COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 september 2026 in de zaak tussen
[naam] B.V., te [vestigingsplaats] (onderneming)
de minister van Economische Zaken
uitspraak
zaaknummer: 25/703
(gemachtigden: B.J. Hoeve en B. Bosgraaf)
en
(gemachtigde: mr. S. Piron)
Procesverloop
De onderneming heeft tegen het besluit van de minister van 22 juli 2025 (bestreden besluit) beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 27 augustus 2026. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.
Waar gaat deze zaak over?
Op 19 augustus 2020 heeft de minister op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 (TVL) een subsidie van € 22.910,26 aan de onderneming verleend voor de periode juni-september 2020.
Ten behoeve van de vaststelling van de subsidie heeft de minister op 5 juli 2021, op 20 juli 2021 en op 4 augustus 2021 aan de onderneming gevraagd om een officiële uitdraai uit een administratiesysteem in te dienen waaruit de omzet uit het tweede en derde kwartaal van 2019 en het tweede en derde kwartaal van 2020 blijkt. Omdat de onderneming dit niet heeft gedaan, is de minister voor de berekening van de omzet uitgegaan van de gegevens zoals die bekend waren bij de Belastingdienst en niet van de door de onderneming opgegeven omzet. Vervolgens heeft de minister op 17 augustus 2021 de subsidie vastgesteld op € 6.266,75 en de te veel betaalde voorschotten teruggevorderd.
Met het besluit van 27 januari 2022 heeft de minister het bezwaar tegen dit besluit (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard omdat het zonder goede reden buiten de termijn was ingediend. Tegen dit besluit heeft de onderneming geen beroep ingesteld.
2. Op 25 november 2022 heeft de onderneming een eerste herzieningsverzoek ingediend. De minister heeft dat verzoek afgewezen en die afwijzing in bezwaar gehandhaafd. Het College heeft het beroep van de onderneming tegen de beslissing op bezwaar op 9 december 2024 ongegrond verklaard (ECLI:NL:CBB:2024:942).
3. Op 12 mei 2025 heeft de onderneming opnieuw een herzieningsverzoek ingediend. De minister heeft ook dit verzoek afgewezen. Met het bestreden besluit heeft de minister de afwijzing in bezwaar gehandhaafd.
Beoordeling van het beroep
4. Volgens de onderneming is het bestreden besluit een misstap. De onderneming heeft een kleine vergissing gemaakt in de btw-aangifte over het derde kwartaal van 2019. Daardoor is de TVL-subsidie waar zij eigenlijk recht op heeft ten onrechte teruggevorderd. Kennelijk is dat eerder in de procedure door niemand begrepen, of door de onderneming niet goed uitgelegd. In haar aanvraag heeft zij de juiste omzet voor het derde kwartaal van 2019 vermeld. Bovendien heeft zij in reactie op het verzoek van de minister een document overgelegd met daarin een opsomming van alle facturen die aansluiten bij de opgegeven omzet. Ook heeft de onderneming, nadat zij de fout had ontdekt, op 7 december 2021 een suppletieaangifte gedaan.
5. Bij een verzoek om herziening is een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd om het verzoek inhoudelijk te behandelen. Daarbij zal het bestuursorgaan het oorspronkelijke besluit in volle omvang heroverwegen en kan het bestuursorgaan het verzoek inwilligen of afwijzen. Een bestuursorgaan mag dit ook als de aanvrager aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Het bestuursorgaan kan er ook voor kiezen om het verzoek af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Daarmee geeft het bestuursorgaan dan overeenkomstige toepassing aan artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dat geval toetst de bestuursrechter of het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als dat zo is, kan het ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden de afwijzing van het verzoek om herziening in beginsel dragen. Dit is anders als de weigering door het bestuursorgaan om terug te komen van een eerder besluit evident onredelijk is (vergelijk (onder 6 van) de uitspraak van het College van 3 november 2020, ECLI:NL:CBB:2020:781, (onder 4.1 van) de uitspraak van 3 december 2024, ECLI:NL:CBB:2024:876 en (onder 2.1-2.2 van) de uitspraak van 4 maart 2025, ECLI:NL:CBB:2025:71).
6. Het College oordeelt dat de minister het herzieningsverzoek terecht heeft afgewezen. Het College verwijst daartoe in de eerste plaats naar zijn eerdere uitspraak van 9 december 2024. In die uitspraak heeft het College geoordeeld dat de suppletieaangifte geen nieuw feit of veranderde omstandigheid is, dat er geen sprake is van een kennelijke misslag en dat de afwijzing van het (eerste) herzieningsverzoek niet evident onredelijk is. Het College stelt vast dat de onderneming geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd ten opzichte van de vorige procedure. Er is daarom geen reden om nu tot een ander oordeel te komen. Daarbij merkt het College nog op dat de minister niet verantwoordelijk gehouden kan worden voor een misslag van de onderneming zelf. Tenslotte wijst het College erop dat de herzieningsprocedure niet bedoeld is als een verkapte procedure tegen een besluit dat rechtens onaantastbaar is geworden (zie onder 3.2 van de uitspraak van 4 maart 2025). De herzieningsprocedure is er ook niet voor bedoeld een onherroepelijke uitspraak over een herzieningsverzoek opnieuw ter discussie te stellen.
7. Het College zal het beroep ongegrond verklaren. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.
w.g. D. Brugman w.g. A.A. Dijk