ECLI:NL:CBB:2026:490

ECLI:NL:CBB:2026:490

Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak 13-10-2026
Datum publicatie 09-10-2026
Zaaknummer 23/1443
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Accountantstuchtrecht. Hoger beroep. Klacht tegen accountant, inhoudende dat de accountant als bestuurslid van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) in strijd heeft gehandeld met de geldende gedrags- en beroepsregels. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de accountant en het bestuur van de NBA wat de klachtonderdelen betreft in strijd hebben gehandeld met wet- en regelgeving. Daardoor heeft appellant geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die tot het oordeel kunnen leiden dat de accountant tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Naar het oordeel van het College heeft de accountantskamer terecht de klachtonderdelen ongegrond verklaard. Verder heeft de accountantskamer terecht de nieuwe klachtonderdelen die appellant op de zitting van de accountantskamer naar voren heeft gebracht buiten behandeling gelaten wegens strijd met de goede procesorde. Ook is het College met de accountantskamer van oordeel dat appellant met zijn verwijzingen naar een brief van het bestuur en het handhavingsverzoek dat hij aan de minister van Financiën heeft verstuurd, niet duidelijk heeft gemaakt wat hij de accountant, naast de klachtonderdelen a tot en met d, concreet verwijt. Daarom voldoet het klaagschrift met de enkele verwijzing naar deze stukken niet aan artikel 22, derde lid, van de Wtra. Het hoger beroep is ongegrond.

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 oktober 2026 op het hoger beroep van:

mr. drs. [naam 1] , te [woonplaats]

[naam 2]

uitspraak

zaaknummer: 23/1443

tegen de uitspraak van de accountantskamer van 26 mei 2023 waarbij is beslist op een klacht, ingediend door [naam 1] tegen

(gemachtigden: mr. M.L. Batting en mr. M. Feenstra)

Procesverloop in hoger beroep

[naam 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 26 mei 2023, met nummer 22/1752 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2023:36) (bestreden uitspraak).

[naam 2] heeft een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven.

[naam 1] heeft nadere stukken ingezonden.

De zitting was op 12 mei 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 1] , en [naam 2] , bijgestaan door haar gemachtigden. Op deze zitting is ook het beroep in de zaken 23/1444 en 24/256 behandeld.

Grondslag van het geschil

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, verwijst het College naar de bestreden uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

[naam 2] is sinds 16 april 1996 ingeschreven in het accountantsregister van de NBA. Zij maakte deel uit van het bestuur van de NBA (bestuur) van december 2020 tot 11 december 2023.

[naam 1] heeft medio 2022 een aantal e-mailberichten met in totaal 43 vragen, die hij tijdens de rondvraag van de ledenvergadering van de NBA aan de orde wilde stellen, toegestuurd aan het bestuur. Deze vragen heeft de voorzitter van de NBA met de brief van 13 juni 2022 namens het bestuur beantwoord. Met de brief van 11 september 2022 heeft [naam 1] de minister van Financiën verzocht om de Verordening op de kennistoets (Stcrt. 2015, nr. 31704) te vernietigen, evenals de nadere voorschriften permanente educatie 2019 (Stcrt. 2018, nr. 67721, laatstelijk gewijzigd Staatscourant 2021, nr. 15279), het besluit tot vaststelling van de (gewijzigde) Gedragscode NBA bestuur, het besluit mandaat en machtiging bestuur NBA (Stcrt. nr. 30101) en de daarop gebaseerde ondermandaatbesluiten, het besluit tot benoeming van [naam 3] tot lid van het bestuur, de benoemingsbesluiten van andere bestuursleden en de overige op de ledenvergadering van 13 juni 2022 genomen besluiten. De besluitvorming van de minister naar aanleiding van de brief van 11 september 2022 heeft geleid tot het beroep dat is geregistreerd onder zaaknummer 23/1444.

Uitspraak van de accountantskamer

De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden, houdt in dat [naam 2] in haar functie van lid van het bestuur in strijd heeft gehandeld met de voor haar geldende gedrags- en beroepsregels. [naam 1] verwijt [naam 2] het volgende:

a. [naam 2] heeft als lid van het bestuur door haar doen en/of nalaten eraan meegewerkt, dan wel in strijd met haar plicht niet verhinderd, dat besluiten zijn genomen en gehandhaafd die in strijd zijn met de wet en het recht en dat Nadere Voorschriften in strijd met de wettelijke verplichting niet aan de minister van Financiën zijn medegedeeld en niet in de Staatscourant zijn gepubliceerd;

b. [naam 2] heeft als lid van het bestuur eraan meegewerkt, dan wel niet verhinderd, dat accountants in business tuchtrechtelijk zijn vervolgd vanwege het niet voldoen aan de PE-verplichting;

c. [naam 2] heeft als lid van het bestuur niet verhinderd dat besluiten tot afgifte van

bewijzen van vakbekwaamheid en inschrijving in het accountantsregister zonder geldig mandaat zijn genomen;

d. [naam 2] heeft als lid van het bestuur er niet voor gezorgd dat de jaarrekening 2021 van de NBA tijdig is opgesteld, gedateerd en ondertekend en dat het besluit tot het opstellen van de jaarrekening genotuleerd is.

In de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht in al zijn onderdelen ongegrond verklaard.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

[naam 1] keert zich met twee hogerberoepsgronden tegen de bestreden uitspraak. De beoordeling van de hogerberoepsgronden leidt tot het oordeel dat de accountantskamer de klacht van [naam 1] terecht ongegrond heeft verklaard.

Hogerberoepsgrond 1: de accountantskamer heeft de klacht ten onrechte ongegrond verklaard

Met de eerste hogerberoepsgrond voert [naam 1] aan dat de accountantskamer ten onrechte de klacht in al zijn onderdelen ongegrond heeft verklaard. Deze hogerberoepsgrond valt uiteen in vijf subonderdelen, namelijk één subonderdeel met een algemene strekking en vier subonderdelen die betrekking hebben op de beoordeling van de klachtonderdelen a tot en met d door de accountantskamer.

Subonderdeel een: de accountantskamer heeft een onjuist toetsingskader toegepast

[naam 1] voert met het eerste subonderdeel aan dat de accountantskamer in de bestreden uitspraak ten onrechte heeft overwogen dat de accountantskamer het handelen en/of nalaten van [naam 2] toetst aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA). Dat is een onjuist toetsingskader, want de accountantskamer had het handelen en nalaten van [naam 2] moeten toetsen aan het recht en met name aan het bepaalde in artikel 42, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op het accountantsberoep (Wab).

Bij de beoordeling van dit subonderdeel stelt het College het volgende voorop. In artikel 42, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wab is bepaald dat een accountant bij de uitoefening van zijn beroep is onderworpen aan tuchtrechtspraak op grond van de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met wat bij of op grond van de Wab is bepaald, en enig ander handelen of nalaten in strijd met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep. Artikel 42 van de Wab vormt hiermee de algemene grondslag voor het accountantstuchtrecht.

Op grond van artikel 19, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wab stelt de ledenvergadering van de NBA verordeningen vast met betrekking tot gedrags- en beroepsregels ten behoeve van een goede uitoefening van de werkzaamheden van accountants. Met de VGBA heeft de ledenvergadering van de NBA gedrags- en beroepsregels vastgesteld als bedoeld in artikel 19, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wab. Daarmee bevat de VGBA op grond van de Wab bepaalde voorschriften als bedoeld in artikel 42, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wab.

Gelet op het voorgaande heeft de accountantskamer onder 5.2 van de bestreden uitspraak terecht overwogen dat zij het handelen en nalaten van [naam 2] aan de VGBA toetst. Naar het oordeel van het College ligt in die overweging besloten dat de accountantskamer haar uitspraak (eveneens) heeft gebaseerd op artikel 42, van de Wab. Het College volgt [naam 1] dus niet in zijn betoog dat de accountantskamer een onjuist toetsingskader heeft toegepast.

Het eerste subonderdeel slaagt niet.

Subonderdelen twee tot en met vijf: gronden per klachtonderdeel

Met het tweede tot en met het vijfde subonderdeel voert [naam 1] gronden aan tegen de beoordeling van de vier klachtonderdelen a tot en met d door de accountantskamer. Deze vier klachtonderdelen zien op meerdere besluiten die het bestuur van de NBA heeft genomen. Op de zitting bij het College heeft [naam 1] nog toegelicht dat [naam 2] zich van deze besluiten had moeten distantiëren en had moeten aftreden als bestuurslid om de desbetreffende besluitvorming te verhinderen. [naam 1] heeft in dit verband verwezen naar de uitspraak van het College van 28 januari 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:29).

Het College volgt [naam 1] niet in zijn betoog. Volgens vaste rechtspraak van het College ((zie de uitspraken van 15 december 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:989) onder 5, en 7 april 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:140) onder 4.5)) moet, gelet op het bepaalde in artikel 42 van de Wab, een tegen de accountant ingediende klacht betrekking hebben op tuchtrechtelijk toetsbare gedragingen van individuele beroepsuitoefening. In een tuchtprocedure als deze is het in beginsel aan [naam 1] in zijn hoedanigheid van klager om feiten en omstandigheden te stellen en – in geval van (gemotiveerde) betwisting – aannemelijk te maken, die tot het oordeel kunnen leiden dat de betrokken accountant tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

In de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van het College van 28 januari 2025 stond vast, gelet op wat het College in die uitspraak onder 6.2 heeft overwogen, dat de accountant en het bestuur van de Vereniging van Eigenaren (VvE), waarvan hij penningmeester en secretaris was, in strijd handelden met wet- en regelgeving over appartementsrechten. Ook stond vast dat de accountant, nadat hij had geconstateerd dat hij en het bestuur van de VvE in strijd handelden met wet- en regelgeving, geen toereikende maatregel op de voet van artikel 22 van de VGBA had getroffen.

In deze zaak heeft [naam 1] tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door [naam 2] niet aannemelijk gemaakt dat [naam 2] en het bestuur wat betreft de klachtonderdelen a tot en met d in strijd hebben gehandeld met wet- en regelgeving. Daarbij neemt het College mede in aanmerking dat niet is gebleken van een erkenning van het bestuur van de NBA, noch van een besluit van de ledenvergadering van de NBA, noch van een rechterlijke uitspraak waaruit zou blijken dat het bestuur van de NBA onrechtmatige besluiten heeft genomen. Ook neemt het College in aanmerking dat de minister, in antwoord op het verzoek van [naam 1] in zijn brief van 11 september 2022 om de hiervoor onder 1.3 genoemde regelgeving en besluiten van het NBA-bestuur voor te dragen voor vernietiging door de Kroon, geen reden heeft gezien daaraan tegemoet te komen. Gelet op het voorgaande heeft [naam 1] geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die tot het oordeel kunnen leiden dat [naam 2] tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Gelet op het voorgaande slaagt hogerberoepsgrond 1 niet.

Hogerberoepsgrond 2: de accountantskamer heeft klachtonderdelen ten onrechte gepasseerd of niet in het geding betrokken

De tweede hogerberoepsgrond valt uiteen in twee subonderdelen. Met het eerste subonderdeel keert [naam 1] zich tegen wat de accountantskamer onder 4.4 van de bestreden uitspraak heeft overwogen. Het tweede subonderdeel heeft betrekking op wat de accountantskamer onder 5.4 van de bestreden uitspraak heeft overwogen.

Subonderdeel 1: ten onrechte heeft de accountantskamer de klacht over de Nadere voorschriften kwaliteitssystemen buiten behandeling gelaten

Met het eerste subonderdeel voert [naam 1] aan dat de accountantskamer onder 4.4 van de bestreden uitspraak ten onrechte heeft overwogen dat, voor zover hij op de zitting van de accountantskamer nieuwe klachtonderdelen heeft geformuleerd, zoals zijn klacht over de Nadere voorschriften kwaliteitssystemen, die wegens strijd met de goede procesorde buiten behandeling worden gelaten. Met deze overweging heeft de accountantskamer de brede strekking van klachtonderdeel a miskend, waarin een breed geformuleerd verwijt wordt gemaakt over het nemen van besluiten in strijd met het recht.

Het College onderschrijft wat de accountantskamer onder 4.4 van de bestreden uitspraak heeft overwogen. Volgens vaste rechtspraak van het College ((zie bijvoorbeeld de uitspraken van 18 december 2014 (ECLI:NL:CBB:2014:460) onder 3.8.2 en 18 december 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:659) onder 3.6)) is het uit een oogpunt van een behoorlijke tuchtprocedure in beginsel niet toegestaan een klacht nog ter zitting bij de accountantskamer uit te breiden. Het College stelt vast dat [naam 1] in zijn klaagschrift ter onderbouwing van klachtonderdeel a het bestuur verwijt dat het bestuur als onwettige besluiten heeft aangenomen de code goed NBA bestuur, de Verordening examen Nederlands recht en examen Gedrags- en beroepsregels, en de verplichting tot het afleggen van een kennistoets. In de pleitnota die [naam 1] op de zitting van de accountantskamer heeft overgelegd en voorgedragen, verwijt [naam 1] het bestuur dat het bestuur in de Nadere Voorschriften Kwaliteitssystemen aan accountantspraktijken en accountantsafdelingen een verplichting tot het in stand houden van een kwaliteitssysteem heeft opgelegd, terwijl het daartoe niet bevoegd is. Het College is met de accountantskamer van oordeel dat het klachtonderdeel van [naam 1] over de Nadere voorschriften kwaliteitssystemen niet is te herleiden tot de klacht en daarmee een uitbreiding is van zijn klacht, en dat een behandeling daarvan in strijd is met de goede procesorde. [naam 1] heeft geen omstandigheden gesteld die het College tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

Gelet hierop slaagt dit subonderdeel niet.

Subonderdeel 2: overweging 5.4 van de bestreden uitspraak is onjuist

Met het tweede subonderdeel voert [naam 1] aan dat wat de accountantskamer onder 5.4 van de bestreden uitspraak heeft overwogen, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Naar het oordeel van de accountantskamer heeft [naam 1] met zijn verwijzingen naar de brief van het bestuur van 13 juni 2022 en het handhavingsverzoek dat hij op 11 september 2022 aan de minister van Financiën heeft verstuurd, niet duidelijk gemaakt wat hij [naam 2] , naast de klachtonderdelen a tot en met d, concreet verwijt. De brief bevat de antwoorden van het bestuur op 43 vragen van [naam 1] en het handhavingsverzoek bevat een veelheid aan verwijten aan de NBA, zowel aan het bestuur, als de ledenvergadering en de NBA in het algemeen. Het klaagschrift voldoet met de verwijzing naar beide stukken niet aan artikel 22, derde lid, van de Wtra en daarom is dit onderdeel van de klacht ongegrond. Volgens [naam 1] blijkt uit het handhavingsverzoek echter voldoende duidelijk op welke onrechtmatige besluiten het verwijt betrekking heeft. Verder heeft [naam 2] onder 7.4.8 van haar verweerschrift verweer gevoerd tegen de klachtonderdelen uit het handhavingsverzoek. Ook daarom is het onjuist dat de accountantskamer dit klachtonderdeel ongegrond heeft verklaard.

Het College is met de accountantskamer van oordeel dat [naam 1] met zijn verwijzingen naar de brief van het bestuur van 13 juni 2022 en het handhavingsverzoek dat hij op 11 september 2022 aan de minister van Financiën heeft verstuurd, niet duidelijk heeft gemaakt wat hij [naam 2] , naast de klachtonderdelen a tot en met d, concreet verwijt. Daarom voldoet het klaagschrift met de enkele verwijzing naar deze stukken niet aan artikel 22, derde lid, van de Wtra, voor zover daarin is bepaald dat in het klaagschrift de feiten moeten worden vermeld waarvoor een tuchtrechtelijke maatregel wordt gevraagd. Anders dan [naam 1] heeft betoogd, heeft [naam 2] geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen het handhavingsverzoek. [naam 2] heeft zich in het verweerschrift in eerste aanleg, samengevat, slechts op het standpunt gesteld dat de verwijzing van [naam 1] naar het handhavingsverzoek geen doel treft. Zij stelt dat het handhavingsverzoek het handelen en nalaten van het bestuur en [naam 1] betreft en niet concretiseert voor welke individuele gedragingen [naam 2] een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Om die reden zag [naam 2] geen aanleiding om de verwijten in het handhavingsverzoek één voor één langs te lopen en te weerleggen.

Gelet op het voorgaande slaagt dit subonderdeel van de hogerberoepsgrond niet.

Conclusie

6 De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

7 De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wtra.

Beslissing

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.S.J. Albers, mr. H.L. van der Beek en

mr. W.J.A.M. van Brussel, in aanwezigheid van mr. D.L. van Hal-Vermeer, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2026.

w.g. H.S.J. Albers w.g. D.L. van Hal-Vermeer

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. D.L. van Hal-Vermeer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand