COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 22 september 2026 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [vestigingsplaats] (landbouwbedrijf)
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
uitspraak
zaaknummer: 24/933
(gemachtigde: G.J. Dokter)
en
(gemachtigden: mr. R.P.R. van Winkel en mr. S.H.B. van der Zalm)
Procesverloop in beroep
Het landbouwbedrijf heeft tegen het besluit van 16 september 2024 (bestreden besluit) beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 20 augustus 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 2] , namens het landbouwbedrijf, en de gemachtigden van partijen.
Inleiding
Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) 2023 van de Europese Unie is, voor zover hier van belang, vastgelegd in Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021. De nationale invulling ervan is neergelegd in de Uitvoeringsregeling GLB 2023.
De eco-regeling is een nieuw element van het GLB 2023. De eco-regeling ziet op betalingen bovenop de basisinkomenssteun. Zij is bedoeld om gericht duurzame landbouwactiviteiten te belonen en zo de nieuwe GLB-doelen te behalen. De vijf eco-doelen zijn: klimaat, bodem en lucht, water, landschap en biodiversiteit. Voor elk van deze vijf doelen kan de landbouwer punten verdienen. De landbouwer moet voor elk eco-doel afzonderlijk voldoende punten halen om in aanmerking te komen voor de extra betaling voor de eco-regeling. Daarnaast is aan iedere eco-activiteit een waarde per hectare gekoppeld, die wordt behaald door het uitvoeren van eco-activiteiten. De waarde per hectare op bedrijfsniveau bepaalt – als de drempel daarvoor is behaald – de hoogte van het tarief dat voor de betaling wordt gehanteerd: brons, zilver of goud. Met die betaling worden landbouwers beloond voor het in stand houden van natuurlijke rijkdommen en het leveren van publieke goederen van algemeen nut die niet in de marktprijzen tot uiting komen.
Het landbouwbedrijf heeft met de Gecombineerde opgave van 14 november 2023 onder meer een aanvraag ingediend voor de eco-regeling voor het jaar 2023. Hij heeft daartoe het perceel 261 opgegeven voor de eco-activiteit ‘groene braak’.
Met het besluit van 4 juni 2024 heeft de minister op grond van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 de aanvraag voor de extra betaling voor de eco-regeling toegewezen op het niveau van tarief zilver. De minister heeft voor de eco-activiteit ‘groene braak’ op perceel 261 (perceel) wel de punten maar geen waarde toegekend, omdat het landbouwbedrijf voor dit perceel in het kader van Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb) het beheerpakket ‘19a - Kruidenrijke akkerrand 1 juni tot 15 augustus, minimaal 90% bedekking’ heeft uitgevoerd (ANLb-activiteit). Met het bestreden besluit heeft de minister dat besluit gehandhaafd.
Standpunten van partijen
Het landbouwbedrijf voert in beroep aan dat de minister ten onrechte geen waarde heeft toegekend voor de eco-activiteit op het perceel. De minister had uit coulance ook de waarde moeten toekennen aan deze eco-activiteit. In dat verband is van belang dat de minister hem er duidelijker op had moeten wijzen dat er overlap was tussen de ANLb-activiteit en eco-activiteit ‘groene braak’, zeker omdat 2023 het eerste jaar was dat de eco-regeling werd toegepast. Als hij had geweten dat er sprake was van overlap, dan had hij geen ANLb-activiteit aangevraagd op dit perceel. In de door hem ingediende Gecombineerde opgave 2023 stond aangegeven dat hij voor de eco-regeling het niveau van tarief goud had behaald. De enkele vermelding in die Gecombineerde opgave dat de minister nog controleert of de percelen voldoen aan de voorwaarden en dat de berekeningen in het overzicht in sommige gevallen niet kloppen, was onvoldoende duidelijk. Anders dan voor de opvolgende jaren waarin voor bepaalde eco-activiteiten in de Gecombineerde opgave wel wordt aangegeven dat sprake is van overlap met een ANLb-activiteit, bestonden die specifiekere meldingen voor 2023 nog niet.
De minister stelt zich op het standpunt dat hij terecht geen waarde heeft toegekend voor de eco-activiteit op het perceel. Volgens hem is voldoende gecommuniceerd dat cumulatie van bepaalde eco-activiteiten en ANLb-activiteiten wel, en van andere eco-activiteiten en ANLb-activiteiten niet is toegestaan. Uit artikel 26, derde lid, van de Uitvoeringsregeling GLB 2023, volgt dat geen waarde wordt toegekend aan een eco-activiteit van een perceel als op hetzelfde perceel een ANLb-activiteit wordt uitgevoerd voor eenzelfde handeling. Daarnaast heeft de minister landbouwers op verschillende wijzen geïnformeerd, waaronder op zijn website en in de Gecombineerde opgaven. In door hem (op de website van RVO) gepubliceerde cumulatietabellen is vermeld welke eco-activiteiten en welke ANLb-activiteiten wel en niet mogen cumuleren. Het landbouwbedrijf had dus relatief eenvoudig kunnen achterhalen of de ANLb-activiteiten en de gewenste eco-activiteiten mochten cumuleren. Verder is de weergave in de Gecombineerde opgave gebaseerd op de door het landbouwbedrijf opgegeven activiteiten. De daadwerkelijke waarde wordt bepaald na controle of de landbouwer heeft voldaan aan alle voorwaarden voor de opgegeven eco-activiteiten. Dit is ook vermeld in de Gecombineerde opgave. De minister ziet geen reden om in de omstandigheden van dit geval coulance toe te passen.
Beoordeling van het beroep
Artikel 26 van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 gaat over de combinatie van activiteiten. Het derde lid bepaalt dat, indien naast een aanvraag om uitbetaling voor het uitvoeren van een eco-activiteit voor dezelfde handeling op hetzelfde perceel tevens een aanvraag wordt gedaan om uitbetaling in het kader van de subsidieregelingen ANLb, voor de eco-activiteit geen waarde wordt toegekend. De strekking van deze bepaling is het voorkomen van dubbele financiering (zie de toelichting op de Uitvoeringsregeling GLB 2023, Stcrt. 2022, nr. 29696-n1).
Tussen partijen is niet in geschil dat door het landbouwbedrijf naast de aangevraagde eco-activiteit, voor dezelfde handeling op het (gehele) perceel (261) tevens een aanvraag is gedaan om uitbetaling in het kader van de subsidieregelingen ANLb. Op grond van artikel 26, derde lid, van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 kent de minister in dat geval geen waarde toe voor de eco-activiteit. In wat het landbouwbedrijf aanvoert ziet het College geen grond voor het oordeel dat de minister alsnog waarde had moeten toekennen aan de eco-activiteit op het perceel. Dat het voor het landbouwbedrijf niet meteen duidelijk was dat er op het perceel sprake was van overlap van de eco-activiteit en de ANLb-activiteit, komt voor zijn rekening en risico. Het is de eigen verantwoordelijkheid van een aanvrager van GLB-steun om zich te informeren over de regels en verplichtingen van het GLB en dus ook om na te gaan of er sprake is van overlap tussen de eco-activiteiten en de ANLb-activiteiten. Daarover heeft de minister voldoende duidelijk gecommuniceerd, zodat het landbouwbedrijf dat zelf had kunnen nagaan. Aan de weergave in de Gecombineerde opgave dat het landbouwbedrijf in aanmerking komt voor betaling voor de eco-regeling op het niveau van tarief goud, kan hij geen gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat uitbetaling ook daadwerkelijk op dat tarief plaatsvindt. De minister merkt in dit verband terecht op dat die weergave is gebaseerd op de door het landbouwbedrijf zelf opgegeven activiteiten en dat de daadwerkelijke waarde wordt bepaald na controle of voldaan is aan alle voorwaarden daarvoor. Dit is ook vermeld in de Gecombineerde opgave. Dat 2023 het eerste jaar was waarin landbouwers zich konden aanmelden voor de eco-regeling en dat dit jaar in zoverre een opstartjaar was voor zowel de landbouwers als de minister, betekent niet dat de minister coulance moest toepassen, ook al werd in opvolgende jaren een melding van overlap voor bepaalde activiteiten wel weergegeven in de Gecombineerde opgave. De beroepsgrond slaagt niet.
4 Het College zal het beroep ongegrond verklaren.
5 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. C.T. Aalbers en mr. C.C.W. Lange, in aanwezigheid van mr. L. ten Hove, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.
w.g. A. Venekamp w.g. L. ten Hove