ECLI:NL:CBB:2026:440

ECLI:NL:CBB:2026:440

Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak 15-09-2026
Datum publicatie 14-09-2026
Zaaknummer 24/1039
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBROT:2024:10668

Samenvatting

Hoger beroep. Boetes vanwege het (laten) vervoeren van een varken dat niet geschikt was voor transport, omdat het varken niet in staat was zich op eigen kracht pijnloos te bewegen. Matiging van de aan de vervoerder opgelegde boete.

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

[naam 1] B.V., te [vestigingsplaats 1] , en

uitspraak

zaaknummer: 24/1039

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 september 2026 op het hoger beroep van

[naam 2] B.V., te [vestigingsplaats 1] , (vervoerder)

(samen: de ondernemingen)(gemachtigde: mr. [naam 3] ),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 oktober 2024, kenmerk 23/7041 en 23/7043, in het geding tussen

de ondernemingen

en

de staatssecretaris (voorheen de minister) van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

(gemachtigde: mr. F. Peters van Neijenhof)

Procesverloop in hoger beroep

De ondernemingen hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 30 oktober 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:10668). In deze uitspraak heeft de rechtbank beslist op de beroepen van de ondernemingen tegen de boetebesluiten met de nummers 202300212 en 202300213.

De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zitting was op 30 juli 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: de gemachtigde van de staatssecretaris, bijgestaan door [naam 4] .

Inleiding

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

Op 31 januari 2022 omstreeks 16:45 uur heeft een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Waren Autoriteit (NVWA) regulier toezicht uitgeoefend bij slachthuis [naam 5] te [vestigingsplaats 2] en daarvan op 13 januari 2023 twee rapporten van bevindingen opgemaakt (rapporten van bevindingen I en II):

Naar aanleiding van deze bevindingen heeft de staatssecretaris vastgesteld dat [naam 1] B.V. een varken heeft laten vervoeren en [naam 2] B.V. een varken vervoerde dat niet geschikt was voor transport, omdat het varken niet in staat was zich op eigen kracht pijnloos te bewegen. Volgens de staatssecretaris hebben [naam 1] B.V. en [naam 2] B.V. daarmee een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 4.8 van de Regeling houders van dieren en artikel 3, aanhef en onder b, en artikel 8, eerste lid, respectievelijk artikel 6, derde lid, gelet op Bijlage I, hoofdstuk I paragraaf 1 en 2, onder a, van de Verordening (EG) Nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97 (Verordening 1/2005).

De staatssecretaris heeft [naam 1] B.V. daarvoor met een besluit van 9 juni 2023 (boetebesluit 202300212) een boete opgelegd van € 1.350,-, waarbij het voor deze overtreding geldende standaardboetebedrag is verlaagd vanwege een zorgvuldigheidsgebrek.

Aan [naam 2] B.V. heeft de staatssecretaris met een besluit van eveneens 9 juni 2023 (boetebesluit 202300213) een boete opgelegd van

€ 3.000,-, waarbij het standaardboetebedrag is verhoogd, omdat de B.V. op 15 januari 2021 (boetezaaknummer 202002502) eerder beboet was voor eenzelfde overtreding en er nog geen vijf jaar verlopen waren sinds die eerdere boete onherroepelijk is geworden.

Met de besluiten van 14 september 2023 (bestreden besluit LNV-2023-0196 en bestreden besluit LNV-2023-0197) heeft de staatssecretaris de bezwaren van de ondernemingen tegen de boetebesluiten 202300212 en 202300213 ongegrond verklaard en deze besluiten gehandhaafd. De beroepen bij de rechtbank tegen deze besluiten zijn geregistreerd onder de nummers 23/7041 en 23/7043.

Uitspraak van de rechtbank

2 De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard en daarbij, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen (waarbij voor verweerder: de staatssecretaris en voor eiseressen: de ondernemingen moet worden gelezen):

“6. Eiseressen betwisten een overtreding te hebben begaan. Het betreffende varken is meerdere malen gecontroleerd door een dierenarts. Het had een aangeboren afwijking (het varken mist klauwen aan de linkerachterpoot) maar had geen pijn en kon zich moeiteloos bewegen. Eiseressen verwijzen daarbij naar een verklaring van 13 juli 2023 van dierenarts [naam 6] over het betreffende varken toen het op de locatie in [vestigingsplaats 1] verbleef en een verklaring van 20 oktober 2023 (ondersteund door enkele visitebrieven) van dierenarts [naam 7] die op de locatie in [plaats] , waar het varken daarna verbleef, bij de bedrijfsbezoeken de varkens beoordeelde. Aan deze twee objectieve verklaringen van twee onafhankelijke deskundigen moet grote waarde worden gehecht en de boetes kunnen daarom niet in stand blijven, aldus eiseressen.

Volgens vaste jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb), mag een bestuursorgaan in beginsel uitgaan van de bevindingen in een toezichtrapport, als de controle is verricht en het toezichtrapport is opgemaakt door (een) hiertoe bevoegde toezichthouder(s) en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder kan daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan. Als de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. Daarbij zal doorgaans van belang zijn de wijze waarop de bedoelde waarnemingen in het rapport zijn weergegeven en onderbouwd, alsmede de aard van de waarneming en daarbij in het bijzonder in welke mate die waarneming waarderende elementen kent.

Ter toetsing ligt voor of in voldoende mate vaststaat dat eiseressen een varken hebben vervoerd dan wel laten vervoeren dat niet geschikt was voor het voorgenomen transport, namelijk een varken dat niet in staat was zich op eigen kracht pijnloos te bewegen. Aangezien de constateringen van de toezichthouder pas na het transport zijn gedaan (zoals gebruikelijk is), dient de toezichthouder in het rapport te motiveren dat het dier al voorafgaand aan het transport daarvoor niet geschikt was.

Naar het oordeel van de rechtbank komt uit het rapport van bevindingen voldoende duidelijk naar voren dat het varken niet in staat was zich op eigen kracht pijnloos te bewegen. De toezichthouder beschrijft namelijk dat het varken de klauwen van de linker achterpoot miste en dat op die plek een wond zat. Volgens de toezichthouder kon het varken daardoor niet zonder ongemak en pijn staan en lopen. Dat wordt ook ondersteund door de waarneming van de toezichthouder dat het varken op de klep van de wagen lag en niet kon staan en verder lopen. De toezichthouder heeft in het rapport ook voldoende gemotiveerd dat het varken al voorafgaand aan het transport daarvoor niet geschikt was door te benoemen dat sprake was van een rode, droge, gegranuleerde wond die zich in de tweede tot derde fase van wondgenezing bevond en daarbij te verwijzen naar een bij het rapport gevoegde grafiek waaruit volgt dat pas na tenminste vijf dagen de tweede fase van wondgenezing begint.

In wat eiseressen hebben aangevoerd ziet de rechtbank onvoldoende grond om aan de bevindingen van de toezichthouder te twijfelen. Weliswaar hebben eiseressen verklaringen van twee verschillende dierenartsen overgelegd, maar de inhoud ervan biedt onvoldoende weerlegging van de bevindingen van de toezichthouder over de toestand van het betreffende varken ten tijde van het transport. Dierenarts [naam 6] beschrijft in zijn verklaring dat het varken een aangeboren afwijking aan een poot had maar zich zonder moeite kon verplaatsen en geen verschijnselen van pijn vertoonde. Deze verklaring ziet evenwel op een periode in 2021, toen het varken op de locatie in [vestigingsplaats 1] verbleef, terwijl het transport pas op 31 januari 2022, vanaf de andere locatie, heeft plaatsgevonden. Mogelijk is de door de toezichthouder beschreven wond pas ontstaan nadat het varken naar de locatie in [plaats] was verhuisd. De verklaring van dierenarts [naam 7] ziet wel op de locatie in [plaats] . Blijkens de door haar overgelegde visitebrieven heeft zij vier dagen voor het transport deze locatie nog bezocht. De rechtbank vindt die verklaring echter te algemeen van aard en daarmee onvoldoende twijfel zaaiend over de door de toezichthouder geconstateerde toestand van het betreffende varken. De dierenarts schrijft namelijk dat zij bij elk bedrijfsbezoek de varkens beoordeelt op onder andere welbevinden en gezondheid en dat zij ervan uitgaat dat ook dit varken naar welbevinden en gezondheid geen gebreken vertoonde die aanleiding gaven tot anders handelen. Ook schrijft zij hiermee niet uit te sluiten dat het dier gebreken had, maar dat die dan niet van dien aard kunnen zijn geweest dat er tot euthanasie over gegaan moest worden. Uit deze verklaring blijkt niet dat de dierenarts specifiek het betreffende varken heeft onderzocht. Daarbij is ook relevant dat de bestuurder van eiseressen ter zitting heeft aangegeven dat bij zo’n bedrijfsbezoek de dierenarts een rondje door de stal loopt en dan (onder meer) bepaalt of er varkens zijn die geëuthanaseerd moeten worden en dat op die betreffende locatie ongeveer 5.000 varkens zitten. Uit de omstandigheid dat de dierenarts blijkens een visitebrief van 27 januari 2022 (vier dagen voorafgaand aan het transport) wel een ander varken vanwege kreupelheid heeft geëuthanaseerd kan daarom niet worden geconcludeerd dat de dierenarts dan kennelijk bij het betreffende vervoerde varken geen kreupelheid heeft gezien. Immers, onbekend is of de dierenarts het vervoerde varken specifiek heeft onderzocht. Bovendien, als bij een varken geen reden tot euthanasie wordt gezien, betekent dat nog niet dat het varken dan ook geschikt moet worden geacht voor transport.

Gelet op het voorgaande mocht verweerder uitgaan van de juistheid van de in het rapport beschreven bevindingen. Verweerder heeft op basis van dit rapport terecht geconcludeerd dat eiseressen een varken hebben vervoerd dan wel laten vervoeren dat zich niet op eigen kracht pijnloos kon voortbewegen en daarmee niet geschikt was voor het transport. Verweerder heeft dus terecht vastgesteld dat eiseressen de overtredingen hebben begaan en was bevoegd hen daar een boete voor op te leggen. In de Bijlage bij de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren is de boete voor deze overtreding vastgesteld op € 1.500,-. De wetgever heeft dus reeds een afweging gemaakt welke boete bij deze overtreding evenredig moet worden geacht. De hoogte van dit standaardboetebedrag acht de rechtbank als zodanig niet onredelijk. Het met de Transportverordening gediende doel - het waarborgen van dierenwelzijn - staat voorop. Vanwege een zorgvuldigheidsgebrek heeft verweerder de boete voor eiseres 1 gematigd naar € 1.350,-. De boete voor eiseres 2 heeft verweerder verhoogd naar € 3.000,- omdat sprake is van recidive; dit is in overeenstemming met artikel 2.5 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren. De rechtbank stelt vast dat eiseressen geen gronden hebben gericht tegen de hoogte van de boetes. Evenmin is de rechtbank gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan verweerder de boetes had moeten matigen dan wel had moeten afzien van de oplegging van de boetes. De rechtbank vindt de opgelegde boetes evenredig.”

Wettelijk kader

3 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling van het hoger beroep

4 Het College overweegt dat het hoger beroep van de ondernemingen is gericht tegen een uitspraak waarin de rechtbank een gemotiveerd oordeel over de beroepsgronden van de ondernemingen en het verweer van de staatssecretaris heeft gegeven. De ondernemingen hebben in hoger beroep eerder naar voren gebrachte standpunten herhaald en niet (gemotiveerd) te kennen gegeven waarom de uitspraak van de rechtbank volgens hen niet juist is. Het College volstaat daarom met verwijzing naar de overwegingen en het oordeel van de rechtbank.

5 Hoewel de ondernemingen geen gronden hebben gericht tegen de hoogte van de boetes en niet om matiging van de boetes hebben verzocht, heeft de staatssecretaris het College op de zitting verzocht om de boete die met boetebesluit 202300213 is opgelegd aan de vervoerder te matigen met 10%. Het College komt aan dit verzoek tegemoet en zal gelet hierop deze boete verlagen tot een bedrag van € 2.700,-.

6 Het College beoordeelt onder verwijzing naar zijn uitspraak van 14 januari 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:7, onder 6.1), ambtshalve of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. Dat is niet het geval.

Slotsom

7 In verband met het verzoek van de staatssecretaris zal het College de uitspraak vernietigen voor zover deze ziet op de hoogte van de boete die aan de vervoerder is opgelegd in boetebesluit 202300213, het boetebesluit in zoverre herroepen en het boetebedrag vaststellen op € 2.700,-. Het College zal de uitspraak van de rechtbank voor het overige bevestigen.

8 Het College veroordeelt de staatssecretaris in de door de vervoerder gemaakte proceskosten in hoger beroep. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift; waarde per punt € 934,- en wegingsfactor 1). Het College ziet geen aanleiding voor een veroordeling van de staatssecretaris in de proceskosten in bezwaar en beroep, omdat het boetebesluit niet wordt herroepen wegens een aan de staatssecretaris te wijten onrechtmatigheid.

De staatssecretaris wordt opgedragen het door de vervoerder betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

Het College:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover het de hoogte van de boete in boetebesluit 202300213 betreft;

- verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep van de vervoerder tegen het bestreden besluit LNV-2023-0197 in zoverre gegrond;

- vernietigt dit besluit voor zover het de hoogte van de boete in boetebesluit 202300213 betreft;

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. F.J.J. van West de Veer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026.

w.g. R.W.L. Koopmans w.g. F.J.J. van West de Veer

Bijlage

Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97

Artikel 3 Algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren

Het is verboden dieren te vervoeren of te laten vervoeren op zodanige wijze dat het de dieren waarschijnlijk letsel of onnodig lijden berokkent.

Bovendien moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:

[…]

b. de dieren zijn geschikt voor het voorgenomen transport;

[…]

Artikel 6 Vervoerders

[…]

3. De vervoerders vervoeren de dieren in overeenstemming met de technische voorschriften in bijlage I.

[…]

Artikel 8 Houders

1. De houders van dieren op de plaats van vertrek, overlading of bestemming zorgen ervoor dat de technische voorschriften van bijlage I, hoofdstuk I, en hoofdstuk III, afdeling I met betrekking tot het vervoer van dieren nageleefd worden.

[…]

BIJLAGE I TECHNISCHE VOORSCHRIFTEN (als bedoeld in artikel 6, lid 3, artikel 8, lid 1, en artikel 9, lid 1, en lid 2, onder a))

HOOFDSTUK I GESCHIKTHEID VOOR VERVOER

1. Alleen dieren die geschikt zijn voor het voorgenomen transport mogen worden vervoerd, en de vervoersomstandigheden moeten van dien aard zijn dat de dieren geen letsel of onnodig lijden kan worden berokkend.

2. Gewonde, zwakke en zieke dieren worden niet in staat geacht te worden vervoerd, met name in de volgende gevallen:

a. a) wanneer de dieren niet in staat zijn zich op eigen kracht pijnloos te bewegen of zonder hulp te lopen;

[…]

Wet dieren

Artikel 6.2 Strafbaarstelling overtredingen EU-verordeningen en EU-besluiten

1. Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen en EU-besluiten betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.

[…]

Artikel 8.6 Definities

1. In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. overtreding: gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens:

[…]

2°.een van de bepalingen, bedoeld in onderdeel a, in samenhang met de artikelen 6.2, eerste lid, […];

overtreder: degene die de overtreding pleegt of mede pleegt.

2 Indien een overtreding is gepleegd door een rechtspersoon, wordt onder overtreder mede verstaan: degene die tot de overtreding opdracht heeft gegeven of daaraan feitelijk leiding heeft gegeven.

Artikel 8.7 Bevoegdheid

Onze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.

Artikel 8.8 Hoogte bestuurlijke boete

1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete die voor een overtreding of voor categorieën van overtredingen kan worden opgelegd.

Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren

Artikel 2.2 Boetecategorieën

1. De hoogte van de bestuurlijke boete die Onze Minister aan een overtreder voor een overtreding kan opleggen wordt overeenkomstig de volgende boetecategorieën vastgesteld:

[…]

b. categorie 2: € 1500;

[…]

Artikel 2.5 Recidive

1. Indien ten tijde van het begaan van een overtreding nog geen vijf jaren zijn verstreken sinds een eerder aan de overtreder opgelegde bestuurlijke boete voor eenzelfde overtreding onherroepelijk is geworden, is de bestuurlijke boete gelijk aan de som van de op grond van de artikelen 2.2, 2.3 en 2.4 voor de overtreding op te leggen bestuurlijke boete en de voor die eerdere overtreding opgelegde bestuurlijke boete.

Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren

Artikel 1.2 Indeling categorieën bestuurlijke boete

De hoogte van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van het besluit, wordt vastgesteld overeenkomstig de bedragen die horen bij de boetecategorieën die in de bijlage bij deze regeling voor desbetreffende overtredingen zijn vastgelegd.

Bijlage als bedoeld in artikel 1.2 van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren

Regeling houders van dieren Categorie

Artikel 4.8, voor zover dat artikel betrekking heeft op

de artikelen 3,4,5,6,7,8,9 en 12 alsmede Bijlage I,II en IV,

voor zover genoemd in de genoemde artikelen, van

verordening (EG) nr. 1/2005 2

Regeling houders van dieren

Artikel 4.8 Verbodsbepalingen

Als voorschriften als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet, worden aangewezen de artikelen:

–3 tot en met 9 en 12, van verordening (EG) nr. 1/2005;

–4, eerste en derde lid, en 5, van verordening (EG) nr. 1255/97

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand