COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
[naam 1] V.O.F., te [vestigingsplaats 1] (vennootschap)
en
uitspraak
zaaknummer: 24/166
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2026 op het hoger beroep van
(gemachtigde: J.A. Brok),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 december 2023, kenmerk 22/1644, in het geding tussen
de vennootschap
de staatssecretaris (voorheen de minister) van Landbouw, Visserij, Voedselkwaliteit en Natuur (staatssecretaris)
(gemachtigde: mr. A.F. Kabiri)
Procesverloop in hoger beroep
De vennootschap heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 december 2023 (ECLI:NL:RBROT:2023:12440).
De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.
De vennootschap heeft aanvullende stukken ingezonden.
De zitting was op 1 juli 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 2] en [naam 3] namens de vennootschap, bijgestaan door haar gemachtigde, en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Inleiding
Op 16 februari 2021 heeft een toezichthoudend dierenarts van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) een inspectie uitgevoerd op het buitenterrein van het slachthuis van B.V. [naam 4] in [vestigingsplaats 2] . De toezichthoudend dierenarts zag daar een vrachtwagen met transportcontainers staan, die gevuld waren met kuikens van de vennootschap. In de drie onderste lagen van de containers zag de toezichthoudend dierenarts drie kuikens die met een vleugel bekneld zaten tussen de lade en het frame erboven. Deze vleugelbeklemmingen zaten aan de buitenzijde van de containers en waren direct van een afstand al zichtbaar. In de bovenste lagen van de containers zag de toezichthoudend dierenarts nog vier kuikens die met een vleugel bekneld zaten. Ook deze vleugelbeklemmingen zaten aan de buitenzijde van de containers. De toezichthoudend dierenarts heeft van deze inspectie op 27 mei 2021 een rapport van bevindingen opgemaakt.
Op basis van deze bevindingen, en in overeenstemming met zijn voornemen tot het opleggen van de boete, heeft de staatssecretaris met het besluit van 5 november 2021 (boetebesluit) een boete van € 1.500,- aan de vennootschap opgelegd. De reden daarvoor is dat volgens de staatssecretaris sprake is van een overtreding van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 4.8 van de Regeling houders van dieren en artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1/2005 (Transportverordening). Op grond van deze bepalingen is het verboden dieren te vervoeren of te laten vervoeren op zodanige wijze dat het de dieren waarschijnlijk letsel of onnodig lijden berokkent.
Met het besluit op bezwaar van 24 februari 2022 (bestreden besluit), waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft de staatssecretaris het bezwaar van de vennootschap ongegrond verklaard en het boetebesluit gehandhaafd.
Uitspraak van de rechtbank
2 De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden geconcludeerd dat de overtreding de vennootschap niet of verminderd kan worden verweten omdat (ook) de vervoerder voor het vervoer verantwoordelijk is. Het betoog van de vennootschap dat de slachterij ondeugdelijke transportcontainers heeft aangeboden, leidt volgens de rechtbank ook niet tot de conclusie dat de vennootschap een verminderd verwijt kan worden gemaakt. Voor zover de vennootschap betoogt dat de staatssecretaris haar geen boete mocht opleggen omdat hij voor dezelfde overtreding ook een boete aan de chauffeur en de slachterij heeft opgelegd, heeft de rechtbank dit standpunt niet gevolgd. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de staatssecretaris terecht heeft vastgesteld dat de vennootschap de overtreding heeft begaan en dat deze haar kan worden verweten. De staatssecretaris was bevoegd om daarvoor een boete van € 1.500,- aan de vennootschap op te leggen. De rechtbank heeft verder overwogen dat de vennootschap geen gronden over de hoogte en de evenredigheid van de boete heeft aangevoerd. De gebruikelijke boete van € 1.500,- voor dit soort overtredingen is volgens de rechtbank in het algemeen evenredig.
Wettelijk kader
3 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling van het hoger beroep
4 Het College komt tot het oordeel dat de hogerberoepsgrond van de vennootschap niet slaagt en dat het hoger beroep daarom ongegrond is. Vanwege het overschrijden van de redelijke termijn zal het College de boete wel matigen. Hierna zal het College zijn oordeel toelichten.
Is de vennootschap verantwoordelijk voor de overtreding en is deze verwijtbaar?
Zoals de vennootschap op de zitting heeft toegelicht, voert zij als haar enige hoger beroepsgrond aan dat zij niet verantwoordelijk is voor de overtreding en dat haar daarvan geen verwijt kan worden gemaakt. Zij betoogt dat de vleugelbeknellingen niet alleen tijdens het laden van de kuikens in de transportcontainers kunnen zijn ontstaan, maar ook doordat de shovelmachinist de containers te ruw uit de stal heeft gereden of doordat de chauffeur van de vrachtwagen onderweg naar het slachthuis te hard over een verkeersdrempel of rotonde is gereden. Daarbij wijst de vennootschap erop dat een kuiken zijn vleugels spreidt als de container omhoog zwiept. De vennootschap betoogt verder dat de vleugelbeknellingen ook zijn ontstaan doordat containers ondeugdelijk (beschadigd) waren. Dit zijn volgens de vennootschap omstandigheden waarover zij geen controle heeft en waarvan haar dan ook geen verwijt kan worden gemaakt.
Het College is van oordeel dat dit betoog niet op gaat. De rechtbank heeft terecht voorop gesteld dat artikel 3 van de Transportverordening in verbinding met artikel 6 van de Wet dieren en artikel 4.8 van de Regeling houders van dieren, het vervoeren en het laten vervoeren van dieren op zodanige wijze dat het de dieren waarschijnlijk letsel of onnodig lijden berokkent, verbiedt. Dit betekent, zoals de rechtbank heeft overwogen, dat dit voorschrift is gericht aan alle bij het vervoeren en laten vervoeren van dieren betrokken partijen en dat deze partijen daarin ieder hun eigen verantwoordelijkheid hebben. In dit geval zijn dat dus de vennootschap als het vleeskuikenbedrijf van waaruit de kuikens naar het slachthuis zijn vervoerd, de vangploeg die de kuikens heeft gevangen voor het transport per vrachtwagen en de vervoerder die het transport naar het slachthuis heeft verzorgd. Dat zowel de vangploeg als de chauffeur van de vrachtwagen onder de Transportverordening ook verplichtingen hebben wat betreft de bescherming van de kuikens, laat de verantwoordelijkheid van de vennootschap onverlet. Dat de vangploeg en de chauffeur in dit geval bij het (laten) vervoeren van de kuikens mogelijk steken hebben laten vallen, betekent op zichzelf daarom niet dat de vennootschap genoemd voorschrift niet heeft overtreden of daarvan een verminderd verwijt kan worden gemaakt.
De door de vennootschap geopperde mogelijkheid dat de vleugelbeknellingen zijn ontstaan doordat de shovelmachinist de containers te ruw in de vrachtwagen heeft geladen, kan haar al niet baten omdat dit wel degelijk onder haar verantwoordelijkheid valt en haar daarvan een verwijt kan worden gemaakt. Zij kon de shovelmachinist namelijk instrueren om voorzichtiger te laden en het lag op haar weg om de containers met lades buiten de stal, op de plaats van vertrek, te controleren. Hierbij is nog van belang dat de toezichthoudend dierenarts heeft geconstateerd dat de vleugelbeknellingen aan de buitenzijde van de containers zaten en zichtbaar waren. Over de mogelijkheid dat de vrachtwagenchauffeur te ruw heeft gereden heeft de staatssecretaris gesteld dat dit niet de vleugelbeknellingen heeft kunnen veroorzaken, omdat de containers met haarpinnen zijn vastgezet en ook het grote gewicht van de bovenliggende containers (zo’n 80 kilogram per geladen container) ervoor zorgt dat de containers tijdens het transport niet kunnen gaan bewegen. Het College volgt de staatssecretaris in deze stelling, omdat de vennootschap hier onvoldoende tegen heeft ingebracht. Alleen al om die reden kan eventueel ruw rijgedrag van de vrachtwagenchauffeur de vennootschap niet baten. Tot slot kan het betoog dat de containers ondeugdelijk waren de vennootschap ook niet baten. Het College is het eens met de overweging van de rechtbank dat op foto’s bij het rapport van bevindingen weliswaar is te zien dat enkele containers beschadigd of verbogen waren, maar dat de vennootschap niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vleugels als gevolg van die beschadigingen beklemd zijn geraakt en dat bovendien op foto’s 3 en 5 is te zien dat vleugels zijn beklemd zonder dat een beschadiging van de container zichtbaar is.
Net als de rechtbank concludeert het College dat de staatssecretaris terecht heeft vastgesteld dat de vennootschap de overtreding heeft begaan en dat haar daarvan een verwijt kan worden gemaakt. De hogerberoepsgrond slaagt niet.
Overschrijding van de redelijke termijn
Het College beoordeelt in boetezaken ambtshalve of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), is overschreden.
In bestraffende zaken geldt het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties (bezwaar, beroep en hoger beroep) in beginsel is overschreden als die procedure in haar geheel langer duurt dan vier jaar. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bestuurlijke fase in beginsel een jaar mag duren, de beroepsfase ook een jaar en de hoger beroepsfase twee jaar. De termijn begint op het moment waarop een handeling wordt verricht waaraan de betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een bestuurlijke boete wordt opgelegd. De in aanmerking te nemen termijn eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet in de procedure over het geschil dat de betrokkene en het bestuursorgaan verdeeld houdt.
In dit geval is de redelijke termijn begonnen op 23 september 2021, de datum waarop de staatssecretaris het voornemen tot het opleggen van een boete heeft uitgebracht. Op de datum van de uitspraak van het College is de redelijke termijn met ruim een jaar overschreden. Deze overschrijding is volledig toe te rekenen aan de rechterlijke fase. Bij een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden handelt het College naar bevind van zaken. Het College ziet aanleiding de boete te matigen met 15%, tot een bedrag van € 1.275,-.
Slotsom
Het hoger beroep slaagt niet. Wegens overschrijding van de redelijke termijn zal het College de uitspraak van de rechtbank vernietigen voor zover het de hoogte van de boete betreft. Het College zal het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren, dat besluit vernietigen voor zover het de hoogte van de boete betreft, het boetebesluit in zoverre herroepen, het boetebedrag vaststellen op € 1.275,- en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit.
Omdat de vennootschap geen verzoek tot matiging van de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft gedaan, zijn er geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
De griffier van het College dient het in hoger beroep betaalde griffierecht terug te betalen op grond van artikel 8:114, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat de overschrijding van de redelijke termijn volledig is toe te rekenen aan de rechterlijke fase.
Beslissing
Het College:
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. C.T.C. Welters, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026.
w.g. S.C. Stuldreher w.g. C.T.C. Welters
Bijlage
Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97 (Transportverordening)
Artikel 3 Algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren
Het is verboden dieren te vervoeren of te laten vervoeren op zodanige wijze dat het de dieren waarschijnlijk letsel of onnodig lijden berokkent.
[…]
Wet dieren
Artikel 6.2. Strafbaarstelling overtredingen EU-verordeningen
1. Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.
Regeling houders van dieren
Artikel 4.8. Verbodsbepalingen
Als voorschriften als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet, worden aangewezen de artikelen:
- 3 tot en met 9 en 12, van verordening (EG) nr. 1/2005;
- 4, eerste en derde lid, en 5, van verordening (EG) nr. 1255/97.