COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
[naam 1] , te [woonplaats] (veehouder)
uitspraak
zaaknummer: 26/6
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 september 2026 op het hoger beroep van
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 november 2025, kenmerk 24/10077, in het geding tussen
de veehouder
en
de staatssecretaris (voorheen de minister) van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (staatssecretaris)
(gemachtigde: mr. M.M. de Vries)
Procesverloop in hoger beroep
De veehouder heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 november 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:13718).
De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.
De zitting was op 1 juli 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: de veehouder, bijgestaan door [naam 2] (veehandelaar), en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Inleiding
Op 26 januari 2024 heeft een toezichthoudend dierenarts van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) bij slachthuis [naam 3] een ante mortem-keuring uitgevoerd bij een rund van de veehouder. In een rapport van bevindingen van 31 januari 2024 heeft de toezichthouder hierover het volgende vermeld:
“[…] Ik zag dat het rund bij het van de wagen aflopen diepliggende ogen had dit kan een teken van ernstige vermagering zijn en van pijn. Ik zag dat ze een afwijkende houding had ze liep met een gestrekte hals en had een pompende ademhaling met wijdstaande neusgaten, dit kan een teken zijn van klachten van de luchtwegen zoals benauwdheid en een uiting van stress en pijn (zie foto 1, 2, 3 en video). Ze had een opgetrokken buik een teken dat ze weinig gegeten had, dit kan een teken zijn van zich ziek voelen (zie foto 4, 5 en video). Ze stonk ook ernstig naar weefselverval (necrose).
Ik heb het rund in de stal van het slachthuis nader onderzocht. Ik zag de volgende bevindingen, ze was mager, het vel zat strak om haar botten, haar ribben kon je goed tellen en ook de botten van haar kop, schouders, rug en bekken waren goed te onderscheiden. Ze had een gestrekte hals en had een pompende ademhaling, ze had wijdt uitstaande neusgaten (neusvleugelen) ook stond er schuim op haar bek dit is een teken van benauwdheid (zie video). Ze liet zich slecht aanzetten om te lopen. De conclusie is dat het om een zieke zeer magere benauwde koe ging met de pompende ademhaling. Omdat ze ook niet slachtwaardig was is ze gedood om afgevoerd te worden voor destructie. Toen ze op de grond lag kon ik goed de uier zien waar een grote open wond van 20 bij 15 cm zat er zat geen vel meer en was een gapende plek dus zonder huid (geen epitelisatie) en met veel weefselverval (necrose) had een grijzige tint en stonk enorm (zie foto 8, 9). Ze had een open wond aan haar uier wat gepaard ging met veel weefselverval met een penetrante geur.
Ze had al langer een slechte eetlust doordat ze ziek was dit blijkt uit het feit dat ze een opgetrokken buik had, ze was ziek door een probleem met haar luchtwegen en door de necrotische wond aan de uier hierdoor kon ze zich er niet toe […] zetten naar het voerhek te lopen om te vreten. De koe was al langer ziek, minstens enkele dagen. De open wond zonder huid (epitelisatie) met weefselverval (necrosevorming) heeft dagen tot weken nodig om dit aspect te krijgen, daarom ging het om een ernstige open wond. Een opgetrokken buik door niet voldoende te eten heeft minstens een dag maar waarschijnlijker dagen nodig om zo ernstig te worden. Het dier was ziek en had een grote open wond en […] daarom was ze niet transportwaardig.
Op de door het slachthuis aan mij verstrekte aanvoerbon (datum 26-01-2024) waar het rund op staat vermeld, staat beschreven dat het eerste rund om 10.00 uur op de wagen was geladen en dat de wagen om 13:05 uur was aangekomen bij [naam 3] (zie bijlage aanvoerbon). Op de VKI stond geen behandeling of aandoening vermeld (zie bijlage VKI).
De ernstige open wond aan de uier heeft dagen nodig om necrotisch te worden (zie bijlage Wondgenezing antedatering, subacuut, eind inflammatory fase/ en was al voor aanvang van transport aanwezig.
Ernstige benauwdheid door een longontsteking waarbij het rund zijn lichaamshouding aanpast (gestrekte hals) is een symptoom van een ziek dier en bestond al een dag of meerdere dagen. Een opgetrokken buik door slechte eetlust is een symptoom van een ziek dier en heeft ook meer dan een dag nodig om zich te ontwikkelen. Al deze ziekte symptomen waren bij dit dier aanwezig en bestonden zoals beschreven al dagen voor de aanvang van het transport.
[…]
Door de veehouder kon voorafgaande aan het transport ingeschat worden dat door het vervoeren van het rund, dat benauwd was en een open wond aan het uier had, een verhoogd risico was op letsel en/of onnodig lijden, doordat het rund zich onderweg zou stoten aan de wanden van de wagen, het hekwerk op het slachthuis of vallen met pijn tot gevolg.
De veehouder liet een dier vervoeren dat niet vervoerd had mogen worden, omdat het dier niet geschikt was voor het (voorgenomen) transport.
Het dier was niet geschikt voor het (voorgenomen) transport, omdat het dier een
ernstige open wond vertoonde en ziek was.
[…]”
Op basis van deze bevindingen en in overeenstemming met zijn voornemen tot het opleggen van een boete, heeft de staatssecretaris met het besluit van 31 mei 2024 (boetebesluit) een boete van € 1.500,- aan de veehouder opgelegd. De reden daarvoor is dat de veehouder op de plaats van vertrek een rund liet vervoeren dat niet geschikt was voor het voorgenomen transport, omdat het rund ziek was en een ernstige open wond vertoonde. Dat is volgens de staatssecretaris een overtreding van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 4.8 van de Regeling houders van dieren, artikel 3, aanhef en onder b, en artikel 8, eerste lid, gelet op bijlage I, hoofdstuk I, paragraaf 1 en 2, aanhef en onder b, van de Verordening (EG) nr. 1/2005 (Transportverordening).
Met het besluit op bezwaar van 27 september 2024 (bestreden besluit), waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft de staatssecretaris het bezwaar van de veehouder ongegrond verklaard en het boetebesluit gehandhaafd.
Uitspraak van de rechtbank
2 De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de staatssecretaris terecht heeft vastgesteld dat uit het rapport van bevindingen blijkt dat de veehouder een koe vervoerde die niet mocht worden vervoerd, omdat de koe ziek was en een ernstige open wond vertoonde, en daardoor niet geschikt was voor het voorgenomen transport. De staatssecretaris heeft volgens de rechtbank deugdelijk vastgesteld dat de veehouder de overtreding heeft begaan. De staatssecretaris was daarom bevoegd voor die overtreding een boete aan de veehouder op te leggen. Wat de veehouder heeft aangevoerd maakt volgens de rechtbank niet dat de overtreding hem niet, of minder, kan worden verweten. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de staatssecretaris geen aanleiding heeft hoeven te zien om de boete te matigen.
Wettelijk kader
3 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling van het hoger beroep
4 Het College komt tot het oordeel dat de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten en licht dit hieronder toe.
Is sprake van een overtreding?
De veehouder is het niet eens met de conclusie van de rechtbank dat de staatssecretaris terecht heeft vastgesteld dat hij een koe heeft laten vervoeren die vanwege ziekte en een ernstige open wond niet geschikt was voor het voorgenomen transport. Hij voert tegen deze conclusie het volgende aan. Uit een brief van het betrokken vervoerbedrijf blijkt dat twee toezichthoudend dierenartsen de koe afzonderlijk hebben beoordeeld bij het slachthuis. Zij zijn daarbij tot verschillende conclusies gekomen. Een van hen heeft de koe als niet slachtwaardig beoordeeld maar niets gezegd over transportonwaardigheid, en de ander heeft de koe wel als transportonwaardig beoordeeld. Voorafgaand aan het transport naar het slachthuis is de koe bekeken door de veehouder, de betrokken veehandelaar ( [naam 2] ) en de chauffeur van de vrachtwagen. Het beeld van de koe was toen anders dan blijkt uit het rapport van bevindingen en de daarbij behorende foto’s en video-opname. Het is dan ook waarschijnlijk dat de koe tijdens het transport ‘shipping fever’ heeft gekregen. In plaats van meteen te euthanaseren, had de koe opnieuw beoordeeld moeten worden nadat ze enkele uren in een afzonderingshok van het slachthuis had kunnen bijkomen van het transport. De koe had namelijk geen koorts. Verder is de koe na het euthanaseren met een hogedrukreiniger schoongespoten, waardoor de wond aan de uier er op foto’s van het dode dier erger uit ziet dan toen het dier nog leefde.
Het College volgt de veehouder niet in dit betoog. Zoals de staatssecretaris onbetwist heeft toegelicht, waren in verband met een verscherpt toezicht op het slachthuis twee toezichthoudend dierenartsen aanwezig die de taken bij de ante mortem-keuring onderling hadden verdeeld. De eerste toezichthoudend dierenarts heeft de koe alleen op slachtwaardigheid beoordeeld en niet op transportwaardigheid. De tweede toezichthoudend dierenarts – die het rapport van bevindingen heeft opgesteld – heeft vervolgens nader onderzoek verricht en de koe als niet transportwaardig beoordeeld. Er is dan ook geen sprake van tegenstrijdige conclusies. Uit de constateringen van de toezichthoudend dierenarts in het rapport van bevindingen volgt dat de uiterlijke verschijningsvormen van de ziekte van de koe al voor het transport naar het slachthuis aanwezig moeten zijn geweest. Zo is in het rapport vermeld dat een opgetrokken buik door een slechte eetlust een symptoom van een ziek dier is en meer dan een dag nodig heeft om zich te ontwikkelen. Ook is vermeld dat ernstige benauwdheid door een longontsteking waarbij het rund zijn lichaamshouding aanpast (een gestrekte hals) een symptoom van een ziek dier is en al een dag of meerdere dagen bestond. Over de open wond aan de uier is vermeld dat deze dagen tot weken nodig heeft om necrotisch te worden. De stelling van de veehouder dat het beeld van de koe voor het transport anders was en dat de koe tijdens het transport shipping fever moet hebben gekregen en had moeten worden afgezonderd om te kunnen bijkomen van het transport, is onvoldoende om de gedetailleerd beschreven constateringen van de toezichthoudend dierenarts over diverse aspecten van de gezondheidstoestand van het rund in twijfel te trekken. Overigens lijkt ook de genoemde brief van het transportbedrijf te bevestigen dat de koe al voor het transport ziekteverschijnselen vertoonde. Daarin staat namelijk dat de chauffeur de koe apart heeft gezet in de vrachtwagen ‘omdat de conditie minder was dan die van de andere runderen’. Verder volgt uit de constatering dat de open wond aan de uier necrotisch was geworden dat sprake was van een ernstige wond. De toezichthoudend dierenarts heeft er daarbij gemotiveerd op gewezen dat een dergelijke wond dagen nodig heeft om in die toestand te geraken. Dit betekent dat aannemelijk is dat de ernstig open wond al voor aanvang van het transport aanwezig was. De niet onderbouwde stelling van de veehouder dat de wond erger is geworden omdat de koe is schoongespoten met een hogedrukreiniger, is onvoldoende om daaraan te twijfelen. Hierbij is nog van belang dat de toezichthoudend dierenarts op de zitting van de rechtbank heeft verklaard dat de koe niet is schoongespoten en dat op foto’s van de dode koe weliswaar een natte vloer is te zien, maar dat dit komt doordat de vloer tussen het lossen door werd schoongespoten.
Net als de rechtbank komt het College tot de conclusie dat de staatssecretaris terecht heeft vastgesteld dat sprake is van een overtreding. De hogerberoepsgrond van de veehouder slaagt dus niet.
Is de overtreding niet of in mindere mate verwijtbaar?
De veehouder voert verder aan dat de uierwond niet zichtbaar was toen de koe nog leefde omdat de wond zich aan de onderkant van de uier bevond. Ook stelt hij dat hij de uier niet dagelijks heeft gezien omdat hij melkt met een automatisch melksysteem. In de stal was de wond volgens de veehouder ook niet goed te ruiken.
Voor zover de veehouder hiermee wil betogen dat de overtreding hem niet of in mindere mate kan worden verweten, is het College van oordeel dat dit betoog niet op gaat. Uit het bepaalde in artikel 8, eerste lid, van de Transportverordening, gelezen in samenhang met paragraaf 2, aanhef en onder b, van hoofdstuk I van bijlage II van deze verordening, volgt dat een houder van dieren ervoor verantwoordelijk is dat een dier voor het transport wordt gecontroleerd op geschiktheid voor dit transport. De uiterlijke verschijningsvormen dat de koe ziek was – zoals een opgetrokken buik door slechte eetlust, en een gestrekte hals door benauwdheid – hadden voor de veehouder aanleiding moeten zijn om de koe voor het transport uitgebreider te onderzoeken en in dat kader ook haar uier te controleren. Omdat de veehouder dit heeft nagelaten kan hem ook wat betreft de ernstige open wond aan de uier een verwijt van de overtreding worden gemaakt. Het College wijst hierbij nog op wat hiervoor in 5.2 is overwogen over de toestand van de wond vóór aanvang van het transport. Het College is het dus eens met de conclusie van de rechtbank dat geen sprake is van het ontbreken of een mindere mate van verwijtbaarheid van de overtreding. De hogerberoepsgrond slaagt niet.
Slotsom
7 Het hoger beroep slaagt niet. Het College zal de uitspraak van de rechtbank bevestigen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. C.T.C. Welters, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.
w.g. S.C. Stuldreher w.g. C.T.C. Welters
Bijlage
Verordening (EG) nr. 1/2005 van 22 december 2004 (Transportverordening)
Artikel 8 Houders
1. De houders van dieren op de plaats van vertrek, overlading of bestemming zorgen ervoor dat de technische voorschriften van bijlage I, hoofdstuk I, en hoofdstuk III, afdeling 1 met betrekking tot het vervoer van dieren nageleefd worden.
Paragraaf 1 en paragraaf 2, aanhef en onder b, van Hoofdstuk I (Geschiktheid voor vervoer) van Bijlage I (Technische voorschriften)
1. Alleen dieren die geschikt zijn voor het voorgenomen transport mogen worden vervoerd, en de vervoersomstandigheden moeten van dien aard zijn dat de dieren geen letsel of onnodig lijden kan worden berokkend.
2. Gewonde, zwakke en zieke dieren worden niet in staat geacht te worden vervoerd, met name in de volgende gevallen:
(…)
b) wanneer zij ernstige open wonden of een prolaps vertonen;
Wet dieren
Artikel 6.2. Strafbaarstelling overtredingen EU-verordeningen
1. Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.
Regeling houders van dieren
Artikel 4.8. Verbodsbepalingen
Als voorschriften als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet, worden aangewezen de artikelen:
- 3 tot en met 9 en 12, van verordening (EG) nr. 1/2005;
- 4, eerste en derde lid, en 5, van verordening (EG) nr. 1255/97.