COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2026 in de zaak tussen
[naam] , te [woonplaats]
uitspraak
zaaknummer: 25/847
en
de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (voorheen de minister)
(gemachtigde: mr. drs. P.J. Kooiman)
Procesverloop in beroep
[naam] heeft tegen het besluit van 16 september 2025 (bestreden besluit) beroep ingesteld.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De zitting was op 28 juli 2026. Aan de zitting hebben [naam] , vergezeld door haar partner, en de gemachtigde van de staatssecretaris deelgenomen.
Overwegingen
1. Op 6 juni 2025 heeft de staatssecretaris een factuur van € 19,- aan [naam] gestuurd voor een Uniek Bedrijfsnummer (UBN) voor het jaar 2024. Het betreft een retributie voor de aanmelding voor het houden van UBN Huisdieren. [naam] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt door middel van het invullen van een digitaal formulier. Zij heeft bij de motivering van het bezwaar ingevuld: “Wij zijn geen boerenbedrijf maar particulier”. De staatssecretaris heeft met het bestreden besluit het door [naam] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De staatssecretaris heeft op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ervan afgezien [naam] in verband met haar bezwaar te horen.
2 [naam] heeft in beroep aangevoerd dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. De staatssecretaris heeft onvoldoende rekening gehouden met haar persoonlijke situatie en heeft na het bezwaar geen contact met haar opgenomen. Zij heeft geen bedrijf en ook geen UBN aangevraagd. Volgens [naam] is er vermoedelijk iets misgegaan bij de aanmelding van haar huiskat, die zij via een stichting had geadopteerd uit Spanje. [naam] heeft verzocht om vergoeding van haar reiskosten in beroep.
3 Het College oordeelt als volgt. De staatssecretaris heeft weliswaar terecht opgemerkt dat het bezwaar van [naam] erg summier is, maar [naam] heeft op de zitting toegelicht dat zij na ontvangst van de factuur telefonisch contact heeft opgenomen met de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). In het gesprek met een medewerker van de RVO heeft zij gemeld dat de factuur berust op een misverstand en dat zij geen UBN heeft aangevraagd. De medewerker heeft in het gesprek enkel gewezen op de mogelijkheid van bezwaar. Nadat [naam] bezwaar had gemaakt, is er vervolgens geen contact meer met haar opgenomen. Op de zitting heeft de staatssecretaris de toelichting van [naam] niet betwist. Volgens de staatssecretaris wordt er bij binnenkomst van een bezwaarschrift meestal gebeld met de bezwaarmaker, maar dat is in dit geval niet gebeurd, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was en de RVO beschikt over een beperkte capaciteit. Wel was het beter geweest als in dit geval het gesprek met [naam] was aangegaan, zodat ook het door [naam] genoemde misverstand met haar had kunnen worden besproken. Dit was volgens de staatssecretaris zorgvuldiger geweest. Naar het oordeel van het College brengt het zorgvuldigheidsbeginsel in dit geval met zich dat de staatssecretaris bij [naam] navraag had moeten doen om haar bezwaar te verduidelijken, zodat een beter afgewogen beslissing had kunnen worden genomen over (de wijze van afdoening van) het bezwaar. De staatssecretaris heeft dit niet gedaan, zodat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen. Dit betekent dat het bestreden besluit een zorgvuldigheidsgebrek bevat.
4 Het College ziet aanleiding het zorgvuldigheidsgebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. In dat artikel staat dat een besluit, ook als sprake is van een gebrek, in stand kan worden gelaten als aannemelijk is dat de belanghebbende daardoor niet is benadeeld. Daarvan is in dit geval sprake. [naam] heeft in beroep namelijk voldoende gelegenheid gehad haar standpunt toe te lichten en aannemelijk is dat zonder het gebrek een besluit met een gelijke uitkomst zou zijn genomen. Daarbij is het volgende van belang. Het College gaat ervan uit dat [naam] zich op 28 mei 2024 heeft aangemeld voor het in voorraad houden van katten, waarvoor een UBN Huisdieren is toegekend. [naam] heeft op de zitting verklaard dat zij zich de aanmelding niet kan herinneren, maar de staatssecretaris heeft in beroep een schermafbeelding van het (interne) registratiesysteem overgelegd waarop bij ‘datum ingang’ 28 mei 2024 staat. Verder heeft de staatssecretaris op de zitting toegelicht dat hieruit blijkt dat [naam] zelf in het systeem met DigiD heeft ingelogd, in dit systeem de UBN heeft aangevinkt en daarmee de aanvraag heeft ingediend. Het College heeft geen reden om aan die toelichting te twijfelen. Omdat artikel 11 van de Regeling tarieven identificatie en registratie Wet dieren ten tijde van de aanmelding bepaalde dat voor de aanmelding jaarlijks een retributie van € 19,- is verschuldigd, heeft de staatssecretaris met de factuur terecht dit bedrag bij [naam] in rekening gebracht. Anders dan [naam] betoogt, is niet relevant dat zij niet bedrijfsmatig dieren houdt. De retributie is namelijk niet verschuldigd voor het bedrijfsmatig houden van dieren, maar voor de aanmelding die het bedrijfsmatig houden van dieren mogelijk maakt. Dat [naam] alleen de bedoeling had om haar kat uit het buitenland te registreren, doet verder niet af aan de rechtmatigheid van het besluit.
Slotsom
5 Het College zal het beroep ongegrond verklaren. Dit betekent dat de factuur van 6 juni 2025 en het bestreden besluit in stand blijven. In het onder 3 vastgestelde gebrek ziet het College aanleiding om te bepalen dat de staatssecretaris het door [naam] betaalde griffierecht aan haar vergoedt. Verder zal het College de staatssecretaris veroordelen in de door [naam] gemaakte proceskosten in beroep, die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op € 46,34 voor reiskosten per openbaar vervoer.
Beslissing
Het College:
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, in aanwezigheid van mr. M.C. Verviers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026.
w.g. M.M. Smorenburg w.g. M.C. Verviers