COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2026 op het verzet van
De minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
uitspraak
zaaknummer: 25/609
Procesverloop
De maatschap heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 24 juni 2025.
Met de uitspraak van 6 mei 2026 heeft het College het beroep met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, gegrond verklaard.
Tegen de uitspraak van 6 mei 2026 van het College heeft de minister verzet gedaan.
Overwegingen
1. Het College heeft het beroep gegrond verklaard omdat het de minister ten onrechte het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. Naar oordeel van het College is de minister er niet in geslaagd om de verzending per post van de brief van 7 mei 2025 aan de maatschap aannemelijk te maken. Ook is niet gebleken dat de maatschap toestemming heeft verleend om berichten over de subsidieaanvraag via de digitale weg te ontvangen.
2 In verzet voert de minister aan dat de maatschap wel bewust heeft ingestemd met digitale correspondentie. De minister verwijst daarbij naar zijn e-mailbericht van 1 april 2026 waarmee hij de aanvraagformulieren voor de verlening en vaststelling van de subsidie naar het College heeft verzonden. Uit de uitspraak van 6 mei 2026 blijkt niet dat het College deze aanvraagformulieren bij de beoordeling heeft betrokken. Uit deze aanvraagformulieren blijkt dat de maatschap ermee akkoord is gegaan dat RVO berichten over haar aanvragen digitaal plaatst in ‘Mijn dossier’. Hiermee mocht de minister op grond van artikel 2:14, eerste lid, van de Awb de brief van 7 mei 2025 digitaal verzenden. De maatschap heeft de digitale ontvangst daarvan niet betwist. Zoals het College eerder heeft geoordeeld in zijn uitspraak van 7 mei 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:328, onder 5) is een notificatiebericht niet vereist voor een rechtsgeldige ontvangst. Omdat de maatschap kenbaar heeft gemaakt dat zij via ‘Mijn dossier’ bereikbaar is, mocht de minister erop vertrouwen dat zij regelmatig ‘Mijn dossier’ zou raadplegen. De minister heeft het bezwaarschrift van de maatschap daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.
3 In verzet is gebleken dat de minister terecht heeft aangevoerd dat uit de met zijn
e-mailbericht van 1 april 2026 overgelegde aanvraagformulieren voor de verlening en vaststelling van de subsidie blijkt dat de maatschap bewust heeft ingestemd met digitale correspondentie. Hierdoor mocht de minister op grond van artikel 2:14, eerste lid, van de Awb de brief van 7 mei 2025 digitaal verzenden. Wat het College hierover in zijn uitspraak van 6 mei 2026 heeft overwogen is daarom in zoverre onjuist. Het verzet moet al om deze reden gegrond worden verklaard.
4 Omdat het verzet gegrond wordt verklaard vervalt de uitspraak van 6 mei 2026 en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
5 Bij dit verdere onderzoek kan het betoog van de minister worden betrokken dat het versturen van een notificatiebericht niet vereist is voor een rechtsgeldige ontvangst en dat de maatschap de digitale ontvangst van de brief van 7 mei 2025 niet betwist. Ter voorlichting van partijen wijst het College er in dat kader op dat het College zich over de (juridische) betekenis van een notificatiebericht ook heeft uitgelaten in zijn uitspraak van 5 november 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:775, onder 6.2).
Beslissing
Het College verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, in aanwezigheid van E.A, van der Meel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026.
w.g. D. Brugman w.g. E.A. van der Meel