COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 20 oktober 2026 in de zaak tussen
maatschap [naam] , te [vestigingsplaats] (maatschap)
de minister van Klimaat en Groene Groei
uitspraak
zaaknummer: 25/471
(gemachtigde: mr. C.M.H. Cohen)
en
(gemachtigde: mr. M.J. Schulte)
Procesverloop in beroep
De maatschap heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 8 mei 2025. Met dat besluit heeft de minister het bezwaar van de maatschap tegen het afgewezen herzieningsverzoek ongegrond verklaard (bestreden besluit).
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 25 augustus 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam] en namens de minister de gemachtigde.
Waar gaat deze zaak over?
De maatschap heeft op 12 februari 2023 een Investeringssubsidie Duurzame Energie en Energiebesparing (ISDE) aangevraagd voor een windturbine. Met het besluit van 22 maart 2023 heeft de minister de maatschap een subsidie verleend voor een bedrag van € 13.068,-.
Met het besluit van 16 juni 2023 heeft de minister de subsidie op nihil vastgesteld (vaststellingsbesluit) omdat de maatschap volgens de minister al verplichtingen was aangegaan voor de indiening van de subsidieaanvraag. Volgens de minister heeft de maatschap op 9 september 2022 een offerte voor een windmolen ondertekend en op
10 februari 2023 15% van de factuur betaald. Door het aangaan van de deze verplichtingen voordat de subsidie was aangevraagd, ontbrak volgens de minister het stimulerend effect van de subsidie en had de subsidie niet verleend mogen worden.
Het door de maatschap gemaakte bezwaar tegen het vaststellingsbesluit is ongegrond verklaard. De maatschap heeft daartegen geen beroep ingesteld.
Op 16 september 2024 heeft de maatschap de minister gevraagd om die ongegrondverklaring te herzien (herzieningsverzoek), omdat er sprake zou zijn van nieuwe feiten en omstandigheden. Met het besluit van 5 december 2024 heeft de minister dit herzieningsverzoek afgewezen (afwijzingsbesluit), omdat de maatschap geen nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft aangedragen.
De maatschap heeft bezwaar gemaakt tegen het afwijzingsbesluit. De minister heeft dit bezwaar ongegrond verklaard onder herhaling van zijn standpunt in het afwijzingsbesluit dat de door de maatschap aangedragen informatie al bekend was voor het vaststellingsbesluit en dus in bezwaar tegen het vaststellingsbesluit had kunnen worden ingebracht.
Beoordeling van het beroep
2 Aan de orde is de vraag of de minister het herzieningsverzoek terecht heeft afgewezen omdat er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en licht dit hieronder toe.
Nieuwe feiten en omstandigheden
De maatschap stelt zich op het standpunt dat er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. De maatschap voert aan dat zij geen verplichtingen is aangegaan voordat de subsidieaanvraag is gedaan. De offerte voor de aanschaf van de windturbine is namelijk maar door één van de maten ondertekend. Uit het uittreksel uit het handelsregister blijkt dat bij bedragen boven de € 5.000,- beide maten moeten tekenen om de maatschap te kunnen binden. Omdat de offerte meer dan € 5.000,- bedraagt is er daarom geen rechtsgeldige overeenkomst tot stand gekomen. Daarnaast bestond de offerte uit twee onlosmakelijk met elkaar verbonden delen. De vertegenwoordiger van het bedrijf dat de windturbine leverde heeft slechts één van de onlosmakelijk met elkaar verbonden offertes ondertekend. Ook om deze reden is er volgens de maatschap geen rechtsgeldige overeenkomst tot stand gekomen. De omstandigheid dat alleen ondertekening door beide maten de maatschap kan binden is een nieuw feit, of in ieder geval een omstandigheid waar de minister geen rekening mee heeft gehouden en ook geen navraag naar heeft gedaan. Het had op de weg van de minister gelegen om aanvullende informatie op te vragen over het moment waarop verplichtingen zijn aangegaan. Dit heeft de minister ten onrechte niet gedaan.
Het College oordeelt als volgt. Artikel 4:6, eerste lid, van de Awb bepaalt dat, als na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Het tweede lid van artikel 4:6 van de Awb bepaalt dat wanneer geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden worden vermeld, het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb de aanvraag kan afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
Bij een verzoek om terug te komen van een onherroepelijk geworden besluit is een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd om het verzoek inhoudelijk te behandelen. Daarbij zal het bestuursorgaan het oorspronkelijke besluit in volle omvang heroverwegen en kan het bestuursorgaan het verzoek inwilligen of afwijzen. Het bestuursorgaan kan er ook voor kiezen om – in afwijking hiervan en zoals ook in dit geval is gedaan – het verzoek onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende of belastende besluit af te wijzen. Voorwaarde is dan wel dat niet gebleken mag zijn van een nieuw feit of veranderde omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb of van een relevante wijziging van het recht. Als het bestuursorgaan ervoor gekozen heeft om het verzoek zonder inhoudelijke behandeling af te wijzen, dan zal de bestuursrechter toetsen of het bestuursorgaan zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd, op het standpunt heeft gesteld dat zich geen nieuw feit of veranderde omstandigheid of een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan. Als dat het geval is, heeft het bestuursorgaan het verzoek terecht afgewezen, behalve als er sprake is van evidente onredelijkheid (zie bijvoorbeeld de uitspraken van het College van 3 november 2020, ECLI:NL:CBB:2020:781 en 3 maart 2026, ECLI:NL:CBB:2026:81).
Het College stelt vast dat de informatie uit het uittreksel uit het handelsregister waarnaar de maatschap verwijst al bekend was op het moment van de subsidieaanvraag. Dat betekent dat het uittreksel met die informatie ingebracht kon worden in bezwaar tegen het vaststellingsbesluit. Hetzelfde geldt voor de conclusie van de maatschap dat er door het ontbreken van de handtekening van de tweede maat geen rechtsgeldige overeenkomst tot stand is gekomen voordat de subsidie werd aangevraagd. Dat heeft de maatschap niet gedaan en dat komt voor haar rekening en risico. Het College komt daarmee tot het oordeel dat de minister terecht heeft vastgesteld dat er geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden, waardoor de minister het herzieningsverzoek terecht heeft afgewezen met verwijzing naar artikel 4:6 van de Awb. Uit wat de maatschap heeft aangevoerd kan ook niet worden opgemaakt dat sprake is van omstandigheden die maken dat het afwijzen van het herzieningsverzoek evident onredelijk is.
Slotsom
4. Het College zal het beroep ongegrond verklaren. Dat betekent dat de maatschap geen gelijk krijgt. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Duuren, mr. M.J. Jacobs en mr. J.H. de Wildt, in aanwezigheid van mr. E.M.M.A. Driessen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2026.
w.g. M. van Duuren w.g. E.M.M.A. Driessen