COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2026 in de zaak tussen
V.O.F. [naam] , te [vestigingsplaats] (vennootschap)
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
uitspraak
zaaknummer: 25/71
(gemachtigde: H. Elzinga)
en
(gemachtigde: mr. E. Hol)
Procesverloop in beroep
De vennootschap heeft tegen het besluit van 12 december 2024 (bestreden besluit) beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 9 september 2026. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.
Waar gaat deze zaak over?
Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) 2023 van de Europese Unie is, voor zover hier van belang, vastgelegd in Verordening 2021/2115, Verordening 2021/2116, Uitvoeringsverordening 2021/2290 en Gedelegeerde Verordening 2022/1172. De nationale invulling van de GLB-verordeningen is neergelegd in de Uitvoeringsregeling GLB 2023.
In de Uitvoeringsregeling GLB 2023 zijn de regels rondom het aanvragen van GLBsteun ten opzichte van eerdere jaren veranderd. Een landbouwer moet eerst een aanmelding indienen om in aanmerking te komen voor GLB-steun voordat hij een definitieve aanvraag kan doen. Artikel 10, eerste en zevende lid, van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 bepaalde dat de aanmelding voor het jaar 2024 in de periode van 1 maart tot en met 15 mei 2024 moest worden ingediend.
De minister heeft in verband met een technische storing in het aanvraagsysteem van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en het achterblijven van het aantal aanmeldingen ten opzichte van de verwachting, op 14 mei 2024 besloten de aanmeldperiode met twee dagen te verlengen tot en met 17 mei 2024.
De vennootschap heeft zich op 20 mei 2024 aangemeld voor GLB-steun.
Met het besluit van 16 augustus 2024 heeft de minister aan de vennootschap meegedeeld dat zij zich voor het jaar 2024 te laat heeft aangemeld voor steun op grond van de Uitvoeringsregeling GLB 2023. Met het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar daartegen ongegrond verklaard.
Het beroep richt zich tegen de weigering van de minister om de te late aanmelding te accepteren.
Beoordeling van het beroep
Standpunt van de vennootschap
2 De vennootschap vindt het onterecht dat de minister de aanmelding niet heeft geaccepteerd. De vennootschap betoogt dat sprake was een overmachtssituatie. Zij stelt in dat kader dat zij op 14 mei 2024 heeft geprobeerd de aanmelding af te ronden en te verzenden, maar dat dit niet tot een geregistreerde succesvolle verzending heeft geleid door een technische storing in het aanvraagsysteem. Pas na de uiterste aanmelddatum zag de vennootschap dat de aanmelding niet was verstuurd, waarna zij dat op 20 mei 2024 alsnog heeft gedaan. De vennootschap voert verder aan dat de minister met toepassing van de hardheidsclausule haar te late aanmelding had moeten accepteren. Het is onevenredig dat de vennootschap GLB-steun misloopt, terwijl de oorzaak van de te late aanmelding is gelegen in de storing en geen sprake is van een fout van de vennootschap. De vennootschap wijst daarbij ook op de jarenlange ervaring van haar adviseur met het indienen van de Gecombineerde opgave, zonder dat zich eerder een vergelijkbaar probleem heeft voorgedaan.
Inleiding
De Uitvoeringsregeling GLB 2023 is een ministeriële regeling die – zoals gezegd – de nationaalrechtelijke invulling geeft aan de per 1 januari 2023 in werking getreden Europese GLB-verordeningen. De keuze voor het opknippen van het aanmeldproces in twee stappen, de daarvoor geldende termijnen en het opnemen van een hardheidsclausule zijn nationaalrechtelijke keuzes.
Zoals het College eerder heeft overwogen, worden met het stellen van een uiterste datum voor het indienen van een aanmelding voor steun op grond van het GLB meerdere legitieme doelen gediend (zie de uitspraak van 14 januari 2025, ECLI:NL:CBB:2025:9, overwegingen 1.4, 3.2 en 3.5). Uitgangspunt is dus dat de vennootschap zich uiterlijk op 17 mei 2024 had moeten aanmelden om voor GLB-steun over 2024 in aanmerking te komen. Niet in geschil is dat die aanmelding te laat is ingediend.
Overmacht
4 Op grond van artikel 3 van Verordening 2021/2116 kunnen overmacht en uitzonderlijke omstandigheden worden erkend. Deze bepaling bevat voorbeelden van overmacht en uitzonderlijke gevallen. De enkele omstandigheid dat de vennootschap, zoals zij stelt, door een storing in het systeem veronderstelde dat zij tijdig een aanmelding had ingediend, is niet te vergelijken met de situaties die in artikel 3 van Verordening 2021/2116 worden genoemd. Naar het oordeel van het College is geen uitzonderlijke omstandigheid aanwezig zoals bedoeld in die bepaling. Er is dan ook geen sprake van overmacht. De beroepsgrond slaagt niet.
Hardheidsclausule
De hardheidsclausule uit artikel 48 van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 houdt, voor zover hier van belang, in dat de minister kan afwijken van de aanmeldtermijn, voor zover de toepassing gelet op het doel ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Het College beklemtoont de eigen verantwoordelijkheid van de vennootschap als professionele marktdeelnemer om de aanmelding tijdig te (laten) versturen. Dat op 14 mei 2024 enkele uren sprake was van een storing in het aanmeldsysteem, maakt niet dat de vennootschap zich niet tijdig heeft kunnen aanmelden. De minister heeft de aanmeldtermijn immers onder andere in verband met de storing verlengd tot en met 17 mei 2024. Dat is een afdoende tegemoetkoming voor de korte storing. Daarbij komt dat de vennootschap vanaf 1 maart 2024, en daarmee in totaal meer dan tweeënhalve maand, de mogelijkheid heeft gehad de aanmelding te versturen. Voor zover de vennootschap in de veronderstelling was de aanmelding te hebben verstuurd, heeft de minister er terecht op gewezen dat de vennootschap uit het feit dat zij geen ontvangstbevestiging ontving, had moeten opmaken dat haar poging om de aanmelding te versturen, was mislukt. Dat de adviseur die de aanmelding van de vennootschap verzorgde jarenlange ervaring heeft met het indienen van Gecombineerde opgaven, en dat het nooit eerder is voorgekomen dat hij een Gecombineerde opgave om deze reden niet correct heeft verzonden, kan de vennootschap gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden niet baten. Niet valt in te zien waarom niet alsnog na 14 mei 2024 een aanmelding kon worden gedaan. Gelet op het voorgaande ziet het College geen grond dat het financiële belang van de vennootschap zwaarder moet wegen dan de legitieme doelen die met het stellen van een uiterste datum voor het indienen van een aanmelding worden gediend.
Evenredigheid
6 De vennootschap heeft ook aangevoerd dat het niet in behandeling nemen van haar aanmelding in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Gelet op de onder 5.2 vermelde omstandigheden volgt het College de vennootschap hierin niet.
Slotsom
7 Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Glerum, in aanwezigheid van mr. R.H. Verheijen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026.
w.g. M.P. Glerum w.g. R.H. Verheijen