COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 september 2026 in de zaak tussen
maatschap [naam 1] , te [vestigingsplaats] (maatschap)
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
uitspraak
zaaknummer: 25/225
(gemachtigde: [naam 2] )
en
(gemachtigden: mr. S.H.B. van der Zalm en mr. [naam 3] )
Procesverloop
De maatschap heeft tegen het besluit van 28 januari 2025 (het bestreden besluit) beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 10 augustus 2026. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Voor de maatschap was ook [naam 4] aanwezig.
Inleiding
Beoordeling van het beroep
1. Met de Gecombineerde opgave van 22 november 2023 heeft de maatschap voor het jaar 2023 betaling van de basispremie, de extra betaling eerste veertig hectare en de eco-regeling aangevraagd. Daarbij heeft zij onder meer perceel 51 opgegeven als landschapselement, met gewascode 2620; poel en klein historisch water.
2 Met het besluit van 28 juni 2024 heeft de minister op grond van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 de aanvraag basispremie en extra betaling eerste 40 hectare toegewezen en de aanvraag voor de extra betaling voor de eco-regeling toegewezen op het niveau van tarief zilver. De minister heeft perceel 51 afgewezen als subsidiabele hectare.
3 In het bestreden besluit is de minister gedeeltelijk tegemoetgekomen aan de bezwaren van de maatschap, maar heeft ook in dit besluit perceel 51 afgewezen als subsidiabele hectare. Dit perceel is volgens de minister geen landschapselement in de zin van artikel 7, derde lid, van de Uitvoeringsregeling GLB 2023, omdat de poel volledig is omsloten door niet subsidiabele arealen. Dit volgt uit het zevende lid van dit artikel. Het landschapselement bevindt zich namelijk op een erf dat overwegend voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt en daarmee niet kan worden aangemerkt als subsidiabele hectare (artikel 6, vierde lid, aanhef en onder j, van de Uitvoeringsregeling GLB 2023).
Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) 2023 van de Europese Unie is, voor zover hier van belang, vastgelegd in Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021. De nationale invulling ervan is neergelegd in de Uitvoeringsregeling GLB 2023.
Steun voor de basispremie en de eco-regeling vindt – kort gezegd – plaats in de vorm van een betaling voor subsidiabele hectares (artikel 21 en artikel 31 van Verordening 2021/2115). Onder subsidiabele hectaren wordt – kort gezegd en voor zover hier van belang – verstaan landbouwareaal van het landbouwbedrijf dat wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit of in overwegende mate voor landbouwactiviteiten wordt gebruikt en ter beschikking van de landbouwer staat en landschapselementen aanwezig op of grenzend aan landbouwareaal die ter beschikking van de landbouwer staan (artikel 4, vierde lid, aanhef en onder a en onder b, tweede alinea, van Verordening 2021/2115 en artikel 1 van de Uitvoeringsregeling GLB 2023).
Landbouwareaal is grond die wordt gebruikt als bouwland, blijvend grasland of blijvende teelt (artikel 4 van Verordening 2021/2115 en artikel 1 van de Uitvoeringsregeling GLB 2023). Als niet-subsidiabele hectaren wordt in ieder geval aangemerkt: areaal dat overwegend voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, zoals erven (artikel 6, vierde lid, aanhef en onder j van de Uitvoeringsregeling GLB 2023).
Onder landschapselementen wordt verstaan: begroeide terrein- en waterdelen en overige elementen waarop het uitoefenen van een landbouwactiviteit niet mogelijk is (artikel 1 van de Uitvoeringsregeling GLB 2023). In artikel 7 van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 is geregeld onder welke voorwaarden de verschillende categorieën landselementen kunnen worden betrokken bij de subsidiabele oppervlakte van een landbouwbedrijf. In artikel 7, derde lid, onderdeel b is – voor zover hier van belang – bepaald dat een watervlakte met een oppervlakte tussen 0,001 en 0,5 hectare kan worden aangemerkt als een landschapselement. Een landschapselement is echter niet subsidiabel als deze volledig is omsloten door niet-subsidiabele arealen (artikel 7, zevende lid van de Uitvoeringsregeling GLB 2023).
De maatschap voert aan dat perceel 51 wel als een subsidiabel landschapselement moet worden aangemerkt. Het gaat om een poel in een ruig landschap dat grenst aan een perceel landbouwgrond. Zowel de poel als het perceel landbouwgrond is eigendom van de maatschap. De poel is niet op het erf van het woonhuis gelegen, maar grenst aan het erf van het woonhuis. Ook is de poel volgens de maatschap niet omsloten door een watergang.
Dit betoog slaagt niet. Het College stelt met de minister vast dat de maatschap niet alleen de poel als landschapselement heeft ingetekend en opgegeven als perceel 51, maar ook de eromheen liggende grond. Die grond is geen poel, maar moet, zoals de minister terecht heeft uiteengezet, worden aangemerkt als erf. Die grond ligt namelijk direct om de bebouwing en is ook duidelijk te onderscheiden van de eromheen liggende percelen bouwland. Omdat de poel volledig is omsloten door niet subsidiabel areaal – erf –, is de poel niet subsidiabel, zo volgt uit artikel 7, zevende lid van de Uitvoeringsregeling GLB 2023.
De maatschap voert verder aan dat zij met de afwijzing van perceel 51 voor de eco-regeling niet in aanmerking komt voor het niveau van tarief goud. Zij wijst in dit verband op de kamerbrief van 14 november 2022 (Kamerstukken II 2022/23, 28 625, nr. 347) waarin de minister heeft toegezegd dat – kort gezegd – administratieve fouten niet zullen leiden tot sancties.
Ook dit betoog slaagt niet. Het College heeft eerder overwogen dat de minister – onder meer in de door de maatschap aangehaalde kamerbrief – veelvuldig heeft gecommuniceerd dat het aanvraagjaar 2023 gezien moet worden als leerjaar waarbij voor administratieve fouten in het aanvraagproces geen sancties worden opgelegd (zie onder meer de uitspraak van het College van 14 januari 2025, ECLI:NL:CBB:2025:8). In het geval van de maatschap is echter geen sprake van een situatie die zou kunnen leiden tot het opleggen van een sanctie. Het mislopen van de extra betaling voor de eco-regeling voor het niveau van tarief goud is namelijk niet te kwalificeren als een sanctie, zodat de toegezegde coulance niet op deze situatie van toepassing is (vergelijk de uitspraak van het College van 25 augustus 2026, ECLI:NL:CBB:2026:381).
7 Het College zal het beroep ongegrond verklaren. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.
w.g. A. Venekamp w.g. C.E.C.M. van Roosmalen