COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 29 september 2026 in de zaak tussen
Stichting Skal, te Zwolle (Skal)
uitspraak
zaaknummer: 25/931
DFInternational B.V. en DFI Food Sourcing B.V., te Sas van Gent (DFInternational en DFI Food Sourcing) (gezamenlijk ook: de vennootschappen)
(gemachtigden: mr. M. van Tuijl en mr. A. Danopoulos)
en
(gemachtigde: mr. C. de Rond)
Procesverloop
Met het besluit van 14 oktober 2025 (bestreden besluit) heeft Skal opnieuw beslist op de bezwaren van de vennootschappen tegen het besluit van 1 oktober 2021 (primaire besluit).
De vennootschappen hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Skal heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 1 juni 2026. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Van de kant van de vennootschappen zijn ook [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] verschenen. Van de kant van Skal zijn ook [naam 4] , [naam 5] en [naam 6] verschenen.
Overwegingen
Inleiding
DFInternational en DFI Food Sourcing behoren tot de [naam 7] -groep. De [naam 7] -groep importeert onder meer biologische producten en verkoopt deze aan de levensmiddelen- en mengvoederindustrie. DFInternational is sinds 1 november 2011 bij Skal geregistreerd. DFI Food Sourcing was bij Skal geregistreerd van 26 januari 2015 tot 20 december 2018 en is opnieuw gecertificeerd op 23 november 2020. De biocertificaten van DFI Food Sourcing en DFInternational waren geldig tot en met 31 december 2021.
Skal heeft de biocertificaten van DFInternational en DFI Food Sourcing per 1 oktober 2021 ingetrokken. Deze vennootschappen waren op dat moment de enige vennootschappen in de [naam 7] -groep met een biocertificaat. Skal heeft verder bepaald dat de intrekkingen op haar website worden gepubliceerd. Ook heeft Skal besloten 109 partijen producten per 1 oktober 2021 te decertificeren. Met het besluit van 30 december 2021 heeft Skal de bezwaren van DFInternational en DFI Food Sourcing ongegrond verklaard.
DFInternational en DFI Food Sourcing hebben tegen het besluit van 30 december 2021 beroep ingesteld.
Met zijn uitspraak van 22 juli 2025 ((ECLI:NL:CBB:2025:383) hierna: de uitspraak van 22 juli 2025) heeft het College de beroepen van DFInternational en DFI Food Sourcing gegrond verklaard en het besluit van 30 december 2021 vernietigd.
In die uitspraak heeft het College – voorzover hier van belang – het volgende geoordeeld; Skal heeft terecht besloten tot decertificering van 88 partijen. Ten aanzien van die 88 partijen heeft het College geconcludeerd dat sprake is van een schending van artikel 23, tweede lid, van Verordening 834/2007 en artikel 91, eerste lid, van Uitvoeringsverordening 889/2008. Dit vormt op zichzelf een ernstige inbreuk in de zin van artikel 30, eerste lid, tweede alinea, van Verordening 834/2007. Wat betreft 21 partijen heeft Skal de decertificering onvoldoende onderbouwd. Het College heeft verder geconcludeerd dat DFInternational voor de 85 partijen die zij heeft ingekocht, voor zover sprake is van een inbreuk, de betrokken marktdeelnemer is in de zin van artikel 30, eerste lid, tweede alinea, van Verordening 834/2007. Het College heeft voorts geoordeeld dat Skal, door uit te gaan van vereenzelviging, de intrekking van de biocertificaten onvoldoende heeft onderbouwd ten aanzien van DFI Food Sourcing en DFInternational, deze laatste voor zover zij als betrokken marktdeelnemer verantwoordelijk is gehouden voor de andere dan de 85 partijen die zij heeft ingekocht. Tot slot heeft het College geoordeeld dat Skal in strijd met artikel 30, eerste lid, tweede alinea, van Verordening 834/2007 de biocertificaten voor onbepaalde tijd heeft ingetrokken.
Het College heeft Skal bij die uitspraak van 22 juli 2025 opgedragen om, met inachtneming van de uitspraak, binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van DFInternational en DFI Food Sourcing.
Skal heeft vervolgens het bestreden besluit genomen en de bezwaren van DFInternational en DFI Food Sourcing deels gegrond verklaard.
Het bestreden besluit
2 In het bestreden besluit heeft Skal de intrekking van het biocertificaat van DFInternational gehandhaafd, onder meer op de grond dat DFInternational voor 84 partijen producten waarin niet-toegestane stoffen zijn aangetroffen, de betrokken marktdeelnemer was. Ook de intrekking van de biocertificering van DFI Food Sourcing is gehandhaafd. Hieraan heeft Skal ten grondslag gelegd dat DFI Food Sourcing de stelselmatige onttrekking aan het toezicht van Skal door DFInternational heeft voortgezet. Volgens Skal heeft DFI Food Sourcing i) zich als vehikel ter beschikking gesteld waarmee DFInternational kon ontsnappen
aan de effecten van een eventuele intrekking van haar biocertificering,
ii) in strijd met de regels geen melding gemaakt van residuen van in de biologische productiemethode niet toegestane stoffen in partijen die zij overnam van DFInternational, maar deze verder verhandeld, en
iii) niet voldaan aan haar medewerkingsplicht met betrekking tot de ‘Leveranciersklachtenregistratie’ die Skal bij haar heeft opgevraagd.
Skal heeft de duur van de intrekkingen beperkt tot twee jaar voor DFInternational en tot een jaar voor DFI Food Sourcing. Daarbij heeft zij bepaald dat de certificatie-overeenkomsten in stand zijn gebleven.
Over de decertificering van de 21 partijen die worden genoemd in de uitspraak van 22 juli 2025 heeft Skal een nadere toelichting gegeven. Skal stelt dat zes partijen meerdere niet-toegestane stoffen bevatten, sprake is van overschrijdingen van de maximum residu limiet die aan zowel de NVWA als Skal gemeld moesten worden of van herhaling van residuen van niet-toegestane stoffen. Verder gaat het niet om 15, maar om acht resterende partijen en hebben de vennootschappen voor zeven van die partijen niet onderbouwd dat die niet zijn ingeklaard in de Europese Unie (EU). Deze partijen hadden gemeld moeten worden. Voor één partij heeft Skal het bezwaar gegrond verklaard.
Wettelijk kader
3 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling door het College
4 Aan de orde is allereerst de vraag of Skal de biocertificaten van DFInternational en DFI Food Sourcing terecht heeft ingetrokken. Volgens de vennootschappen is dit niet het geval en zij hebben hun beroepsgronden zeer uitvoerig uiteengezet. Zoals eerder in de rechtspraak is overwogen, vloeit uit de artikelen 8:69 en 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet voort dat het College in zijn uitspraak op alle door een belanghebbende aangevoerde argumenten afzonderlijk moet ingaan. Het College zal zich in het hiernavolgende dan ook beperken tot de kern van de door de vennootschappen naar voren gebrachte gronden.
Verordening 834/2007
Verordening 834/2007 strekt volgens de punten 3, 5 en 22 van de daarbij behorende considerans tot bescherming van het vertrouwen van de consument in de als biologisch aangeduide producten. Volgens artikel 1, eerste lid, van Verordening 834/2007 biedt deze Verordening de grondslag voor een duurzame ontwikkeling van de biologische productie waarbij de effectieve werking van de interne markt gewaarborgd wordt, eerlijke concurrentie wordt gegarandeerd, het vertrouwen van de consument wordt verzekerd en de belangen van de consument worden beschermd. Een essentieel kenmerk van de biologische productiewijze is dat pesticides niet in de productie mogen worden toegepast.
Op grond van de definitie in artikel 2, aanhef en onder d, van Verordening 834/2007 is een marktdeelnemer, voor zover relevant, een rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de naleving van de voorschriften van deze verordening in het biologische bedrijf dat hij beheert. Op grond van artikel 30, eerste lid, tweede alinea, van Verordening 834/2007 wordt, in geval van een ernstige inbreuk of een inbreuk met langdurige gevolgen, de betrokken marktdeelnemer het recht ontnomen om producten in de handel te brengen met verwijzing naar de biologische productiemethode in de etikettering of de reclame.
Intrekking biocertificaat DFInternational
In de uitspraak van 22 juli 2025 heeft het College geoordeeld dat wat betreft 88 van de onderzochte partijen sprake is van een schending van artikel 23, tweede lid, van Verordening 834/2007 en artikel 91, eerste lid, van Uitvoeringsverordening 889/2008 en dat dit op zichzelf een ernstige inbreuk vormt in de zin van artikel 30, eerste lid, tweede alinea, van Verordening 834/2007. Tevens heeft het College geoordeeld dat DFInternational, voor de 85 partijen die zij heeft ingekocht, de betrokken marktdeelnemer is in de zin van artikel 30, eerste lid, tweede alinea, van Verordening 834/2007. Hieruit volgt al dat voor de intrekking van het certificaat van DFInternational op zichzelf voldoende grondslag bestond. Dat een van de 85 partijen in het bestreden besluit niet is gehandhaafd, maakt dit oordeel niet anders. Wat partijen hierover naar voren hebben gebracht, hoeft daarom verder niet besproken te worden.
Intrekking biocertificaat DFI Food Sourcing
Voor de intrekking van het certificaat van DFI Food Sourcing heeft Skal in het bestreden besluit een aanvullende motivering gegeven. De primaire grondslag voor de intrekking is dat DFI Food Sourcing als vehikel is gebruikt om de handel in biologische producten te kunnen voortzetten. Anders gezegd verwijt Skal DFI Food Sourcing dat zij een constructie heeft gebruikt om te ontkomen aan de gevolgen van een intrekking van het biocertificaat van DFInternational. Daarmee ontneemt DFI Food Sourcing het nuttig effect aan Verordening 834/2007 en is - zo begrijpt het College het standpunt van Skal - sprake van misbruik van Unierecht. Het College volgt Skal hierin en overweegt daartoe het volgende.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) kunnen ondernemingen niet aan hun aansprakelijkheid ontsnappen door eenvoudigweg hun identiteit te veranderen door middel van herstructureringen, overdrachten dan wel andere juridische of organisatorische wijzigingen, omdat dan afbreuk wordt gedaan aan de doelstelling en aan het nuttige effect van die regels. Met andere woorden, een kunstmatige constructie om de regels te ontwijken, is onder het Unierecht niet toegestaan. Het gebruik maken van een kunstmatige constructie om de regels voor het in de handel brengen van biologische producten te ontwijken, is een vorm van misbruik van Unierecht. Het verbod op misbruik van Unierecht is algemeen geldend en werkt rechtstreeks.
Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat zowel een objectief als een subjectief element is vereist om te kunnen vaststellen dat het om een misbruiksituatie gaat. Uit het geheel van objectieve omstandigheden moet blijken dat in weerwil van de formele naleving van de door de gemeenschapsregeling opgelegde voorwaarden, het door deze regeling beoogde doel niet wordt bereikt. Daarnaast is een subjectief element vereist, namelijk de bedoeling om een door de gemeenschapsregeling toegekend voordeel te verkrijgen door kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat.
Naar het oordeel van het College is aan beide elementen voldaan. DFI Food Sourcing is feitelijk een voortzetting van de activiteiten van DFInternational. Dit geldt voor het personeel, de locatie, de bedrijfsvoering, de scope van de certificering en de overname van de voorraad. DFI Food Sourcing bestrijdt ook niet dat zij de activiteiten heeft voortgezet, maar stelt dat dit plaatsvond in het kader van een reorganisatie vanwege familieopvolging. Volgens het College blijkt evenwel duidelijk uit voorhanden e-mails dat DFI Food Sourcing in de loop van het jaar 2020 is ingericht als reserve B.V. om de voorraden als biologisch te kunnen verhandelen en zo een doorstart te kunnen maken in het geval de overige vennootschappen hun biocertificaat kwijt zouden raken.
In de e-mails staat onder meer het volgende. Op 6 augustus 2020 heeft [naam 8] , lid van het managementteam van de [naam 7] -groep, aan de operations manager een e-mail geschreven met als onderwerp ‘Reserve BV - certificeringen’ met de volgende inhoud:
“[…] Hoe zit het met certificering van voorradige producten? Stel dat de voorraadhoudende
BV in zwaar weer komt met/door de autoriteiten en er lijkt zich een […] -scenario voor te gaan doen? Kun je dan zonder problemen de gehele voorraad (voordat je certificaat eventueel wordt afgepakt) overhevelen als bio naar een reserve-bv? En kun je dan vanuit daar weer vrolijk verder handelen? Let op verschillen in certificeringsscope! […]”
Het “ […] -scenario ” ziet op de intrekking van het biocertificaat van graanhandel […] op 26 maart 2020, een onderneming die zich net als DFInternational en DFI Food Sourcing bezighoudt met de import en handel in biologische producten.
De voorraadhoudende B.V. was op dat moment DFInternational.
De operations manager heeft als volgt gereageerd: “[…] Indien de voorraadhoudende BV in zwaar weer komt door autoriteit Skal kun je indien daar tijd voor is de voorraad overboeken naar een andere BV. Wel moet de productscope van het certificaat dan wel hetzelfde zijn als van de BV die in zwaar weer zit […].”
De reactie van [naam 8] hierop luidt:
“Begrijp ik het dan goed dat we die reserve BV uiteindelijk kunnen inrichten zoals we wensen? Dus als we uit gaan van een worst case scenario, dat we alle nodige certificaten met de hierbij horende nodige scope voor food, feed, international en [plaats] kunnen aanvragen voor de reserve BV en we er dan redelijk vlot de nodige stromen doorheen kunnen laten lopen om die BV dan ook actief te houden […]?
Op 27 oktober 2020 heeft de NVWA een (onaangekondigde) inval gedaan op de twee locaties van de [naam 7] -BV’s (in [plaats] en Sas van Gent), waarbij (digitale) gegevens in beslag zijn genomen, waaronder een leveranciersklachtenlijst, correspondentie en PowerPointpresentaties. Personeelsleden (in dienst van [naam 9] B.V., maar werkzaam voor alle [naam 7] -BV’s) zijn gehoord. Op 5 november 2020 heeft DFI Food Sourcing Skal via de spoedprocedure verzocht om een biocertificaat af te geven. Op 23 november 2020 is door Skal een biocertificaat afgegeven voor import en groothandel. Per 1 januari 2021 zijn alle voorraden van DFInternational overgegaan naar DFI Food Sourcing.
Het College is van oordeel dat Verordening 834/2007 en artikel 30 hiervan in het bijzonder, hun betekenis zouden verliezen als met een simpele administratieve wijziging, namelijk het certificeren van DFI Food Sourcing en de overdracht van de voorraden, de inbreuken kunnen worden voortgezet. De verweten gedragingen vinden dan weliswaar plaats door middel van een andere vennootschap, maar feitelijk met dezelfde personen, goederen, voorraden en praktijken. Het College komt dan ook tot de conclusie dat DFI Food Sourcing als marktdeelnemer misbruik heeft gemaakt van het Unierecht door de activiteiten van DFInternational voort te zetten om daarmee de voordelen van het hebben van een biocertificaat te behouden.
Hiervoor, onder 4.2, heeft het College al geoordeeld dat Skal vanwege de geconstateerde inbreuken het biocertificaat van DFInternational terecht heeft ingetrokken. Naar het oordeel van het College is het in strijd met het doel van Verordening 834/2007 dat DFI Food Sourcing als betrokken marktdeelnemer, zonder onderbreking, de activiteiten voortzet van DFInternational, terwijl bij die laatste, zoals geoordeeld, sprake was van een ernstige inbreuk.
Skal heeft aan dit misbruik terecht het gevolg van de intrekking van het biocertificaat van DFI Food Sourcing verbonden. Door de intrekking van het biocertificaat wordt aan DFI Food Sourcing de aanspraak op voordelen op grond van het Unierecht ontnomen. DFI Food Sourcing deelt wegens de voortzetting van de activiteiten als marktdeelnemer het lot van DFInternational. Hierdoor wordt een juiste invulling van het begrip ‘marktdeelnemer’ en daarmee een juiste toepassing van de Verordening bereikt.
Naar het oordeel van het College heeft Skal, gezien de ernst, omvang en duur van de inbreuken, het biocertificaat van beide vennootschappen terecht ingetrokken en niet opgeschort. De vennootschappen hebben een grote hoeveelheid partijen ten onrechte als biologisch verhandeld. Dat kan ernstig afbreuk doen aan het vertrouwen van het publiek in de biologische keten, dat de bioregelgeving juist beoogt te beschermen. Een opschorting had gezien de geldigheidsduur van de biocertificaten, hooguit drie maanden kunnen duren. Hiermee zou geen recht worden gedaan aan de ernst van de inbreuken. De beroepsgrond dat Skal had moeten opschorten in plaats van intrekken, slaagt dus niet.
De beroepsgrond van de vennootschappen dat de intrekking van de certificaten in strijd is met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel, kan hen niet baten. Artikel 30, eerste lid, tweede alinea, van Verordening 834/2007 is een dwingendrechtelijke bepaling. Dit betekent dat als sprake is van een ernstige inbreuk, de controlerende autoriteit de betrokken marktdeelnemer het recht ontneemt om producten in de handel te brengen met verwijzing naar de biologische productiemethode in de etikettering of de reclame. Het beroep van de vennootschappen op het evenredigheidsbeginsel komt er feitelijk op neer dat zij wenst dat Skal voorbijgaat aan deze dwingende bepaling. Daar bestaat geen ruimte voor. Het beroep op het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel slaagt dus niet.
Nu de eerste grondslag van het bestreden besluit voor de intrekking van het biocertificaat standhoudt, hoeft niet meer beoordeeld te worden of DFI Food Sourcing haar meld- of medewerkingsplicht heeft geschonden.
De intrekking van de biocertificaten houdt dus stand. De beroepsgronden over de duur van de intrekking worden hieronder beoordeeld.
Duur van de intrekkingen
5 Hoewel Skal de duur van de intrekkingen heeft beperkt tot twee jaar voor DFInternational en tot een jaar voor DFI Food Sourcing, is volgens de vennootschappen feitelijk sprake van een intrekking voor onbepaalde tijd, wat in strijd is met de uitspraak van 22 juli 2025. De duur van de intrekking is in de visie van de vennootschappen onbepaald, omdat het al dan niet verstrekken of hernieuwen van een biocertificaat afhankelijk wordt gesteld van de verificatie van de naleving. Daar komt volgens hen bij dat de schade die de vennootschappen hebben geleden onherstelbaar is. Verder handelt Skal in strijd met het verbod op reformatio in peius. De intrekking van de biocertificaten is volgens de vennootschappen verder door de duur daarvan een bestraffende sanctie.
Het College volgt de vennootschappen niet in hun betoog dat feitelijk sprake is van een intrekking voor onbepaalde tijd en dat dit in strijd is met de uitspraak van 22 juli 2025. De certificatieovereenkomst is in stand gebleven. In het Skal-reglement certificatie en toezicht is weliswaar bepaald dat de certificatieovereenkomst vervalt bij intrekking van het certificaat (zie 12.6.1 van de uitspraak van 22 juli 2025), maar in dit geval is Skal hiervan in het voordeel van de vennootschappen afgeweken. Het College ziet niet welk belang de vennootschappen hebben bij hun tegen het niet vervallen van de certificatieovereenkomst gerichte beroepsgrond.
Wat de vennootschappen aanvoeren over de verificatie op grond van artikel 38, vijfde lid, van Verordening 2018/848, maakt het voorgaande niet anders. Zoals Skal heeft toegelicht, zou verificatie hoe dan ook vereist zijn om de bio-activiteiten van de vennootschappen te kunnen voortzetten. De verificatie houdt dus geen verband met de (duur van de) intrekking van de biocertificaten. Het stond de vennootschappen vrij om na een of twee jaar om verificatie te verzoeken, of zodra zij wisten dat de intrekking niet voor onbepaalde tijd gold. Zij hebben er zelf voor gekozen om dat niet te doen. Een vordering tot schadevergoeding ligt niet voor, zodat wat de vennootschappen naar voren brengen over door hen geleden schade door de intrekking geen rol speelt bij de beoordeling.
Gelet op de ernst, omvang en duur van de inbreuken ziet het College geen reden om de duur van de intrekkingen onevenredig te achten. Hierbij vindt het College het niet doorslaggevend om hoeveel partijen het exact gaat. De onder 4.2 genoemde 84 partijen zijn hiervoor ruimschoots voldoende.
Het College heeft in de uitspraak van 22 juli 2025 al geoordeeld dat de intrekking geen bestraffende sanctie is. Daartoe is het volgende overwogen:
“15.3.2 Hiervoor heeft het College de conclusie getrokken dat het recht om producten in de handel te brengen met een verwijzing naar de biologische productiemethode op grond van artikel 30, eerste lid en tweede alinea, van Verordening 834/2007 alleen voor een bepaalde periode mag worden ontnomen. De vraag die de vennootschappen opwerpen is of tijdelijke ontneming een bestraffende sanctie is. Van belang is dat de maatregel alleen wordt opgelegd bij een ernstige inbreuk of een inbreuk met langdurige gevolgen. Er is in die gevallen sprake van een niet-biologische schakel in de biologische productieketen. Die schakel wordt tijdelijk verwijderd, zodat de biologische keten wordt hersteld. De maatregel heeft niet het oogmerk van leedtoevoeging. Het College neemt hierbij in aanmerking dat de Europese verordeningen voor de biologische productie zijn gericht op het verzekeren van eerlijke concurrentie en een goede werking van de interne markt voor biologische producten, en op het behoud en de rechtvaardiging van het vertrouwen van de consument in de als biologisch aangeduide producten (punt 3 van de considerans bij Verordening 834/2007). Met de maatregel wordt niet beoogd een nadeel toe te brengen dat verder gaat dan het bereiken van deze doelen.”
De vennootschappen hebben een beroep op het verbod van reformatio in peius gedaan, maar niet valt in te zien waarom dat aan de orde zou zijn. De positie van de vennootschappen is niet verslechterd door het instellen van bezwaar en beroep.
Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgronden tegen de duur van de intrekkingen niet slagen.
Decertificering partijen
6 Over de decertificering van de partijen producten overweegt het College als volgt. In de uitspraak van 22 juli 2025 heeft het College geoordeeld dat Skal voor 21 partijen onvoldoende had onderbouwd dat de meldplicht van artikel 91, eerste lid, van Uitvoeringsverordening 889/2008 was geschonden. Skal heeft in de nieuwe beslissing op bezwaar de decertificering voor 20 partijen gehandhaafd. Nu het College hiervoor tot het oordeel is gekomen dat beide vennootschappen terecht zijn gedecertificeerd, ziet het College niet in welk belang de vennootschappen nog hebben bij een beoordeling van de decertificering van de 20 partijen. De vennootschappen hebben niet onderbouwd dat zij door de decertificering schade hebben geleden, dus daarin is het belang niet gelegen. Het College zal de decertificering van deze partijen daarom onbesproken laten.
Slotsom
7 Het beroep is ongegrond. Skal hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, mr. A. van Gijzen en mr. M.L. Noort, in aanwezigheid van mr. M.G. Ligthart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. M.G. Ligthart
Bijlage
Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten
Artikel 2 Definities
In deze verordening zijn de volgende definities van toepassing:
[…]
d) „marktdeelnemer”: een natuurlijke of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de naleving van de voorschriften van deze verordening in het biologisch bedrijf dat hij beheert;
Artikel 23 Het gebruik van termen die verwijzen naar biologische productie
1. In de zin van deze verordening worden producten geacht producten te zijn waarop termen voorkomen die verwijzen naar de biologische productiemethode, wanneer die producten, de ingrediënten ervan of de bij de productie gebruikte voedermiddelen in de etikettering, de reclame of de handelsdocumenten worden beschreven in termen die de koper doen aannemen dat de producten, ingrediënten of voedermiddelen geproduceerd zijn overeenkomstig de in deze verordening vervatte regels. Met name mogen de termen vermeld in de bijlage en de afleidingen of verkleinwoorden daarvan, zoals „bio” en „eco”, in de hele Gemeenschap en in elke taal van de Gemeenschap afzonderlijk of in combinatie worden gebruikt voor de etikettering van en de reclame voor een product dat voldoet aan de voorschriften die bij of krachtens deze verordening zijn vastgesteld.
Op de etikettering van en in de reclame voor levende en onverwerkte landbouwproducten mogen termen die verwijzen naar de biologische productiemethode, daarenboven slechts voorkomen wanneer ook alle ingrediënten van dat product geproduceerd zijn overeenkomstig de voorschriften van deze verordening.
2. De in lid 1 bedoelde termen worden nergens in de Gemeenschap en in geen enkele taal van de Gemeenschap gebruikt voor de etikettering van, de reclame voor en de handelsdocumenten betreffende een product dat niet voldoet aan de eisen van deze verordening, tenzij zij niet worden toegepast op landbouwproducten in levensmiddelen of diervoeders of duidelijk geen verband houden met biologische productie.
[…]
Artikel 27 Controlesysteem
[…]
4. De bevoegde autoriteit kan:
a. a) haar controlebevoegdheden toevertrouwen aan een of meer andere controlerende autoriteiten. De controlerende autoriteiten bieden adequate waarborgen inzake objectiviteit en onpartijdigheid, en beschikken over gekwalificeerd personeel en de middelen die nodig zijn om hun taak te vervullen;
[…]
Artikel 30 Maatregelen in geval van inbreuken en onregelmatigheden
1. Wanneer er een onregelmatigheid wordt geconstateerd met betrekking tot de naleving van de voorschriften van deze verordening, zorgt de controlerende autoriteit of het controleorgaan ervoor dat de etikettering en de reclame voor de volledige partij of productiegang waarop de onregelmatigheid betrekking heeft geen verwijzing naar de biologische productiemethode bevatten, wanneer een dergelijke maatregel in verhouding staat tot het belang van het voorschrift waarop inbreuk is gemaakt en tot de aard en de specifieke omstandigheden van de onregelmatige activiteiten.
Wanneer er een ernstige inbreuk of een inbreuk met langdurige gevolgen is geconstateerd, ontneemt de controlerende autoriteit of het controleorgaan de betrokken marktdeelnemer gedurende een met de bevoegde autoriteit van de lidstaat overeengekomen periode het recht om producten in de handel te brengen met verwijzing naar de biologische productiemethode in de etikettering of de reclame.
[…]
Verordening (EG) nr. 889/2008 van de Commissie van 5 september 2008 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten, wat de biologische productie, de etikettering en de controle betreft
Artikel 67 Toegang tot het bedrijf1. De marktdeelnemer moet:
a. a) de controlerende autoriteit of het controleorgaan voor controledoeleinden toegang geven tot alle delen van de eenheid en alle bedrijfsruimten evenals tot de administratie en de bijbehorende bewijsstukken;
b) alle informatie die voor controledoeleinden noodzakelijk kan worden geacht, aan de controlerende autoriteit of het controleorgaan verstrekken;
c) op verzoek van de controlerende autoriteit of het controleorgaan de resultaten van zijn eigen kwaliteitsborgingsprogramma's verstrekken.2. Afgezien van de in lid 1 vastgestelde eisen moeten de importeurs en de eerste geadresseerden de in artikel 84 bedoelde informatie over geïmporteerde zendingen verstrekken.
Artikel 91 Maatregelen bij vermoede inbreuken en vermoede onregelmatigheden
1. Marktdeelnemers die van mening zijn of vermoeden dat een door hen geproduceerd, bereid of geïmporteerd product, dan wel een door een andere marktdeelnemer aan hen geleverd product niet in overeenstemming is met de voorschriften voor de biologische productie, leiden procedures in om elke aanduiding betreffende de biologische productiemethode van dat product te verwijderen of om het product af te zonderen en te identificeren. Zij mogen het product pas gaan verwerken of verpakken of in de handel brengen nadat de betrokken twijfel is weggenomen, tenzij het product in de handel wordt gebracht zonder aanduidingen betreffende de biologische productiemethode. In geval van dergelijke twijfel moeten de marktdeelnemers de controlerende autoriteiten of de controleorganen onmiddellijk informeren. De controlerende autoriteiten of de controleorganen kunnen eisen dat het product niet met aanduidingen betreffende de biologische productiemethode in de handel wordt gebracht voordat de van de marktdeelnemers of uit andere bronnen ontvangen informatie hen ervan heeft overtuigd dat de twijfel is weggenomen.
Verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad
Artikel 35 Certificaat1. De bevoegde autoriteiten of, in voorkomend geval, de controleautoriteiten of controleorganen verstrekken een certificaat aan exploitanten of groepen exploitanten die hun activiteit overeenkomstig artikel 34, lid 1, hebben gemeld en die aan deze verordening voldoen. Het certificaat: […]
Artikel 38 Aanvullende regels inzake officiële controles en acties die de bevoegde autoriteiten moeten ondernemen[…]5. De verstrekking of hernieuwing van het in artikel 35, lid 1, bedoelde certificaat is gebaseerd op de resultaten van de in de leden 1 tot en met 4 van dit artikel bedoelde verificatie van de naleving.[…]