COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 22 september 2026 in de zaak tussen
Melkveebedrijf [naam] V.O.F, te [vestigingsplaats] (melkveebedrijf)
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
uitspraak
zaaknummer: 25/646
(gemachtigde: ing. G. Kon)
en
(gemachtigde: C. Zieleman)
Procesverloop in beroep
Het melkveebedrijf heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van 18 juli 2025.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 14 juli 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: de gemachtigden van partijen.
Inleiding
1. Het melkveebedrijf heeft voor het jaar 2024 subsidie aangevraagd op grond van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies, Titel 2.19 Behoud graslandareaal (Regeling).
Met het besluit van 15 oktober 2024 heeft de minister subsidie verleend en met het besluit van 8 mei 2025 de subsidie vastgesteld. Het bezwaar tegen het vaststellingsbesluit heeft de minister met het besluit van 18 juli 2025 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2 De minister heeft bij de bepaling van de hoogte van het subsidiebedrag een plafond toegepast van € 20.000,- over een periode van drie jaar. Omdat het melkveebedrijf in 2023 al een bedrag van € 8.149,44 aan subsidie had ontvangen, is de subsidie voor 2024 verleend en vastgesteld op een bedrag van € 11.850,56.
3 Volgens het melkveebedrijf had de minister bij de vaststelling een plafond van € 50.000,- moeten toepassen en de subsidie moeten vaststellen op € 21.352,-. Per 16 december 2024 is namelijk het plafond in Verordening (EU) 1408/2023 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector (landbouw de-minimisverordening) verhoogd naar € 50.000,- over een periode van drie jaar. De subsidie is vastgesteld na 16 december 2024 en daarom had de minister volgens het melkveebedrijf het verhoogde plafond moeten toepassen.
Beoordeling van het beroep
4 Aan de orde is de vraag of de minister een plafond van € 50.000,- had moeten toepassen bij het vaststellen van de subsidie voor het melkveebedrijf voor het jaar 2024. Het College beantwoordt deze vraag ontkennend en licht dit hieronder toe.
5 In de periode van 12 juli 2024 tot 12 juli 2025 luidde artikel 2.19.4, vierde lid, van de Regeling als volgt:
"De hoogte van de subsidie wordt voor het betreffende jaar naar beneden bijgesteld voor zover blijkens de door de landbouwer ingevulde verklaring landbouw de-minimissteun, als gevolg van de verlening van de subsidie, het de-minimis plafond, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de landbouw de-minimisverordening zoals dat luidde op 9 juli 2024, overschreden zou worden."
6 Op 9 juli 2024 gold op grond van artikel 3, tweede lid, van de landbouw de-minimisverordening een plafond van € 20.000,-. Hieruit volgt dat zowel op het moment van de verlening van de subsidie op 15 oktober 2024, als op het moment van de vaststelling van de subsidie op 8 mei 2025 op grond van de Regeling een plafond van € 20.000,- gold. Het betoog van het melkveebedrijf dat het verleningsbesluit vermeldt dat de definitieve hoogte van de subsidie nog wordt vastgesteld, zodat de subsidieaanspraak bij het vaststellingsbesluit is ontstaan en daarom toen het verhoogde plafond van € 50.000,- gold, kan om de volgende redenen niet worden gevolgd. Die wijziging in de landbouw de-minimisverordening per 16 december 2024 geeft voor ondernemingen namelijk geen aanspraak op het bedrag van het plafond. Het plafond is alleen de grens tot welk bedrag steunmaatregelen zijn vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting die geldt voor een lidstaat op grond van artikel 108, derde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (zie ook artikel 3, eerste lid, van de landbouw de-minimisverordening). Anders dan het melkveebedrijf aanvoert, gaat de verhoging van het de-minimis plafond daarom niet boven artikel 2.19.4, vierde lid, van de Regeling. Evenmin kan het betoog over de onmiddellijke werking van de verhoging van het plafond worden gevolgd, omdat in artikel 3, vierde lid, van de landbouw de-minimisverordening is bepaald dat de steun geacht wordt te zijn verleend op het tijdstip waarop de onderneming krachtens de nationale wet- en regelgeving een wettelijke aanspraak op steun verwerft. Dat is, anders dan het melkveebedrijf stelt, de datum van de verlening van de subsidie en niet pas die van de vaststelling. De steun was dus in dit geval al verleend voordat het plafond werd verhoogd.
7 Het College zal het beroep ongegrond verklaren.
8 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Glerum, mr. J.L. Verbeek en mr. J.J. van der Helm, in aanwezigheid van mr. I.C. Hof, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.
w.g. M.P. Glerum w.g. I.C. Hof