COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummers: 25/680 en 25/681
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2026
Voorzitter: mr. D. Brugman
Griffier: N.J. Vlug
Partijen
[naam] , te [woonplaats]
en
de minister van Economische Zaken, vertegenwoordigd door mr. S. Piron
Beslissing
Het College verklaart de beroepen ongegrond.
Overwegingen
1. Op 17 april 2024 heeft [naam] aanvragen ingediend voor subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor de periode juni-september 2020 en voor het derde kwartaal van 2021. De minister heeft die aanvragen afgewezen omdat ze buiten de aanvraagperiode zijn ingediend. [naam] heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt. Op 17 februari 2025 heeft [naam] herzieningsverzoeken ingediend. Ook die verzoeken heeft de minister afgewezen en die afwijzingen in bezwaar gehandhaafd. Daartegen is het beroep gericht.
2 De minister hoeft een besluit dat, zoals hier, onherroepelijk is (geworden), alleen te herzien als sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden of als het evident onredelijk is. Aan die voorwaarden is in dit geval niet voldaan. De minister heeft er daarnaast nog op gewezen dat de periode waarbinnen de minister tijdelijk subsidie mocht verlenen ondanks de staatssteunregels, ten tijde van de aanvragen al geruime tijd was verlopen. Bovendien waren de aanvragen voor subsidie zo laat ingediend - in 2024 - dat de loketten al geruime tijd waren gesloten. Het College is daarom van oordeel dat de minister de herzieningsverzoeken terecht heeft afgewezen. Een beroep op de menselijke maat kan er niet toe leiden dat ondanks alle genoemde belemmeringen toch opnieuw naar de aanvragen moet worden gekeken.
3 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. D. Brugman w.g. N.J. Vlug