COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 29 september 2026 in de zaak tussen
AgruniekRijnvallei Voer B.V., te Wageningen (Agruniek)
Stichting Skal, te Zwolle (Skal)
uitspraak
zaaknummer: 23/792
(gemachtigde: mr. J.H.B. Averdijk)
en
(gemachtigde: mr. M. Timpert-de Vries)
Procesverloop in beroep
Met de brief van 26 november 2021 (afwijkingenbrief) heeft Skal Agruniek meegedeeld dat zij zich op onderdelen niet houdt aan voorschriften voor biologische productie en dat zij de kritieke afwijkingen binnen de gestelde termijn moet corrigeren.
Met het besluit van 1 februari 2023 (beslissing op bezwaar) heeft Skal het bezwaar tegen de afwijkingenbrief ongegrond verklaard.
Agruniek heeft tegen de beslissing op bezwaar beroep ingesteld.
Skal heeft een verweerschrift ingediend.
Skal heeft een nader stuk ingediend.
De zitting was op 1 juni 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: de gemachtigden van partijen. Verder waren aanwezig [naam 1] namens Agruniek en mr. [naam 2] en [naam 3] namens Skal.
Samenvatting
1. Deze zaak gaat over de zogenoemde afwijkingenbrief die Skal aan Agruniek heeft gestuurd. In deze afwijkingenbrief deelt Skal mee dat zij twee kritieke afwijkingen heeft geconstateerd, die Agruniek per direct moet herstellen. Volgens Skal heeft Agruniek producten gekocht bij een niet-biogecertificeerde leverancier en oneigenlijk gebruik gemaakt van de aanduiding ‘biologisch’. Het College oordeelt in deze uitspraak dat Skal terecht afwijkingen heeft geconstateerd. De leverancier heeft de mais nadat haar biocertificaat was ingetrokken in de handel gebracht als bedoeld in de toepasselijke verordeningen. Agruniek nam die mais dus af van een leverancier die niet langer biogecertificeerd was. Zij heeft de mais ten onrechte als biologisch verwerkt en verhandeld. Voor het vertrouwen van de consument is het cruciaal dat producten die met het predicaat ‘biologisch’ op de markt komen, ook daadwerkelijk aan de daarvoor geldende voorschriften voldoen. De waarschuwing van Skal was dus op zijn plaats.
Inleiding
Feiten en omstandigheden die relevant zijn voor het geschil
Met het besluit van 1 oktober 2021 (intrekkingsbesluit) heeft Skal het biocertificaat van DFI Food Sourcing ingetrokken, met ingang van die dag om 14.00 uur. Daarbij heeft Skal ook 109 partijen producten gedecertificeerd, dat wil zeggen daaraan de biologische status ontnomen.
Agruniek en DFI Food Sourcing hebben op 1 oktober 2021 een schriftelijke overeenkomst gesloten, getiteld ‘Akte van levering / eigendomsoverdracht’ (de akte). Het gaat volgens de tekst om een schriftelijke bevestiging van wat op 30 september 2021 mondeling overeengekomen is. In de akte staat dat DFI Food Sourcing op 1 oktober 2021 5.210 ton biologische mais heeft verkocht aan Agruniek. Volgens de akte levert DFI Food Sourcing op de datum van ondertekening van de akte de goederen die bij Sethehaven, Meppel & BTZ Vlissingen in opslag liggen. Agruniek aanvaardt als koper uitdrukkelijk de levering van de voorraad, aldus de akte. De akte is zoals blijkt uit een stempel goedgekeurd door Agruniek op 1 oktober 2021 om 9.40 uur.
Skal heeft bij het intrekkingsbesluit DFI Food Sourcing verplicht haar afnemers te informeren over de intrekking. DFI Food Sourcing heeft Agruniek per e-mail van 6 oktober 2021 een brief van Skal gestuurd, gedateerd 1 oktober 2021. In deze brief staat onder andere:
“What does this mean for you as a buyer of products from DFInternational and/or DFI
Food? Products supplied to you after 1 October 2021 14.00 by DFInternational and/or
DFI Food Sourcing are not organic. Products supplied to you before 1 October 2021
remain their organic status, with the exception of certain above-mentioned 109
specific batches, about which you, as stated, will be informed by DFInternational
and/or DFI Food Sourcing in another letter.”
Skal heeft na het intrekkingsbesluit inspecties uitgevoerd, omdat DFI Food Sourcing
vanaf 1 oktober 2021 14.00 uur geen producten meer als biologisch mocht leveren. Ook Agruniek is betrokken in dit onderzoek in verband met de koop van de 5.210 ton biologische mais. Op verzoek van Skal heeft Agruniek verklaringen afgelegd over de overeenkomst met DFI Food Sourcing en gegevens verstrekt, ook van haar contacten met de bedrijven waar de mais opgeslagen lag. Per e-mail van 16 november 2021 heeft Skal Agruniek bericht dat zij op grond van de gegevens die zij van DFI Food Sourcing en Agruniek had ontvangen tot de conclusie was gekomen dat DFI Food Sourcing na 1 oktober 2021 14.00 uur 5.210 ton mais met verwijzing naar de biologische productiemethode aan Agruniek had geleverd. Dit terwijl DFI Food Sourcing vanaf dat moment alle ‘bio’, ‘eco’ en ‘organic’ verwijzingen van alle fysieke en digitale zaken/goederen en gegevens diende te verwijderen en verwijderd te houden en niets meer fysiek of administratief mocht (uit)leveren als biologisch. Skal heeft Agruniek erop gewezen dat verwerking of verhandeling van de mais met ‘bio’, ‘eco’ en ‘organic’ verwijzingen een kritieke afwijking inhoudt en dat Skal hierop handhavend zou optreden. Agruniek heeft Skal op 17 november 2021 meegedeeld dat zij van mening is dat de partij mais geleverd is vóórdat de certificering van DFI Food Sourcing is ingetrokken en dat zij te goeder trouw gehandeld heeft. Ook heeft zij laten weten dat inmiddels intern de benodigde maatregelen getroffen waren om verdere verwerking of distributie van de restanten van deze partij te voorkomen en dat zij dat zou blijven doen totdat er duidelijkheid zou zijn over de status.
Met de afwijkingenbrief heeft Skal Agruniek te kennen gegeven dat twee kritieke afwijkingen waren geconstateerd. DFI Food Sourcing heeft na 1 oktober 2021 14.00 uur
producten aan Agruniek geleverd en Agruniek heeft deze producten in ontvangst genomen en doorverhandeld als biologisch. Agruniek heeft daarmee i) producten aangekocht bij een niet meer gecertificeerde leverancier en daarmee in strijd gehandeld met artikel 29, tweede lid, van Verordening 834/2007 en artikel 66 van Verordening 889/2008. Daarnaast heeft Agruniek ii) gangbare mais aangekocht en die verwerkt tot biovoer. Dat is in strijd met artikel 23, tweede lid, van Verordening 834/2007, artikel 57 van Verordening 889/2008 en artikel 8 en artikel 20 van het Skal-Reglement certificatie en toezicht. Agruniek moest deze afwijkingen per direct herstellen door de biologische aanduidingen per direct van de producten te verwijderen en verwijderd te houden, voor zover deze niet op of voor 15 november 2021 door Agruniek waren uitgeleverd aan afnemers. Als zij dat niet zou doen of binnen 24 maanden opnieuw een kritieke afwijking zou worden geconstateerd, dan zou Skal haar certificaat kunnen intrekken.
Skal heeft in de afwijkingenbrief de omstandigheden opgesomd die volgens haar tot de conclusie hadden geleid dat de levering van de mais na 1 oktober 2021 14.00 uur had plaatsgevonden. Skal neemt wel aan dat de akte voor 14.00 uur was getekend, maar volgens Skal hadden DFI Food Sourcing en Agruniek toen nog geen overeenstemming bereikt over de prijs en de hoeveelheid. Skal heeft ook gewezen op ongerijmdheden in de facturen en het ontbreken van transportdocumenten met betrekking tot de overdracht van 5.210 ton biomais. Pas na 1 oktober 2021 14.00 uur is mededeling gedaan aan de opslagbedrijven over de overdracht.
In de beslissing op bezwaar heeft Skal het standpunt dat sprake was van afwijkingen gehandhaafd. De gegevens en verklaringen met betrekking tot de overdracht acht zij tegenstrijdig. Uit objectiveerbare gegevens kan volgens haar niet worden opgemaakt dat de biologische mais vóór 1 oktober 2021 14.00 uur is overgedragen.
Standpunten van partijen
3 Agruniek voert aan dat van afwijkingen geen sprake was. Zij was niet vóór 6 oktober 2021 op de hoogte van de intrekking van het biocertificaat van DFI Food Sourcing. De overdracht van de mais heeft voor de intrekking plaatsgevonden en deze mais stond ook niet vermeld op de lijst van gedecertificeerde partijen. Agruniek verkeerde dus in de veronderstelling dat zij geen actie hoefde te ondernemen. Toen zij geïnformeerd werd door Skal heeft zij onmiddellijk maatregelen getroffen. De waarschuwingenbrief was dus niet nodig en was disproportioneel. Het verwijt dat zij heeft meegewerkt aan een overdracht terwijl sprake was van decertificering is niet terecht.
4 Skal stelt zich op het standpunt dat Agruniek op de hoogte moet zijn geweest van de intrekking van het biocertificaat van DFI Food Sourcing, gezien de omstandigheden waaronder de overdracht van de voorraad plaatsvond. Deze overdracht werd na 1 oktober 2021 14.00 uur afgewikkeld en daarom kon de voorraad niet meer als biologisch worden verhandeld aan Agruniek. Agruniek was verplicht te controleren of DFI Food Sourcing nog wel biogecertificeerd was. De afwijkingenbrief is proportioneel, want het belang dat gangbare producten niet als biologisch worden verkocht, is groot.
Wettelijk kader
5 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling van het beroep
Het rechtskarakter van de afwijkingenbrief
6 Ambtshalve stelt het College vast dat de afwijkingenbrief gelijk moet worden gesteld met een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De afwijkingenbrief bevat een waarschuwing. Zoals overwogen in de uitspraak van 1 juni 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:515, onder 5.4) moet deze waarschuwing met een besluit worden gelijkgesteld, zodat zij in rechte kan worden bestreden.
Afwijkingen; in de handel brengen
De afwijkingen die Skal Agruniek verwijt zijn dat zij i) producten heeft aangekocht van een niet meer gecertificeerde leverancier en ii) dat zij gangbare producten heeft aangekocht en deze heeft verhandeld als biologisch. Voor de beoordeling van de gestelde afwijkingen is bepalend wanneer de aankoop door Agruniek van de producten van DFI Food Sourcing heeft plaatsgevonden, oftewel wanneer DFI Food Sourcing de producten in de handel heeft gebracht, waardoor Agruniek de producten voorhanden kreeg. Hierover overweegt het College het volgende.
Op grond van artikel 2 van Verordening 834/2007 is de in Verordening
178/2002 vastgelegde definitie van ‘in de handel brengen’ van toepassing. In artikel
3, aanhef en onder 8, van Verordening 178/2002 staat dat onder ‘in de handel brengen’
wordt verstaan het voorhanden hebben van levensmiddelen of diervoeders met het oog op de
verkoop, met inbegrip van het ten verkoop aanbieden of enige andere vorm van al dan niet
gratis overdracht, alsmede de eigenlijke verkoop, distributie en andere vormen van overdracht
zelf. Gezien de definitie en het doel van de levensmiddelen- en bioverordeningen
(bescherming) moet ‘in de handel brengen’ ruim worden opgevat.
Met het besluit van 1 oktober 2021 beschikte DFI Food Sourcing per die datum om 14.00 uur niet meer over een biocertificaat. Dat betekent dat zij vanaf dat tijdstip producten niet meer als biologisch in de handel kon brengen. Het College oordeelt vandaag in de zaak van DFI Food Sourcing (ECLI:NL:CBB:2026:464) dat de intrekking van het biocertificaat standhoudt.
Transportdocumenten van de levering van DFI Food Sourcing aan Agruniek zijn
niet voorhanden. Het bedrijf waar een deel van de voorraad was opgeslagen, Bulk Terminal
Zeeland B.V. (BTZ), heeft per e-mail van 1 oktober 2021 om 15.02 uur het volgende aan DFI
Food Sourcing bericht:
“Dank voor je mail wij zullen hem per heden van jullie stock afhalen (jullie stock is hier dan leeg) en op door AgruniekRijnvallei Voer B.V te Wageningen boeken!”
Deze mail is een reactie op de e-mail van DFI Food Sourcing van 1 oktober 2021, 14.53 uur:
“Zoals besproken in de bijlage bevestiging van de pand overname betreft de bio mais.
Dit zal gaan om de totale huidige voorraad van lotnummer LTS000343 welke is overgenomen door AgruniekRijnvallei Voer B.V te Wageningen.”
Aan Sethehaven, een andere opslaghouder, heeft DFI Food Sourcing op 1 oktober 2021, 14:58 uur bericht:
“In de bijlage bevestiging van de pand overname betreft de bio mais.
Dit zal gaan om 2150mt van de voorraad met lotnummer […]”
Hieruit concludeert het College dat de overdracht na 14.00 uur is afgerond. DFI Food Sourcing had de voorraad na 14.00 uur kennelijk nog voorhanden in de zin van Verordening 178/2002, want zij heeft haar opslaghouder instructies gegeven met betrekking tot de voorraad. Skal mocht uitgaan van de stukken in de administratie van Agruniek en DFI Food Sourcing en is gezien de ruime definitie van ‘in de handel brengen’ terecht tot de conclusie gekomen dat Agruniek ná 14.00 uur de producten voorhanden heeft gekregen. Hoe de levering civielrechtelijk gekwalificeerd moet worden, kan in het midden blijven.
Agruniek heeft een beroep gedaan op een e-mail van 17 november 2021, waarin BTZ verklaart op 1 oktober 2021 in de morgen omstreeks 10.00 uur op de hoogte te zijn gebracht dat ‘deze partij’ overgenomen is door Agruniek en dat daarop is geantwoord dat zij (BTZ) dat graag op papier wilden hebben en dat dit ’s middags is geregeld. Het College ziet daarin geen aanleiding om anders te oordelen over het tijdstip waarop Agruniek de voorraad voorhanden kreeg, omdat het niet afdoet aan de in 7.4 genoemde handelingen op de daar genoemde tijdstippen. Daarbij komt dat - zoals Skal heeft opgemerkt - in eerste instantie geen melding is gemaakt van contact tussen Agruniek en BTZ. De betrokken medewerker van BTZ heeft bij de inspectie van Skal half november 2021 verklaard op 6 oktober 2021 te zijn gebeld. Pas later wijzigde hij zijn verklaring.
Uit het voorgaande volgt dat DFI Food Sourcing de voorraad na intrekking van haar biocertificaat in de handel heeft gebracht en dat Agruniek deze dus voorhanden kreeg van een leverancier die niet langer biogecertificeerd was. Skal heeft onweersproken gesteld dat op 1 oktober 2021 om 14.00 uur de informatie over het biocertificaat van DFI Food Sourcing uit het webportaal van Skal is verwijderd. Agruniek had op het moment dat zij afnam van DFI Food Sourcing kunnen en moeten verifiëren of zij te maken had met een biologische leverancier, gelet op artikel 29, tweede lid, van Verordening 834/2007 en artikel 66, tweede lid, van Verordening 889/2008. Aan deze verplichting heeft zij niet voldaan, zoals Skal heeft vastgesteld. Hieraan doet niet af dat de ‘actieve’ publicatie van de intrekking op enig moment van de website van Skal is verwijderd. Afgezien van haar verplichting om op het moment van de afname te controleren of DFI Food Sourcing nog gecertificeerd was, geldt bovendien dat Agruniek in ieder geval op 6 oktober 2021 van de intrekking van het biocertificaat van DFI Food Sourcing op de hoogte is gesteld. Kennelijk heeft Agruniek ook in dit bericht over de intrekking geen aanleiding gezien om de status van de mais bij Skal te verifiëren.
Dat DFI Food Sourcing niet meer beschikte over een biocertificaat toen zij de voorraad in de handel bracht, betekent dat Agruniek de beschikking kreeg over ‘gangbare’ producten met de aanduiding ‘biologisch’. Skal heeft half november 2021 geconstateerd dat Agruniek de voorraad nog als biologisch heeft verwerkt en verkocht, terwijl de voorraad afkomstig was van een niet meer gecertificeerde leverancier. Skal heeft ook op dit punt terecht geconcludeerd dat sprake was van een afwijking.
Proportionaliteit afwijkingenbrief?
8 Voor het behoud en de rechtvaardiging van het vertrouwen van de consument in de als biologisch aangeduide producten is het cruciaal dat producten die met dat predicaat op de markt komen, ook daadwerkelijk aan de daarvoor geldende voorschriften voldoen. Skal kent daarom terecht een groot belang toe aan de naleving van deze voorschriften. Doordat DFI Food Sourcing na de intrekking van haar biocertificaat de voorraad in de handel heeft gebracht, voldeed deze niet meer aan de vereisten om als biologisch te worden aangemerkt. Agruniek mocht de mais daarom niet meer als biologisch verwerken en verhandelen. De inspecteur van Skal heeft dit half november 2021 kenbaar gemaakt aan Agruniek. Vervolgens heeft Skal dit bevestigd in de afwijkingenbrief. Deze vaststelling van de afwijkingen en de daaraan verbonden waarschuwing is niet disproportioneel.
Slotsom
9 Het College zal het beroep ongegrond verklaren. Skal hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, mr. A. van Gijzen en mr. M.L. Noort, in aanwezigheid van mr. M.G. Ligthart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. M.G. Ligthart
Bijlage
Verordening (EG) Nr. 834/2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2092/91
Artikel 2 Definities
In deze verordening zijn de volgende definities van toepassing:[…]j) de in Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (2) vastgelegde definities van ‘levensmiddel’, ‘diervoeder’ en ‘in de handel brengen’ zijn van toepassing;[…]
Artikel 23
1. In de zin van deze verordening worden producten geacht producten te zijn waarop termen voorkomen die verwijzen naar de biologische productiemethode, wanneer die producten, de ingrediënten ervan of de bij de productie gebruikte voedermiddelen in de etikettering, de reclame of de handelsdocumenten worden beschreven in termen die de koper doen aannemen dat de producten, ingrediënten of voedermiddelen geproduceerd zijn overeenkomstig de in deze verordening vervatte regels. Met name mogen de termen vermeld in de bijlage en de afleidingen of verkleinwoorden daarvan, zoals ‘bio’ en ‘eco’, in de hele Gemeenschap en in elke taal van de Gemeenschap afzonderlijk of in combinatie worden gebruikt voor de etikettering van en de reclame voor een product dat voldoet aan de voorschriften die bij of krachtens deze verordening zijn vastgesteld.
Op de etikettering van en in de reclame voor levende en onverwerkte landbouwproducten mogen termen die verwijzen naar de biologische productiemethode, daarenboven slechts voorkomen wanneer ook alle ingrediënten van dat product geproduceerd zijn overeenkomstig de voorschriften van deze verordening.
2. De in lid 1 bedoelde termen worden nergens in de Gemeenschap en in geen enkele taal van de Gemeenschap gebruikt voor de etikettering van, de reclame voor en de handelsdocumenten betreffende een product dat niet voldoet aan de eisen van deze verordening, tenzij zij niet worden toegepast op landbouwproducten in levensmiddelen of diervoeders of duidelijk geen verband houden met biologische productie.
Voorts worden in de etikettering of reclame geen termen, termen in handelsmerken inbegrepen, of praktijken gebruikt die de consument of gebruiker kunnen misleiden door de indruk te wekken dat een product of de ingrediënten ervan voldoen aan de voorschriften krachtens deze verordening.
[…]
Artikel 29
1. De in artikel 27, lid 4, bedoelde controlerende autoriteiten en controleorganen geven een bewijsstuk af aan de marktdeelnemer die aan hun controles onderworpen is en die bij zijn activiteiten de bij deze verordening vastgestelde voorschriften naleeft. In het bewijsstuk worden ten minste de identiteit van de marktdeelnemer, het type of de reeks producten en de geldigheidsduur van het bewijsstuk vermeld.
2. De marktdeelnemer verifieert de bewijsstukken van zijn leveranciers.
3. Het model van het in lid 1 bedoelde bewijsstuk wordt volgens de in artikel 37, lid 2, bedoelde procedure vastgesteld, rekening houdend met de voordelen van elektronische certificering.
Verordening (EG) nr. 178/2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden
Artikel 3 Overige definities
In deze verordening wordt verstaan onder:
[…]
8. ‘ in de handel brengen’: het voorhanden hebben van levensmiddelen of diervoeders met het oog op de verkoop, met inbegrip van het ten verkoop aanbieden, of enige andere vorm van al dan niet gratis overdracht, alsmede de eigenlijke verkoop, distributie en andere vormen van overdracht zelf;[…]
Verordening (EG) nr. 889/2008 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten, wat de biologische productie, de etikettering en de controle betreft
Artikel 57Overeenkomstig artikel 25, lid 3, van Verordening (EG) nr. 834/2007 moet het logo voor biologische productie van de Europese Unie (hierna “biologisch logo van de Europese Unie” genoemd) overeenstemmen met het model in bijlage XI, deel A, bij de onderhavige verordening.
Het biologisch logo van de Europese Unie wordt enkel gebruikt voor de etikettering indien het product in kwestie overeenkomstig de vereisten van Verordening (EG) nr. 834/2007, van Verordening (EG) nr. 1235/2008 van de Commissie (*), en van de onderhavige verordening is geproduceerd door marktdeelnemers die voldoen aan de vereisten van het in de artikelen 27, 28, 29, 32 en 33 van Verordening (EG) nr. 834/2007 bedoelde controlesysteem.
Artikel 661. In de eenheid of de bedrijfsruimten moeten een voorraadboekhouding en een financiële boekhouding worden bijgehouden die de marktdeelnemer en de controlerende autoriteit of het controleorgaan in staat stellen om de volgende gegevens na te gaan:
a. a) de leverancier en, wanneer het iemand anders betreft, de verkoper of de exporteur van de producten;
b) de aard en de hoeveelheden van de producten die aan de eenheid zijn geleverd, en, in voorkomend geval, de aard en de hoeveelheden van alle aangekochte materialen en het gebruik daarvan, alsmede, in voorkomend geval, de samenstelling van de mengvoeders;
c) de aard en de hoeveelheid van de biologische producten die in de bedrijfsruimten zijn opgeslagen.
d) de aard, de hoeveelheden en de geadresseerden en, als dat anderen zijn, de kopers, niet de eindconsumenten zijnde, van alle producten die de eenheid dan wel de bedrijfsruimten of opslaginstallaties van de eerste geadresseerde hebben verlaten;
e) in het geval van marktdeelnemers die dergelijke biologische producten niet opslaan of fysiek hanteren, de aard en de hoeveelheden van de biologische producten die zijn gekocht en verkocht, en de leveranciers en, als dat anderen zijn, de verkopers of de exporteurs en de kopers en, als dat anderen zijn, de geadresseerden.
2. De administratie moet ook de resultaten van de verificatie bij de ontvangst van biologische producten en alle andere gegevens die de controlerende autoriteit of het controleorgaan voor een behoorlijke controle nodig heeft, bevatten. De gegevens in de administratie moeten met passende bewijsstukken worden gestaafd. Uit de administratie moet blijken dat de aangevoerde en de afgevoerde hoeveelheden in evenwicht zijn.
3. Wanneer een marktdeelnemer op dezelfde oppervlakten verschillende productie-eenheden exploiteert, moeten de minimale controlevoorschriften tevens worden toegepast op de voor niet-biologische producten gebruikte eenheden en de opslagruimten voor aangevoerde producten.
Skal-Reglement certificatie en toezicht
Artikel 8 Etikettering van biologische producten
1. Nadat door Skal een certificatie is verleend en het certificaat is verstrekt heeft de
exploitant de plicht om aanduidingen aan te brengen op producten die onder certificatie
in de handel worden gebracht.
2. De wijze van aanduiden moet worden uitgevoerd overeenkomstig de eisen genoemd in
verordening (EG) nr. 834/2007 en verordening (EG) nr. 889/2008.
3. Producten die niet voldoen aan of die niet zijn voortgebracht volgens de in de
certificatievoorwaarden gestelde eisen, mogen niet worden voorzien van een biologische
aanduiding. De exploitant is verplicht om hierop toe te zien en eventueel reeds
aangebrachte aanduidingen te verwijderen.
Artikel 20 Oneigenlijk gebruik van bio-certificaten en -aanduidingen
1. Skal ziet er op toe dat geen oneigenlijk gebruik wordt gemaakt van bio-certificaten en
biologische aanduidingen door exploitant of door derden. Als oneigenlijk gebruik wordt in
ieder geval beschouwd:
- het wekken van de indruk dat producten of voortbrengingsprocessen, waarvoor een
aanvraag is ingediend, reeds geregistreerde producten en/of gecertificeerde
processen zijn;
- het wekken van de indruk dat een bio-certificaat betrekking heeft op andere
producten of voortbrengingsprocessen dan waarvoor bio-certificatie is verleend;
het wekken van de indruk dat een bio-certificaat nog geldig is tijdens een periode
van opschorting van de certificatie;
gebracht of kan worden misleid.
2. Acties ter bescherming van aanduidingen tegen oneigenlijk gebruik door derden komen aan Skal toe.
3. Skal kan, al dan niet tezamen met exploitanten van geregistreerde producten of
voortbrengingsprocessen, een vordering instellen tegen derden die oneigenlijk gebruik
maken van certificaten en aanduidingen.
Artikel 21 Algemeen
Herstel en sanctiemaatregelen bij tekortkomingen:
1. Wanneer bij het toelatingsonderzoek of de inspectie tekortkomingen worden vastgesteld, zullen door Skal maatregelen worden getroffen overeenkomstig de in bijlage 1 vermelde “Maatregelen bij NC’s”.
2. Overtreding van een of meer voorschriften gebaseerd op het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007, is aan tuchtrecht onderworpen en kan worden voorgelegd aan het Tuchtgerecht.
3. Onverminderd het voorgaande zal Skal, wanneer een overtreding wordt vastgesteld die als overtreding van artikel 18, lid 2 van de Landbouwkwaliteitswet juncto artikel 1 van de Wet op de economische delicten wordt aangemerkt, deze overtreding via de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) aanhangig maken voor strafrechtelijke vervolging.
4. Skal stelt de exploitant schriftelijk op de hoogte van zijn beslissing omtrent de getroffen herstel- en of sanctiemaatregel.
5. De kosten van door Skal opgelegde herinspectie(s), of van door het Tuchtgerecht opgelegde verscherpte toezichtmaatregelen worden aan de exploitant in rekening gebracht volgens het geldende tarievenblad. Wanneer de maatregel extra monstername inhoudt, zullen de daaraan verbonden kosten separaat in rekening worden gebracht.
6. Bij intrekking of opschorting van een certificatie moet de exploitant zijn afnemers hierover informeren. Skal behoudt zich echter het recht voor om zelf, op kosten van de exploitant, de afnemer(s) van de betreffende exploitant te informeren. De exploitant is verplicht Skal op verzoek te voorzien van een lijst van afnemers.
7. Skal publiceert bij intrekking van het certificaat of de registratie, conform artikel 10 lid 5 van dit reglement, informatie met betrekking tot de intrekking op haar website.
Artikel 22 Indeling van NC’s in categorieën
De Non Conformiteit (NC’s) worden ingedeeld in de volgende vier categorieën:
1. Opmerking:
Een eenmalige NC binnen een proces geconstateerd door de inspecteur. Het proces is door het bedrijf wel in controle en de procedures voldoen. De NC heeft geen effect op de biologische status van het proces of product.
2. Lichte NC:
Een kleine NC van de bio-regelgeving die niet van invloed is op het product. Deze NC moet uiterlijk binnen 12 maanden worden hersteld. (Minor Non-Conformity)
3. Ernstige NC:
a). Een ernstige NC in het biologische bedrijfsproces waarbij de bio-regelgeving niet is nageleefd. b). Een niet binnen de gestelde termijn opgeloste lichte NC (Major Non-Conformity).
c). Een lichte NC die binnen 24 maanden na de inspectiedatum waarop de NC is vastgesteld opnieuw geconstateerd wordt.
Hoewel het bedrijfsproces verbeterd moet worden, is de bio-status van de producten niet in het geding. De NC moet uiterlijk binnen de gestelde termijn van maximaal 3 maanden structureel zijn hersteld.
4. Kritieke NC:
a). Het product of bedrijfsproces voldoet niet aan de eisen. De basisprincipes van de biologische (landbouw)productie worden geschonden. Het product/ perceel kan de biologische status verliezen
b). Een niet binnen de gestelde termijn opgeloste ernstige NC.
c). Een ernstige NC die binnen 24 maanden na de inspectiedatum waarop de NC is vastgesteld opnieuw geconstateerd wordt.
Een kritieke NC kent geen herstelperiode, het betrokken bedrijf moet per direct haar werkwijze aanpassen. (Critical Non-Conformity).