COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 15 september 2026 in de zaak tussen
[naam] , te [vestigingsplaats] (maatschap)
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
uitspraak
zaaknummer: 25/214
(gemachtigde: W. van der Wijk)
en
(gemachtigden: mr. S. Piron, S. Hirs en mr. P.A.M. Jongenelen)
Procesverloop
De maatschap heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 22 januari 2025 (bestreden besluit) waarbij de minister het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag om subsidie voor de vestiging van jonge landbouwers als bedoeld in Titel 5.9 van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021 (Regeling) voor het jaar 2024 ongegrond heeft verklaard.
De maatschap en de minister hebben nadere stukken ingezonden.
De zitting was op 29 juni 2026. Aan de zitting hebben de gemachtigden van de minister deelgenomen.
Overwegingen
1. De minister heeft op 31 oktober 2025 een (nieuwe) aanvraag van de maatschap om subsidie voor de vestiging van jonge landbouwers voor het jaar 2025 ingewilligd en aan haar een subsidie van € 80.000,- verstrekt. Dit is een subsidie die slechts één keer aan een jonge landbouwer kan worden verstrekt (artikel 5.9.5, eerste lid, aanhef en onder g, van de Regeling). De maatschap heeft desgevraagd te kennen gegeven dat zij het beroep tegen het bestreden besluit intrekt als de door haar gemaakte kosten in verband met de behandeling van het beroep worden vergoed.
2 Naar aanleiding van de brief van de minister van 14 april 2026, waaruit kan worden afgeleid dat hij niet bereid is om de door de maatschap in beroep gemaakte proceskosten uit eigen beweging te vergoeden, heeft het College aan de maatschap medegedeeld dat de zitting van 29 juni 2026 doorgaat en dat op deze zitting onder meer aan de orde zal worden gesteld of de maatschap procesbelang heeft bij de beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit en of aanspraak bestaat op een proceskostenvergoeding. Daarop is geen reactie van de maatschap ontvangen.
3 Het College is niet gebleken dat de maatschap nog een procesbelang heeft bij de beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit. Er is namelijk inmiddels subsidie als bedoeld in Titel 5.9 van de Regeling verstrekt en deze subsidie, ter hoogte van het vaste bedrag van € 80.000,-, kan slechts één keer worden verstrekt. Het maakt daarbij niet uit dat de subsidie betrekking heeft op een later subsidiejaar. Volgens vaste rechtspraak is geen zelfstandig procesbelang gelegen in een verzoek om proceskostenvergoeding. De maatschap heeft geen ander procesbelang gesteld en is ook niet op de zitting verschenen om dat daar te doen, terwijl haar wel was medegedeeld dat deze kwestie daar aan de orde zou worden gesteld. Er hoeft dan ook geen inhoudelijke beoordeling van het beroep plaats te vinden. Dit betekent dat het beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
4 Omdat de minister de subsidie van € 80.000,- heeft verstrekt naar aanleiding van een nieuwe aanvraag van de maatschap voor een opvolgend subsidiejaar, is niet tegemoetgekomen aan het beroep van de maatschap. Voor een proceskostenveroordeling bestaat daarom geen aanleiding.
Beslissing
Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, mr. B. Bastein en mr. P. Glazener, in aanwezigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026.
w.g. J.L.W. Aerts w.g. C.E.C.M. van Roosmalen