3. JT International Company Netherlands B.V. (JTI), te Amstelveen
(gemachtigden: mr. W. Knibbeler, mr. A.A.J. Pliego Selie en mr. T. Heystee)
4. de Vereniging Nederlandse Sigaretten- & Kerftabakfabrikanten (VSK)te Den Haag
(gemachtigde: drs. J.H.J.M. Sträter)
5. Van Nelle Tabak Nederland B.V., handelend onder de naam Imperial Tobacco Nederland (Imperial)te Joure
(gemachtigden: mr. C.E. Schillemans en mr. H.M. Pannekoek)
6. British American Tobacco International (Holdings) B.V. (BAT), te Amstelveen
(gemachtigde: mr. drs. H.J. van den Bos)
en
7. Stichting Rookpreventie Jeugd, te Amsterdam
(gemachtigde: mr. J.A.M.A. Sluysmans)
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 november 2022, kenmerk 19/1249, in het geding tussen
de Stichting Rookpreventie Jeugd, te Amsterdam (en anderen)
en
de minister,
met als derde partij
de VSK
Procesverloop in hoger beroep
Voor het procesverloop verwijst het College in de eerste plaats naar wat daarover is vermeld in de verwijzingsuitspraak van het College van 27 februari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:126), waarbij het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) is verzocht bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de in de verwijzingsuitspraak geformuleerde vragen.
Het Hof van Justitie heeft deze vragen beantwoord met het arrest van 21 april 2026 (ECLI:EU:C:2026:327).
Alle partijen, met uitzondering van de VSK, hebben op het arrest gereageerd. Partijen hebben te kennen gegeven geen gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord. Het College heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.
Beoordeling van de hoger beroepen
1. Voor een uitgebreide weergave van de relevante feiten, de van toepassing zijnde regelgeving, het bestreden besluit en de in de hoger beroepen door de partijen ingenomen standpunten verwijst het College naar de verwijzingsuitspraak. Het College volstaat hier met het volgende.
2 Met deze einduitspraak zal het College beslissen op de (incidentele) hoger beroepen van de onder 1 tot en met 7 genoemde partijen. De aanleiding voor deze zaken is het handhavingsverzoek van onder meer de Stichting Rookpreventie Jeugd aan de NVWA om te bewerkstelligen dat sigaretten die in Nederland aan de consument worden aangeboden voldoen aan de maximale emissieniveaus uit de Europese en Nederlandse regelgeving. Volgens de Stichting moeten de maximumemissieniveaus worden gemeten aan de hand van andere meetmethoden dan de voorgeschreven ISO-meetmethoden in artikel 4 van richtlijn 2014/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaks- en aanverwante producten (richtlijn). De NVWA heeft het handhavingsverzoek afgewezen, omdat het volgens de NVWA op grond van de richtlijn niet is toegestaan om een andere meetmethode te hanteren. De Stichting heeft tegen het besluit waarbij de NVWA haar bezwaar tegen de afwijzing ongegrond heeft verklaard, beroep ingesteld bij de rechtbank Rotterdam. De rechtbank heeft na de beantwoording van door haar gestelde prejudiciële vragen door het Hof van Justitie het beroep van de Stichting met de uitspraak van 4 november 2022 gegrond verklaard en de NVWA opgedragen een nieuwe beslissing te nemen die strekt tot handhavend optreden. De NVWA en de minister, de tabaksfabrikanten en de VSK hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.
3 Met de verwijzingsuitspraak heeft het College het Hof van Justitie vragen gesteld over de uitleg van de artikelen 3 en 4 van de richtlijn. Uit deze bepalingen samen volgt dat het verboden is voor ondernemingen om in de lidstaten sigaretten in de handel te brengen of te vervaardigen waarvan de emissieniveaus voor teer, nicotine en koolmonoxide de hierin vastgestelde maximumniveaus overschrijden, gemeten volgens de hierin voorgeschreven ISO-normen.
4 Met het arrest heeft het Hof van Justitie voor recht verklaard dat artikel 4, eerste lid, van de richtlijn zo moet worden uitgelegd dat particulieren die toegang hebben gehad tot de inhoud van de officiële, authentieke versie van de ISO-normen waarnaar deze bepaling verwijst, zich niet kunnen beroepen op het feit dat deze normen niet in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt teneinde te verkrijgen dat de emissieniveaus van teer, nicotine en koolmonoxide worden gemeten aan de hand van andere meetmethoden dan die welke zijn neergelegd in genoemde normen, waarbij die normen vrij toegankelijk moeten zijn in het kader van een algemene, doeltreffende, kosteloze en niet-discriminerende toegangsregeling.
5 Vast staat dat alle partijen in deze zaak – ook de Stichting – toegang hebben gehad tot de inhoud van de nationale NEN-ISO-normen, die de officiële, authentieke versie vormen van de ISO-normen waarnaar artikel 4, eerste lid, van de richtlijn verwijst, en dat zij daarvan terdege kennis hebben genomen (punt 41 van het arrest). De Stichting kan zich zodoende, volgens het Hof van Justitie, niet beroepen op andere meetmethoden dan de in die ISO-normen voorgeschreven methoden om de non-conformiteit vast te doen stellen van de emissieniveaus van stoffen in sigaretten die door ondernemingen in de lidstaten zijn vervaardigd of in de handel zijn gebracht (punt 42 van het arrest). De Stichting kan zich wel beroepen op de NEN-ISO-normen. Dit is ook niet meer in geschil.
6 Gelet op het arrest van het Hof van Justitie heeft de rechtbank in de uitspraak van 4 november 2022 (ECLI:NL:RBROT:2022:9297) onder 14.11 en 14.12 ten onrechte geoordeeld dat de nationale NEN-ISO-normen – net als de in artikel 4 van de richtlijnen genoemde ISO-normen – niet aan de Stichting als particulier in het algemeen kunnen worden tegengeworpen, maar dat (samengevat) de Stichting zich wel op andere meetmethoden kan beroepen als deze aan de richtlijn voldoen. De rechtbank heeft zodoende ten onrechte het beroep van de Stichting gegrond verklaard en de NVWA opdracht gegeven om tot handhaving over te gaan.
7 Uit het voorgaande volgt dat de hoger beroepen van de NVWA en de minister en van Philip Morris, JTI, de VSK, Imperial en BAT slagen. Het incidenteel hoger beroep van de Stichting heeft betrekking op overwegingen van de rechtbankuitspraak over kort gezegd de daadwerkelijk gehanteerde meetmethode. Deze overwegingen zijn, gelet op het arrest van het Hof van Justitie, niet langer van betekenis. Om die reden slaagt dit incidenteel hoger beroep niet. Het College zal de uitspraak van de rechtbank vernietigen. Daarmee komt ook de in de uitspraak opgenomen proceskostenveroordeling in beroep voor de Stichting te vervallen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal het College het beroep van de Stichting ongegrond verklaren, omdat de beroepsgronden erop neerkomen dat de maximumemissieniveaus moeten worden gemeten volgens andere methoden dan volgens de ISO-meetmethoden genoemd in artikel 4, eerste lid, van de richtlijn.
8 Het is vaste rechtspraak dat, als een hoger beroep slaagt en dit tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de aangevallen uitspraak leidt, de kosten van dit hoger beroep in beginsel voor risico van het bestuursorgaan komen, ook als het door het bestuursorgaan genomen besluit rechtmatig wordt bevonden (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 12 juli 2022, ECLI:NL:CBB:2022:411, onder 33, en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1106, onder 6). Omdat er geen reden is in dit geval van dit beginsel af te wijken, zal het College de NVWA en de minister samen veroordelen in de proceskosten van Philip Morris, JTI, Imperial en BAT. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor Philip Morris, JTI, Imperial en BAT ieder afzonderlijk vast op € 11.791,- (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, 1 punt voor de zitting bij het College, 2 punten voor het indienen van schriftelijke opmerkingen in de prejudiciële procedure, 2 punten voor de zitting bij het Hof van Justitie, 0,5 punt voor de zienswijze op het arrest van het Hof van Justitie, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 2). Voor de VSK zijn er geen kosten die voor vergoeding in aanmerking komen. De gemachtigde is namelijk directeur van de VSK en geen derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent.
Beslissing
Het College:
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
- verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep van de Stichting Rookpreventie Jeugd tegen het besluit op bezwaar van 31 januari 2019 ongegrond;
- veroordeelt de NVWA en de minister samen in de proceskosten van Philip Morris, BAT, JTI en Imperial tot een bedrag van € 11.791,- voor ieder afzonderlijk;
- draagt de NVWA en de minister samen op het door ieder afzonderlijk betaalde griffierecht van € 548,- aan Philip Morris, BAT, JTI en Imperial te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, mr. M.M. Smorenburg en mr. H.L. van der Beek, in aanwezigheid van mr. D. de Vries, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2026.
w.g. J.L.W. Aerts w.g. D. de Vries