COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 22 september 2026 in de zaak tussen
[naam 1] B.V. te [vestigingsplaats] ( [naam 1] )
de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
uitspraak
zaaknummer: 25/472
(gemachtigde: [naam 2] )
en
(gemachtigden: mr. E.M.M. Geerligs, mr. drs. P.J. de Vries en [naam 3] ).
Procesverloop
[naam 1] heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 23 mei 2025 (bestreden besluit), waarbij de weigering van de afgifte van fytosanitaire exportcertificaten voor de uitvoer van planten, plantaardige producten en andere materialen (materiaal) uit Nederland naar het Verenigd Koninkrijk (VK) is gehandhaafd.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingezonden.
De zitting was op 25 juni 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen de gemachtigden van partijen.
In het mailbericht van [naam 1] van 4 juli 2026 heeft het College geen aanleiding gezien voor heropening van het onderzoek.
Samenvatting
1 Het gaat in deze zaak om de vraag of de staatssecretaris de afgifte van fytosanitaire exportcertificaten heeft mogen weigeren voor drie zendingen planten voor uitvoer naar het VK, omdat geen voorafgaande officiële controles op de teeltlocaties hebben plaatsgevonden. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend, omdat deze controles door het VK voor import verplicht zijn gesteld en niet hebben plaatsgevonden.
Inleiding
[naam 1] heeft een boomkwekerij en verhandelt planten, plantaardige producten en andere materialen. Hij gebruikt voor zijn boomkwekerij ongeveer honderd percelen en heeft in 2024 slechts vier percelen aangemeld bij Naktuinbouw ter registratie. Zijn overige percelen heeft hij niet aangemeld, omdat hij zich daartoe niet verplicht acht.
[naam 1] heeft in november 2024 bij Naktuinbouw exportinspecties aangevraagd om fytosanitaire exportcertificaten te verkrijgen voor partijen planten met als bestemming het VK. Naktuinbouw heeft op 12, 13, 15 en 20 november 2024 inspectierapporten uitgebracht waarin zij de partijen planten voor export naar het VK heeft afgekeurd. Als reden voor afkeuring staat vermeld ‘product voldoet niet aan de basisnorm’. De vaststelling dat de aangemelde partijen niet voldoen aan de basisnorm vormt de grondslag voor de (weigering tot) afgifte van een exportcertificaat voor deze partijen.
[naam 1] heeft bezwaar gemaakt tegen de inspectierapporten bij Naktuinbouw. Met de brief van 11 februari 2025 heeft Naktuinbouw het bezwaar van [naam 1] , voor zover dat betrekking heeft op exportcertificering, op grond van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doorgezonden naar de staatssecretaris.
De staatssecretaris heeft met het bestreden besluit de weigering tot afgifte van een exportcertificaat voor deze partijen in de inspectierapporten tot de zijne gemaakt en in stand gelaten.
De staatssecretaris heeft in het bestreden besluit uiteengezet dat hij voor (een deel van) de voor export aangeboden planten niet kan verklaren dat deze volgens passende officiële procedures zijn onderzocht en/of getest en vrij zijn van de door het VK gespecificeerde quarantaineorganismen en voldoen aan de geldende fytosanitaire voorschriften van het VK. Het gaat dan met name om de eis dat gedurende een of meer voorafgaande jaren visuele controles op de teeltlocaties moeten zijn uitgevoerd door de bevoegde autoriteit of door de professionele marktdeelnemer onder officieel toezicht van de bevoegde autoriteit. In het bestreden besluit staat hierover het volgende:
“Annex 7
In 'Annex 7 to Great Britain's Phytosanitary Regulation (2019/2072)' (hierna: Annex 7) is een tabel opgenomen, waarin - kort gezegd – wordt beschreven welke specifieke vereisten gelden ten aanzien van de daar genoemde planten, plantaardige producten of andere materialen.
Candidatus Phytoplasma mali
Uit deel A, onder 74, van Annex 7 volgt dat voor 'plants for planting, other than seeds, of Malus mill', afkomstig van 'any third country where 'Candidatus Phytoplasma mali' Seemüller & Schneider is known to occur' geldt dat:
"no symptoms of diseases caused by 'Candidatus Phytoplasma mali' Seemüller & Schneider have been observed on plants at the place of production, or on susceptible plants in its immediate vicinity, since the beginning of the last three complete cycles of vegetation".
U heeft de plantsoort Malus aangeboden met de zendingen waarop de inspectierapporten 1433790 en 1435781 zien. Aangezien er geen controle heeft plaatsgevonden op de productieplaats door de bevoegde autoriteit, kan ik niet officieel verklaren dat er geen symptomen zijn waargenomen op de planten sinds het begin van de laatste drie volledige groeicycli.
Xanthomonas arboricola pruni
Uit deel A, onder 79, van Annex 7, volgt dat voor 'plants for planting, other than seeds, of Prunus L', afkomstig van 'any third country' geldt dat:
"The plants have been derived in direct line from mother plants which have shown no symptoms of Xanthomonas arboricola pv. pruni during the last complete cycle of vegetation and no symptoms of that pest have been observed on the plants at the place of production since the beginning of the last complete cycle of vegetation".
U heeft de plantsoort Prunus aangeboden met de zendingen waarop de inspectierapporten 1433790, 1433782 en 1435781 zien. Dit betekent dat er een controle op de productieplaats plaats had moeten vinden. Aangezien dit niet is gebeurd, kan ik niet officieel verklaren dat de planten in directe lijn afkomstig zijn van moederplanten zonder symptomen en dat de planten tijdens de teelt geïnspecteerd zijn en vrij waren van symptomen.
Annex 5
In 'Annex 5 to Great Britain's Phytosanitary Regulation (2019/2072)' (hierna: Annex 5) staan bepalingen over de maatregelen om de aanwezigheid van gereglementeerde niet quarantaineorganismen (hierna: RNQP’s) op specifieke voor opplant bestemde planten te voorkomen die binnen het VK worden verplaatst of daar worden geïntroduceerd.
Erwinia amylovora
In Annex 5, deel C, onder bacteria, staat bij Erwinia amylovora Burrill Winslow et al. opgenomen dat voor 'plants for planting, other than seeds, of Amelanchier Medik., Chaenomeles Lindl ., Cotoneaster Medik., Crataegus To urn. ex L., Cydonia Mill., Eriobtrya Lindl., Malus Mill., Mespilus Bose ex
Spach, Photinia davidiana Decne., Pyracantha M. Roem., Pyrus L. and Sorbus L.' vereist wordt dat:
"the plants have been grown in a production site that has been visually inspected at an appropriate time during the last growing season for the detection of that pest and plants showing symptoms of that pest, and any surrounding host plants, have been immediately rogued out and destroyed."
U heeft met alle zendingen waar de nu aan de orde zijnde weigeringsbesluiten op zien (1433790, 1433782, 143581 en 1434713) onder meer de gewassen Malus Hybrid, Pyrus en Crataegus aangeboden. Om vast te kunnen stellen dat de planten geen symptomen vertonen van Erwinia amylovora was een visuele controle tijdens het groeiseizoen dus voor alle (nu voorliggende) zendingen een vereiste. Uit de aanhef bij Annex 5 volgt dat deze controles ofwel uitgevoerd moeten worden door de bevoegde autoriteit ofwel door de professionele marktdeelnemer onder officieel toezicht van de bevoegde autoriteit. In dit geval zijn de controles niet uitgevoerd door de bevoegde autoriteit en ook niet door u onder officieel toezicht van de bevoegde autoriteit. Er heeft immers geen toezicht op die productieplaatsen plaatsgevonden.
Tomato Ringspot virus
In Annex 5, deel C, onder, Viruses, viroids, virus-like diseases and phytoplasmas, staat bij Tomato ringspot virus opgenomen dat bij ’plants for planting, other than seeds, of Malus L and Prunus L' opgenomen dat:
"the plants are derived in direct line from material which has been maintained under appropriate conditions and has been subjected, at least once within the last three complete cycles of vegetation, to official testing for Tomato ringspot virus, using appropriate indicators or equivalent methods, and has been found free from the pest, and no symptoms of diseases caused by Tomato ringspot virus have been observed on plants at the place of production, or on susceptible plants in its immediate vicinity, since the beginning of the last complete cycle of vegetation."
U heeft Prunus en Malus aangeboden met de zendingen waarop de inspectierapporten 1433790, 1433782 en 1435781 zien. Ook hiervoor geldt een visuele controle, ofwel door de bevoegde autoriteit ofwel door u onder officieel toezicht van de bevoegde autoriteit. Daarvan is geen sprake geweest.
3 Volgens [naam 1] hadden de planten wel moeten worden (goed)gekeurd voor export naar het VK en had de staatssecretaris exportcertificaten moeten afgeven. Wat hij daartoe in beroep heeft aangevoerd wordt, voor zover relevant, hieronder besproken.
Wettelijk kader
4 De toepasselijke bepaling uit Verordening 2016/2031 is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling
Aan de orde is de vraag of de staatssecretaris de afwijzing van het verzoek tot afgifte van exportcertificaten terecht heeft gehandhaafd. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en licht dit hieronder toe.
Artikel 100 van Verordening 2016/2031 gaat over het fytosanitair certificaat voor uitvoer uit de Europese Unie. Dit artikel bepaalt dat wanneer voor de uitvoer van planten uit het grondgebied van de Unie naar een derde land, volgens de fytosanitaire invoervoorschriften van dat derde land een fytosanitair certificaat vereist is, dat certificaat wordt afgegeven door de bevoegde autoriteit, op verzoek van de professionele marktdeelnemer, indien aan de voorwaarden daarvoor is voldaan. Een van die voorwaarden is volgens artikel 100, eerste lid, onder c, van Verordening 2016/2031 dat de planten voldoen aan de fytosanitaire invoervoorschriften van het betrokken derde land. De in het VK geldende invoereisen staan in Great Britain’s Phytosanitary Regulation (2019/2072).
[naam 1] heeft niet betwist dat alle zendingen waarop de inspectierapporten van 12, 13, 15 en 20 november 2024 zien, een of meer planten(-soorten) bevatten die niet voldeden aan de voorwaarden voor invoer in het VK, als vermeld in het bestreden besluit (zie hierboven punt 2.5), omdat daarop niet de vereiste officiële controles hebben plaatsgevonden. Dat betekent dat de staatssecretaris de exportcertificaten terecht heeft geweigerd. Omdat [naam 1] per zending exportcertificaten heeft aangevraagd, heeft de minister die aanvragen per zending mogen afwijzen. Daarbij betrekt het College dat [naam 1] volgens de staatssecretaris een nieuwe aanvraag om exportcertificaten had kunnen indienen voor de (partijen) planten die wel voldeden aan de voorwaarden voor invoer in het VK. [naam 1] heeft op de zitting nog verklaard dat de laatste zending alleen ging om de plantensoort Liquidambar, maar dit blijkt niet uit de inspectielijst.
Voor zover [naam 1] betoogt dat het niet aan hem maar aan Naktuinbouw is te wijten dat geen (jaarlijkse) officiële controles zijn verricht op zijn percelen, waardoor hij niet voldoet aan de in het VK geldende invoereisen, slaagt dit betoog niet. Het College heeft in de uitspraak van heden in de zaak met nr. 25/690 (ECLI:NL:CBB:2026:428) geoordeeld dat [naam 1] onder de registratieplicht van artikel 65, eerste lid, van Verordening 2016/2031 valt. Voor zover het gaat om een professionele marktdeelnemer die verzoekt om afgifte van exportcertificaten, volgt dat uit artikel 65, eerste lid, onder c, van Verordening 2016/2031. Hij moet daarom bij Naktuinbouw zijn geregistreerd als professionele marktdeelnemer en ook gezien artikel 66 van die verordening al zijn percelen en geteelde planten en eventuele wijzigingen daarin bij Naktuinbouw opgeven. Aan de hand van die opgave verricht Naktuinbouw de controles waartoe zij op grond van haar toezichtstaak is gehouden. [naam 1] heeft niet alle percelen jaarlijks gemeld bij Naktuinbouw met als gevolg dat de staatssecretaris op de niet gemelde percelen geen officiële controles heeft kunnen verrichten. Het is gelet op artikel 100, tweede lid, van Verordening 2016/2031 aan [naam 1] om de staatsecretaris in staat te stellen om na te gaan of aan de invoereisen is voldaan. Door toedoen van [naam 1] zelf is dit niet het geval.
Uit het voorgaande volgt dat de staatssecretaris terecht het verzoek tot afgifte van exportcertificaten heeft afgewezen.
Slotsom
Het College zal het beroep ongegrond verklaren.
De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, mr. A. van Gijzen en mr. M.L. Noort in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.
w.g. D. Brugman w.g. J.W.E. Pinckaers
Bijlage
Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten
Artikel 100
1. Wanneer voor de uitvoer van planten, plantaardige producten of andere materialen uit het grondgebied van de Unie naar een derde land volgens de fytosanitaire invoervoorschriften van dat derde land een fytosanitair certificaat („fytosanitair uitvoercertificaat”) vereist is, wordt dat certificaat afgegeven door de bevoegde autoriteit, op verzoek van de professionele marktdeelnemer, indien is voldaan aan alle volgende voorwaarden:
De bevoegde autoriteit geeft eveneens een fytosanitair uitvoercertificaat af op verzoek van anderen dan de professionele marktdeelnemers, indien is voldaan aan de voorwaarden van de eerste alinea, onder b) en c).
De bevoegdheid tot afgifte van het fytosanitair uitvoercertificaat wordt voor de toepassing van dit lid door de bevoegde autoriteit niet gedelegeerd aan andere personen.
2. Onverminderd de uit hoofde van het IPPC geldende verplichtingen, en rekening houdend met de toepasselijke internationale normen, wordt het fytosanitair uitvoercertificaat afgegeven wanneer de beschikbare informatie de bevoegde autoriteit in staat stelt na te gaan of de betrokken planten, plantaardige producten of andere materialen in overeenstemming zijn met de fytosanitaire invoervoorschriften van het betrokken derde land. Deze informatie kan, naar gelang het geval, afkomstig zijn uit een of meer van de volgende bronnen:
a. a) inspecties, het nemen van monsters van en het uitvoeren van tests op de betrokken planten, plantaardige producten of andere materialen, of op of in de omgeving van de productieplaats daarvan;
b) officiële informatie over de status van de plaag in de productiefaciliteit, op de productieplaats, in het gebied of het land van oorsprong van de betrokken planten, plantaardige producten of andere materialen;
c) een plantenpaspoort als bedoeld in artikel 78 dat de betrokken planten, plantaardige producten of andere materialen vergezelt, indien in dat plantenpaspoort de resultaten van inspecties door de bevoegde autoriteit zijn vermeld;
d) het merkteken van houten verpakkingsmateriaal zoals bedoeld in artikel 96, lid 1, of de verklaringen zoals bedoeld in artikel 99, lid 1;
e) de informatie in het pre-uitvoercertificaat zoals bedoeld in artikel 102;
f) officiële informatie in het fytosanitair certificaat zoals bedoeld in artikel 71, indien de betrokken planten, plantaardige producten of andere materialen uit een derde land zijn binnengebracht op het grondgebied van de Unie.