ECLI:NL:CBB:2026:437

ECLI:NL:CBB:2026:437

Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak 08-09-2026
Datum publicatie 11-09-2026
Zaaknummer 26/599
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Voorlopige voorziening afgewezen. Geen spoedeisend belang.

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 26/599

uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 september 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam 1] handelend onder de naam [naam 2] , te [woonplaats]

(gemachtigde: mr. N. Wouters)

en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

(gemachtigde: mr. M. Schouten)

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van [naam 1] tegen de last onder dwangsom in verband met door de minister gevorderde gegevens uit de administratie van [naam 1] over het bezit en de locatie van gehouden vogels.

2 Met het bestreden besluit van 10 augustus 2026 heeft de minister op grond van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht aan [naam 1] de last opgelegd om de overtreding van artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb, medewerkingsplicht) te beëindigen door inzage te verschaffen in de gevorderde gegevens uit de administratie. De last onder dwangsom van 10 augustus 2026 heeft een begunstigingstermijn tot en met 14 augustus 2026 waarna per week € 2.500,- wordt verbeurd met een maximum van € 15.000,-. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De dwangsom is nog niet ingevorderd.

3 Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting op grond van 8:83, derde lid, van de Awb. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling van het verzoek

4 Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Bij de beoordeling van een verzoek om een voorlopige voorziening speelt de spoedeisendheid daarom een belangrijke rol. [naam 1] moet goede redenen hebben die maken dat de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht.

5 De voorzieningenrechter heeft verzoeker met het bericht van 17 augustus 2026 gevraagd om te onderbouwen welke spoedeisende belangen het treffen van een voorlopige voorziening vereist en daarbij te betrekken dat nog geen nadeel lijkt te zijn ontstaan omdat nog niet tot invordering van een dwangsom is overgegaan.

6 [naam 1] voert aan dat hij niet aan het informatieverzoek van de minister kan voldoen omdat hij als tussenpersoon in vogels handelt zonder over de gevraagde gegevens te beschikken. Gelet hierop zal de dwangsom wekelijks worden verbeurd tot het bepaalde maximum. Weliswaar heeft de minister nog geen invorderingsbesluit genomen, maar dat gaat wel gebeuren. De invordering van de dwangsom zal leiden tot een faillissement van de onderneming van verzoeker, en, omdat het een eenmanszaak is, ook tot het persoonlijk faillissement van [naam 1] .

7 De voorzieningenrechter stelt vast dat de maximale dwangsom nog niet tot het bepaalde maximum is verbeurd en dat de minister op dit moment nog niet tot de invordering is overgegaan. De minister heeft aangegeven dat als verzoeker alsnog voldoet aan de last, hij op dat moment zal bekijken of invordering van de al verbeurde dwangsommen nog aan de orde is. Aangezien het financiële belang dat [naam 1] benoemt alleen ziet op de financiële gevolgen van een eventueel invorderingsbesluit, is de voorzieningenrechter van oordeel dat hierin geen spoedeisend belang is gelegen bij het treffen van een voorziening. Bovendien is niet gebleken dat de gestelde financiële gevolgen onomkeerbaar zijn. [naam 1] heeft namelijk niet onderbouwd dat invordering tot een (persoonlijk) faillissement zal leiden. [naam 1] kan zijn bedrijf voortzetten door vogels te verhandelen en van die mogelijkheid heeft hij in ieder geval op 31 juli 2026 nog gebruik gemaakt. Omdat de laatste dwangsom op 19 september 2026 wordt verbeurd, kan [naam 1] voor die tijd nog medewerking verlenen om de hoogte van de dwangsom te beperken.

8 Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat [naam 1] geen spoedeisend belang heeft, kan de door hem gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het besluit evident onrechtmatig is. Daarvan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake.

9 Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. M. Ettema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026.

w.g. T. Pavićević w.g. M. Ettema

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M. Ettema

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand