COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 22 september 2026 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [vestigingsplaats] ( [naam 1] )
de Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw (Naktuinbouw)
uitspraak
zaaknummer: 25/141
(gemachtigde: [naam 2] )
en
(gemachtigde: mr. M. van der Ven)
Procesverloop in beroep
[naam 1] heeft tegen het besluit van 20 december 2024 (bestreden besluit) beroep ingesteld.
Naktuinbouw heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 25 juni 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen de gemachtigden van partijen en namens Naktuinbouw [naam 3] .
In het mailbericht van [naam 1] van 4 juli 2026 heeft het College geen aanleiding gezien voor heropening van het onderzoek.
Inleiding
1. Naar aanleiding van door [naam 1] bij Naktuinbouw aangevraagde exportinspecties voor partijen planten, plantaardige producten en andere materialen (materiaal) met bestemming Verenigd Koninkrijk heeft Naktuinbouw op 12, 13, 15 en 20 november 2025 inspectierapporten opgesteld. Daarin heeft zij de betreffende partijen afgekeurd en als reden voor de afkeuring vermeld “product voldoet niet aan de basisnorm”.
2 [naam 1] heeft bezwaar gemaakt tegen de inspectierapporten. Volgens hem is ten onrechte vastgesteld dat de partijen niet aan de basisnorm voldoen en zijn zij zonder kenbare goede reden afgekeurd.
3 Met het bestreden besluit heeft Naktuinbouw het bezwaar van [naam 1] ongegrond verklaard. Volgens Naktuinbouw voldoen de geïnspecteerde partijen niet aan de basiseisen, omdat het materiaal niet de vereiste veldkeuring heeft ondergaan. Naktuinbouw wijst erop dat zij de bevoegde autoriteit is voor fytosanitaire inspecties met het oog op de vaststelling of aan de basiseisen wordt voldaan. De (weigering van de) exportcertificering die daar op voortbouwt, is een aangelegenheid van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), waartegen [naam 1] aldaar bezwaar kan maken, aldus Naktuinbouw.
4 Met de brief van 11 februari 2025 heeft Naktuinbouw het bezwaar van [naam 1] , voor zover dat betrekking heeft op exportcertificering, op grond van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doorgezonden naar de NVWA.
Beoordeling van het beroep
5 Het College komt tot de conclusie dat Naktuinbouw het bezwaar van [naam 1] ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Omdat het bezwaar van [naam 1] was gericht tegen de vaststelling door Naktuinbouw dat de partijen niet aan de basisnorm voldoen, en die vaststelling geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, had Naktuinbouw het bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren. Hieronder licht het College dit oordeel toe.
6 Op grond van artikel 8:1 van de Awb, gelezen in verbinding met artikel 7:1 van de Awb, kan een belanghebbende bezwaar maken en beroep instellen tegen een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Een besluit als bedoeld in dat artikellid is een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Dit betekent dat de schriftelijke beslissing van het bestuursorgaan een publiekrechtelijke grondslag moet hebben en erop moet zijn gericht om een bepaald rechtsgevolg – dat wil zeggen een wijziging in de rechtspositie van een betrokkene – tot stand te brengen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 30 november 2021, ECLI:NL:CBB:2021:1022, onder 16).
7 De vaststelling in de inspectierapporten dat de door [naam 1] aangeboden partijen materiaal niet voldoen aan de basisnorm is een feitelijke constatering van de keurmeester van Naktuinbouw. Daarmee is door Naktuinbouw niet beoogd enig (zelfstandig) rechtsgevolg in het leven te roepen of anderszins een rechtsverhouding vast te stellen, te wijzigen of op te heffen. Daarom is in zoverre geen sprake van een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Voor zover het bezwaar van [naam 1] hiertegen was gericht, had Naktuinbouw het niet-ontvankelijk moeten verklaren.
8 Daaraan doet niet af dat de vaststelling dat de aangemelde partijen materiaal niet voldoen aan de basisnorm de grondslag vormt voor de (weigering tot) afgifte van een exportcertificaat voor deze partijen. Die laatste beslissing is er wel op gericht een rechtsgevolg tot stand te brengen, namelijk het rechtgevolg dat de partijen planten, plantaardige materialen of andere producten naar het betreffende land (niet) mogen worden uitgevoerd. De bevoegdheid tot afgifte van een exportcertificaat ligt volgens artikel 100 van Verordening 2016/2031, gelezen in combinatie met artikel 6.3, tweede lid, van de Wet Dieren en het Besluit vaststelling taken Staatssecretaris Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur 2026, bij de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselveiligheid en Natuur (namens hem de NVWA). Om die reden heeft Naktuinbouw het bezwaar van [naam 1] , voor zover dat betrekking had op de (weigering van de) exportcertificering, terecht doorgezonden naar de NVWA (lees: staatssecretaris). De staatsecretaris heeft het bezwaar van [naam 1] over de weigering tot afgifte van exportcertificaten ook in behandeling genomen en met het besluit van 23 mei 2025 vervolgens ongegrond verklaard. In zijn uitspraak van heden heeft het College het beroep van [naam 1] tegen dat besluit ongegrond verklaard (zie de uitspraak van het College in zaak nr. 25/472, ECLI:NL:CBB:2026:427).
Slotsom
9 Het beroep van [naam 1] is gegrond. Het College zal het bestreden besluit vernietigen en zelf in de zaak voorzien door het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk te verklaren. Aan een inhoudelijk oordeel over de vaststelling door Naktuinbouw dat de partijen niet aan de basisnorm voldoen komt het College in deze zaak dus niet toe.
10 Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Wel moet Naktuinbouw het door [naam 1] betaalde griffierecht vergoeden.
Beslissing
Het College:
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, mr. A. van Gijzen en mr. M.L. Noort,
in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.
w.g. D. Brugman w.g. J.W.E. Pinckaers