COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Life Scientific Ltd., te Dublin (Ierland) en
uitspraak
zaaknummer: 26/643
uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 oktober 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
Life Scientific Germany GmbH, te Hamburg (Duitsland) (samen: LS)
(gemachtigde: mr. E. Broeren)
en
het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (het Ctgb)
(gemachtigde: mr. M.K. Polano)
Procesverloop
Het Ctgb heeft op 22 juli 2026 een beoordelingsverslag afgerond en dit op 28 augustus 2026 geüpload in het Europese digitale platform CIRCABC.
LS heeft bezwaar gemaakt tegen het beoordelingsverslag van het Ctgb. Op 29 augustus 2026 heeft LS het College verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het Ctgb heeft een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter heeft met een brief van 10 september 2026 partijen verzocht om te reageren op elkaars standpunten over het besluitkarakter van het beoordelingsverslag en om zich hierbij uit te laten over de betekenis van (onderdelen van) het arrest Closer van het Hof van Justitie. Ook heeft de voorzieningenrechter partijen gevraagd om te laten weten of zij op zitting willen worden gehoord.
Partijen hebben gereageerd op de brief van 10 september 2026 en nadere stukken ingediend. Verder hebben partijen laten weten dat zij niet op een zitting gehoord willen worden.
De voorzieningenrechter heeft op 28 september 2026 bepaald dat een zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Inleiding
LS heeft op 27 juni 2019 een aanvraag ingediend tot verlenging van de toelating van Lambdastar, een insecticide op basis van de werkzame stof lambda-cyhalothrin. De aanvraag is ingediend in het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Ierland. Nadat het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie is getreden, is Nederland aangewezen als de lidstaat die de aanvraag onderzoekt. Lambdastar is niet toegelaten in Nederland en er is ook geen aanvraag om (verlengde) toelating van Lambdastar in Nederland ingediend.
Het Ctgb heeft, namens de lidstaat Nederland, de aanvraag onderzocht en de beoordeling van de aanvraag afgerond met het beoordelingsverslag van 22 juli 2026. De conclusie van het Ctgb is – kort gezegd – dat Lambdastar niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 29 in samenhang met artikel 43 van de gewasbeschermingsverordening op het gebied van ecotoxicologie. Het risico voor niet-doelwitgeleedpotigen binnen en buiten het behandelde gebied is voor alle beoogde toepassingen niet aanvaardbaar. Het langetermijnrisico voor zoogdieren is voor alle voorgestelde toepassingen niet aanvaardbaar, behalve voor het gebruik in koolzaad bij 1x 5 g werkzame stof per hectare. Voor waterorganismen is geen van de toepassingen met de standaard EU-methodiek aanvaardbaar, maar sommige toepassingen kunnen op lidstaatniveau als aanvaardbaar worden beschouwd wanneer specifieke mitigerende maatregelen kunnen worden toegepast.
Het Ctgb heeft het beoordelingsverslag en bijbehorende documenten, via het Europese digitale platform CIRCABC, toegankelijk gemaakt voor de lidstaten binnen de Centrale Zone. Het Ctgb heeft de lidstaten waarin toelating is gevraagd – Duitsland en Ierland – ervan op de hoogte gesteld dat de beoordeling beschikbaar is gesteld. Ook LS is over de beoordeling geïnformeerd.
LS heeft bezwaar gemaakt tegen het beoordelingsverslag en heeft de voorzieningenrechter gevraagd om, hangende bezwaar, een voorlopige voorziening te treffen en te bepalen dat het beoordelingsverslag wordt geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar.
Wettelijk kader
2 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening
3 Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4 De voorzieningenrechter ziet zich eerst gesteld voor de vraag of het beoordelingsverslag kan worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb waartegen bezwaar en beroep openstaan. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is dat niet het geval. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
Niet in geschil is dat LS geen aanvraag om (verlengde) toelating van Lambdastar in Nederland heeft ingediend. In deze procedure treedt Nederland (uitsluitend) op als de lidstaat die de aanvraag van LS onderzoekt, in de zin van artikel 35 en artikel 36 van de gewasbeschermingsverordening. Ierland en Duitsland zijn de lidstaten die een beslissing moeten nemen over de aanvragen om (verlengde) toelating van Lambdastar, als bedoeld in artikel 36, tweede en derde lid, van de gewasbeschermingsverordening. Het Hof van Justitie omschrijft in het arrest Closer de rolverdeling als volgt: de onderzoekende lidstaat – in dit geval Nederland – verricht de risicobeoordeling en de betrokken lidstaten – in dit geval Ierland en Duitsland – zijn belast met het risicobeheer en het nemen van de uiteindelijke beslissing op de aanvraag om toelating op hun respectieve grondgebied (punt 62). Weliswaar vormt de risicobeoordeling die het Ctgb namens Nederland maakt een onderdeel van het feitencomplex op grond waarvan Ierland en Duitsland die uiteindelijke beslissingen nemen (zie het arrest Closer, punt 73), en komt in dat kader aan de risicobeoordeling door het Ctgb een zwaar gewicht toe, maar dat maakt nog niet dat het beoordelingsverslag een besluit is. Het zijn de beslissingen op de aanvragen om (verlengde) toelating door Ierland en Duitsland die de definitieve rechtspositie van LS bepalen.
LS heeft gesteld dat volgens artikel 37 van de gewasbeschermingsverordening de lidstaat die de aanvraag onderzoekt, bevoegd is om de aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren en dat tegen dit besluit bezwaar en beroep openstaat, zodat het binnen de systematiek van de verordening past om ook hier aan te nemen dat het om een besluit gaat. Dit geeft de voorzieningenrechter geen aanleiding om in afwijking van 4.1 te oordelen dat het beoordelingsverslag als een besluit moet worden aangemerkt. Met het afronden van het beoordelingsverslag is nog geen beslissing genomen op de aanvraag om (verlengde) toelating. Tegen de beslissing op de aanvraag om (verlengde) toelating kunnen rechtsmiddelen worden aangewend, in dit geval in Ierland en Duitsland.
Ook de subsidiaire stelling van LS, dat het beoordelingsverslag zou moeten worden aangemerkt als een beslissing inzake de procedure ter voorbereiding van een besluit dat los van het voor te bereiden besluit LS rechtstreeks in zijn belang treft, als bedoeld in artikel 6:3 van de Awb, slaagt niet. Het gaat hier namelijk niet om de voorbereiding van een besluit dat in Nederland wordt genomen. De definitieve beslissingen op de aanvragen om (verlengde) toelating worden immers in Ierland en Duitsland genomen.
5 Uit het voorgaande volgt dat LS in Nederland op grond van de Awb noch op grond van de gewasbeschermingsverordening een rechtsingang heeft om het beoordelingsverslag aan te vechten. De voorzieningenrechter ziet ook geen aanleiding om omwille van de rechtsbescherming het beoordelingsverslag gelijk te stellen met een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Mocht LS het niet eens zijn met de beslissingen die de bevoegde instanties in respectievelijk Ierland en Duitsland over de (verlengde) toelating van Lambdastar, dan kan LS de rechtmatigheid van die beslissingen aldaar aanvechten. De stelling van LS dat in Duitsland de jurisprudentielijn een effectieve rechtelijke bescherming in de weg staat, maakt niet dat er een rechtsgang tegen de beoordeling in Nederland zou openstaan. De rechtmatigheid van deze gestelde jurisprudentielijn kan LS in een (rechterlijke) procedure in Duitsland aan de orde stellen.
6 Gelet op het voorgaande is het beoordelingsverslag van 22 juni 2026 naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Het Ctgb zal het bezwaar daartegen van LS daarom niet-ontvankelijk moeten verklaren. Dat betekent dat er geen reden is om een voorlopige voorziening te treffen.
7 De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Het Ctgb hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Gijzen, in aanwezigheid van mr. A.C. van Helvoort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026.
w.g. A. van Gijzen w.g. A.C. van Helvoort
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bijlage
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 1:3, eerste lid
Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Artikel 8:81
Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen
Artikel 35
De lidstaat die de aanvraag onderzoekt
De aanvraag wordt onderzocht door de lidstaat die door de aanvrager wordt voorgesteld, tenzij een andere lidstaat in dezelfde zone bereid is de aanvraag te onderzoeken. De lidstaat die de aanvraag zal onderzoeken, brengt de aanvrager daarvan op de hoogte.
Op verzoek van de lidstaat die de aanvraag onderzoekt, verlenen de andere lidstaten in dezelfde zone waarbij de aanvraag is ingediend, hun medewerking om een billijke verdeling van het werk te garanderen.
De andere lidstaten in de zone waarvoor de aanvraag is ingediend laten het dossier rusten in afwachting van de beoordeling door de lidstaat die de aanvraag onderzoekt.
Indien de aanvraag betrekking heeft op meer dan één zone, bereiken de lidstaten die de aanvraag beoordelen overeenstemming over de beoordeling van gegevens die geen verband houden met de omstandigheden van het milieu en de landbouw.
Artikel 36
Onderzoek voor toelating
1. De lidstaat die de aanvraag onderzoekt, voert op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis met gebruikmaking van de richtsnoeren die ten tijde van de aanvraag beschikbaar zijn, een onafhankelijke, objectieve en transparante beoordeling uit. Hij geeft alle lidstaten in dezelfde zone de mogelijkheid tot het indienen van opmerkingen waarmee tijdens de beoordeling rekening moet worden gehouden.
Daarbij worden de in artikel 29, lid 6, bedoelde uniforme beginselen voor de beoordeling en de toelating van gewasbeschermingsmiddelen toegepast om voor zover mogelijk vast te stellen of het gewasbeschermingsmiddel in dezelfde zone aan de eisen van artikel 29 voldoet wanneer het overeenkomstig artikel 55 en in realistische gebruiksomstandigheden wordt gebruikt.
De lidstaat die de aanvraag onderzoekt, maakt zijn beoordeling toegankelijk voor de andere lidstaten in dezelfde zone. De vorm van het beoordelingsverslag wordt vastgesteld volgens de in artikel 79, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure.
2. Dienovereenkomstig verlenen of weigeren de betrokken lidstaten toelatingen op grond van de conclusies van de beoordeling door de lidstaat die de aanvraag overeenkomstig de artikelen 31 en 32 heeft onderzocht.
3. In afwijking van lid 2 en krachtens het Gemeenschapsrecht kunnen passende voorwaarden worden opgelegd wat de naleving van de in artikel 31, leden 3 en 4 bedoelde voorschriften betreft, alsmede andere risicobeperkende maatregelen die voortvloeien uit specifieke gebruiksomstandigheden.
Indien de bezorgdheid van een lidstaat in verband met de gezondheid van mens en dier of het milieu niet kan worden weggenomen door de in de eerste alinea bedoelde nationale risicobeperkende maatregelen, kan een lidstaat weigeren een toelating voor een gewasbeschermingsmiddel op zijn grondgebied te verlenen indien die lidstaat, als gevolg van specifieke omstandigheden in verband met milieu of landbouw, gegronde redenen heeft om aan te nemen dat het betrokken middel nog steeds een onaanvaardbaar risico vormt voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu.
De lidstaat stelt de aanvrager en de Commissie onverwijld op de hoogte van zijn besluit en verstrekt daarvoor een technische of wetenschappelijke rechtvaardiging.
De lidstaten bieden de mogelijkheid om tegen het besluit waarbij een toelating voor een dergelijk product wordt geweigerd, in beroep te gaan bij de nationale rechterlijke instanties of bij andere beroepsinstanties.
Artikel 37
Onderzoekstermijn
1. De lidstaat die de aanvraag onderzoekt, beslist binnen twaalf maanden na ontvangst van de aanvraag of aan de toelatingseisen is voldaan.
Indien de lidstaat bijkomende informatie nodig heeft, stelt hij een termijn vast waarbinnen de aanvrager die moet verstrekken. In dat geval wordt de periode van twaalf maanden uitgebreid met de bijkomende termijn die de lidstaat toekent. De bijkomende termijn bedraagt ten hoogste zes maanden en loopt af op het ogenblik dat de lidstaat de bijkomende informatie ontvangt. Wanneer de aanvrager de ontbrekende elementen na afloop van die termijn niet heeft ingediend, meldt de lidstaat aan de aanvrager dat de aanvraag niet ontvankelijk is.
2. De in lid 1 vastgestelde termijnen worden tijdens de toepassing van de procedure van artikel 38 opgeschort.
3. In het geval van een toelatingsaanvraag voor een gewasbeschermingsmiddel dat een nog niet goedgekeurde werkzame stof bevat, begint de lidstaat die de aanvraag onderzoekt met de beoordeling zodra hij het in artikel 12, lid 1, bedoelde ontwerp-beoordelingsverslag heeft ontvangen. In het geval van een toelatingsaanvraag voor hetzelfde gewasbeschermingsmiddel en dezelfde gebruiksdoeleinden als het in artikel 8 bedoelde dossier, neemt de lidstaat een besluit over de aanvraag uiterlijk zes maanden nadat de werkzame stof is goedgekeurd.
4. Uiterlijk 120 dagen nadat zij van de lidstaat die de aanvraag onderzoekt het beoordelingsrapport en de kopie van de toelating hebben ontvangen, nemen de andere betrokken lidstaten een besluit over de aanvraag zoals bedoeld in artikel 36, leden 2 en 3.