COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 13 oktober 2026 in de zaak tussen
[naam 1] , te [woonplaats]
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
uitspraak
zaaknummer: 24/995
(gemachtigde: ing. [naam 2] )
en
(gemachtigden: mr. S.H.B. van der Zalm en mr. E. Hol)
Procesverloop in beroep
De maatschap heeft tegen het besluit van 8 oktober 2024 (bestreden besluit 1) beroep ingesteld.
De minister heeft op 12 augustus 2026 een nieuw besluit (bestreden besluit 2) genomen.
De zitting was op 26 augustus 2026. Aan de zitting hebben de gemachtigden van de minister deelgenomen.
Overwegingen
1. Met het besluit van 21 mei 2024 heeft de minister de aanvraag van de maatschap voor betaling van de basispremie, de extra betaling eerste 40 hectare, de extra betaling jonge landbouwers en de eco-regeling op grond van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) 2023 gedeeltelijk afgewezen. De maatschap heeft bezwaar gemaakt tegen de door de minister geconstateerde oppervlakten van de percelen 10 tot en met 28, nu deze kleiner zijn dan door haar opgegeven. Met het bestreden besluit 1 heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard en de gedeeltelijke afwijzing gehandhaafd. Daartegen heeft de maatschap beroep ingesteld.
2 Naar aanleiding van het beroep heeft de minister met het bestreden besluit 2 de oppervlakten van de percelen opnieuw beoordeeld en het bezwaar alsnog gedeeltelijk gegrond verklaard. Voor perceel 24 is geheel tegemoetgekomen, voor perceel 13 is niet tegemoetgekomen en voor de overige percelen is deels tegemoetgekomen. De minister heeft alsnog een bedrag van € 633,33 toegekend en de proceskosten in verband met het bezwaar aan de maatschap vergoed.
3 Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij een partij daarbij onvoldoende belang heeft.
4 Nu niet volledig aan het bezwaar is tegemoetgekomen, heeft de maatschap belang bij beoordeling van het bestreden besluit 2. Het beroep heeft daarom van rechtswege mede betrekking op dat besluit.
5 Naar aanleiding van het bestreden besluit 2 heeft het College de maatschap gevraagd of zij haar beroep wenst in te trekken of op andere gronden wenst te handhaven. Daarop is geen reactie gekomen. De maatschap heeft zich ook niet laten vertegenwoordigen ter zitting. Het College leidt daaruit af dat de maatschap geen bezwaren heeft tegen het bestreden besluit 2. Het beroep tegen dat besluit is daarom ongegrond.
6 Het beroep tegen het bestreden besluit 1 moet niet-ontvankelijk worden verklaard, nu gesteld noch is gebleken dat de maatschap nog enig belang heeft bij de beoordeling van dat besluit.
7 Nu de minister het bestreden besluit 2 heeft genomen naar aanleiding van het beroep van de maatschap, zal het College de minister veroordelen in de door de maatschap gemaakte kosten in beroep. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift; waarde per punt € 934,- en wegingsfactor 1). De minister moet ook het griffierecht aan de maatschap vergoeden.
Beslissing
Het College:
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, mr. H.L. van der Beek en mr. M.L. Noort, in aanwezigheid van mr. C.A. Blankenstein, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2026.
R.C. Stam w.g. C.A. Blankenstein
De voorzitter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.