COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 september 2026 in de zaak tussen
Maatschap [naam 1] , te [vestigingsplaats] (maatschap)
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Klimaat
uitspraak
zaaknummer: 25/229
(gemachtigde: mr. [naam 2] )
en
(gemachtigden: mr. S.H.B. van der Zalm en mr. [naam 3] )
Procesverloop
De maatschap heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 4 februari 2025 (bestreden besluit).
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De maatschap heeft een nader stuk ingediend.
De zitting was op 10 augustus 2026. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.
Inleiding
1. Met de Gecombineerde opgave van 19 mei 2024 heeft de maatschap zich aangemeld voor deelname aan de basispremie, extra betaling eerste veertig hectare en de eco-regeling voor het jaar 2024 en een aanvraag ingediend voor subsidie voor de premie voor de brede weersverzekering.
2 Met het besluit van 16 augustus 2024 heeft de minister de maatschap op grond van respectievelijk de Uitvoeringsregeling GLB 2023 en de Regeling Europese EZK- en
LNV-subsidies 2021 meegedeeld dat haar aanmelding en subsidieaanvraag te laat zijn ontvangen. Daarom kan de maatschap voor het jaar 2024 geen steun aanvragen op grond van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 en is haar subsidieaanvraag afgewezen.
3 Met het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van de maatschap ongegrond verklaard.
Beoordeling van het beroep
Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) 2023 van de Europese Unie is, voor zover hier van belang, vastgelegd in Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 en Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021. De nationale invulling ervan is neergelegd in de Uitvoeringsregeling GLB 2023.
In de Uitvoeringsregeling GLB 2023 zijn de regels rondom het aanvragen vanGLB-steun ten opzichte van eerdere jaren veranderd. In de jaren 2023 en 2024 moet de landbouwer eerst een aanmelding indienen om in aanmerking te komen voor GLB-steun voordat hij een definitieve aanvraag kan doen. De aanmelding kon voor het aanvraagjaar 2024 vanaf 1 maart tot en met 15 mei 2024 worden ingediend in een Gecombineerde opgave. Dit staat in artikel 10, eerste en zevende lid van de Uitvoeringsregeling GLB 2023. De minister heeft die aanmeldtermijn op 14 mei 2024 verlengd tot 17 mei 2024, omdat het systeem overbelast was geraakt door het grote aantal Gecombineerde opgaves dat nog moest binnenkomen (brief van de minister aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 27 juni 2024, DGA-EIA / 62947830).
In de Gecombineerde opgave kan (ook) een subsidie worden aangevraagd in de vorm van een financiële bijdrage voor de premie voor de brede weersverzekering. Dit staat in artikel 5.5.2, tweede lid, van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies en in artikel 2, derde lid, onder a, van de Regeling landbouwtelling en gecombineerde opgave 2024. Artikel 3, tweede lid, van de Regeling landbouwtelling en gecombineerde opgave 2024 bepaalt dat de Gecombineerde opgave uiterlijk op 15 mei 2024 ingevuld en ondertekend bij de minister moet worden ingediend. Omdat de subsidieaanvraag voor een tegemoetkoming premie brede weersverzekering in dezelfde Gecombineerde opgave wordt aangevraagd, geldt volgens de minister dezelfde (verlengde) indieningsdatum van 17 mei 2024.
5 Vast staat dat de maatschap haar aanmelding voor deelname aan de basispremie, extra betaling eerste veertig hectare en de eco-regeling voor het jaar 2024 en haar aanvraag voor subsidie voor de premie voor de brede weersverzekering op 19 mei 2024 en dus te laat heeft ingediend. Het stellen van de uiterste datum (op 15 mei 2024 met een verlenging tot 17 mei 2024) om de aanmelding en de aanvraag in te dienen dient meerdere legitieme doelen, waaronder het belang van de minister om de grote hoeveelheid aanmeldingen en aanvragen binnen de termijn te ontvangen teneinde tot een zorgvuldige beoordeling en correcte afwikkeling ervan te komen. Dat, zoals de maatschap aanvoert, een verlenging van de uiterste termijn naar 19 mei 2024 meer tijd voor landbouwers had geboden om de melding te doen en de subsidieaanvraag in te dienen zonder dat de belangen van de minister in het geding zouden zijn gekomen omdat in het weekend geen controles worden uitgevoerd of ingepland, betekent niet dat de minister daartoe ook gehouden was. Uit de hiervoor weergegeven regelgeving was voor landbouwers als de maatschap duidelijk dat de uiterste datum 15 mei 2024 was. Daarbij komt dat de minister de maatschap met een brief van 1 mei 2024 nog erop heeft gewezen dat zij een uitnodiging heeft gekregen om de Gecombineerde opgave 2024 te doen, dat de minister deze nog niet heeft ontvangen, dat zij nog tot en met 15 mei 2024 gelegenheid heeft om haar opgave te doen en dat zij daarmee beter niet kan wachten tot 15 mei 2024 omdat de verwachting is dat veel mensen de opgave vlak voor 15 mei 2024 gaan versturen waardoor de kans bestaat dat het systeem overbelast raakt. Voor de minister was die overbelasting van het systeem vervolgens aanleiding de uiterste datum te verlengen tot 17 mei 2024.
De maatschap voert aan dat de te late aanmelding het gevolg is van uitzonderlijke omstandigheden. Door extreem natte weersomstandigheden ontstond wateroverlast en ook was sprake van een hoge ziektedruk. Verder was er door het vochtige weer sprake van schimmel die de oogst dreigde te vernietigen. Hierdoor moest met spoed worden opgetreden om te voorkomen dat de gehele oogst verloren zou gaan. Mede daardoor is het indienen van de Gecombineerde opgave 2024 met twee dagen vertraagd. De maatschap doet een beroep op overmacht en de hardheidsclausule en vindt het onevenredig dat zij door de te late indiening van de Gecombineerde opgave 2024 een bedrag van € 20.000,- misloopt.
Dit betoog slaagt niet. De situatie van de maatschap rechtvaardigt geen succesvol beroep op overmacht en uitzonderlijke omstandigheden. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) (zie onder meer het arrest van 11 juli 2002, Käserei Champignon Hofmeister, C-210/00, ECLI:EU:C:2002:440, punt 79) moet het begrip “overmacht” inzake landbouwverordeningen aldus worden uitgelegd, dat zich abnormale en onvoorzienbare omstandigheden hebben voorgedaan, die vreemd zijn aan degene die zich erop beroept, en waarvan de gevolgen in weerwil van alle mogelijke voorzorgen niet hadden kunnen worden vermeden. Van een dergelijke situatie is hier geen sprake. Zoals hiervoor overwogen wist de maatschap dat zij de aanmelding uiterlijk op 15 mei 2024 moest doen en de subsidieaanvraag uiterlijk op die datum moest indienen en is zij daar op 1 mei 2024 ook nog eens op gewezen. Dat wat de maatschap aanvoert komt in wezen erop neer dat de te late aanmelding voortkwam uit drukte op haar bedrijf, wat voor haar rekening en risico komt. Verder kan de minister op grond van artikel 48 van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 afwijken van de aanmeldtermijn voor zover de toepassing, gelet op het doel ervan, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (de hardheidsclausule). Van een dergelijke onbillijkheid is hier geen sprake. Die te late aanmelding hield ook geen verband met het chaotische verloop van de aanmeldfase door problemen op het gebied van techniek en communicatie, zoals die speelden in het aanvraagjaar 2023. Hierin verschilt de situatie van de maatschap ook van de situatie die heeft geleid tot een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in de uitspraak van 14 januari 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:8). Voor het oordeel dat aan het financiële belang van de maatschap meer gewicht moet worden toegekend dan aan de legitieme doelen waarop de minister zich heeft beroepen, ziet het College geen grond. Van strijd met het evenredigheidsbeginsel is dan ook geen sprake. Dat de Uitvoeringsregeling GLB 2023 geen kortingsperiode meer kent, verandert dit niet (zie de uitspraak van het College van 17 maart 2026, ECLI:NL:CBB:2026:109). Voor zover de maatschap onder verwijzing naar rechtspraak over verschoonbare termijnoverschrijding aanvoert dat ten onrechte geen maatwerk is geleverd, moet worden geoordeeld dat het hier niet gaat om het te laat aanwenden van een rechtsmiddel. De feitelijke omstandigheden die de maatschap in dit kader naar voren heeft gebracht, heeft het College hiervoor al besproken (vergelijk de uitspraak van het College van 14 januari 2025, ECLI:NL:CBB:2025:9).
7 Het College zal het beroep ongegrond verklaren. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.
w.g. A. Venekamp w.g. C.E.C.M. van Roosmalen