezwaarprocedure te kunnen doorlopen. In dit licht acht het College het afwijzingsbesluit ook niet evident onredelijk. In het oordeel dat de afwijzing van het herzieningsverzoek niet evident onredelijk is, ligt ook besloten dat het beroep van de onderneming op het evenredigheidsbeginsel niet slaagt.

De minister heeft het herzieningsverzoek van de onderneming daarom terecht afgewezen.

Slotsom

6 Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Jacobs, in aanwezigheid van mr. L. ten Hove, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026.

w.g. M.J. Jacobs w.g. L. ten Hove

Bijlage

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 4:6

1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. L. ten Hove

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand