COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 27 oktober 2026 in de zaak tussen
[naam] , te [woonplaats] ( [naam] )
uitspraak
zaaknummer: 24/735
en
de staatssecretaris (voorheen de minister) van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigde: mr. S. Piron)
Procesverloop in beroep
[naam] heeft tegen het besluit van 12 juli 2024 (beslissing op bezwaar) beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 9 oktober 2026. De zaak is aan de orde gesteld. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.
Inleiding
[naam] houdt hobbymatig een groot aantal konijnen, kippen en hanen. Op
10 januari 2024 hebben toezichthouders van de Landelijke Inspectiedienst Dieren, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en toezichthouders van de gemeente een controle uitgevoerd bij [naam] . De bevindingen hiervan zijn neergelegd in het rapport van bevindingen van 12 januari 2024. Naar aanleiding van deze bevindingen heeft de staatssecretaris [naam] een last onder dwangsom opgelegd met daarin 23 maatregelen (dwangsombesluit).
[naam] heeft bezwaar gemaakt tegen het dwangsombesluit. In de beslissing op bezwaar heeft de staatssecretaris dit bezwaar deels gegrond verklaard en acht maatregelen uit het dwangsombesluit herroepen.
Aan het dwangsombesluit is een looptijd van een jaar verbonden. [naam] heeft geen dwangsommen verbeurd.
Beoordeling van het beroep
Het College beoordeelt eerst of [naam] belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep (procesbelang). Als het procesbelang ontbreekt, is het beroep niet-ontvankelijk. Dat is naar het oordeel van het College hier het geval. Hieronder legt het College uit waarom.
Voor de vraag of er nog procesbelang bestaat, is van belang wat [naam] met zijn beroep nastreeft. Het doel dat [naam] hiermee wil bereiken, moet hij ook daadwerkelijk kunnen bereiken en dat resultaat moet voor hem feitelijke betekenis hebben en niet alleen hypothetische. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van procesbelang. Daarbij geldt dat in beginsel geen procesbelang kan zijn gelegen in de beoordeling van een al verstreken periode, of een inmiddels ingetrokken of vervallen besluit, tenzij sprake is van een onderbouwd verzoek om schadevergoeding, dan wel als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn bij toekomstige (terugkerende) besluiten. Het College verwijst in dit verband naar zijn vaste rechtspraak als neergelegd in onder andere de uitspraak van 24 mei 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:256, onder 6.1).
[naam] heeft in reactie op een vraag van het College wat hij met het beroep tegen de last wil bereiken en waarin zijn procesbelang is gelegen, naar voren gebracht dat er procesbelang is gelegen in de vergoeding van proceskosten en andere kosten.
Het College stelt vast dat de looptijd van de last onder dwangsom (één jaar) inmiddels is verstreken en de last daarmee is uitgewerkt. [naam] heeft geen dwangsommen verbeurd. Dit betekent dat [naam] in beginsel geen procesbelang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Over de door [naam] aangevoerde redenen waarom hij meent nog wel procesbelang te hebben, overweegt het College het volgende.
Over het verzoek van [naam] om vergoeding van de door hem gemaakte kosten in verband met de behandeling van het bezwaar overweegt het College als volgt. In bezwaar heeft [naam] niet overeenkomstig artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht om vergoeding van die kosten. Reeds hierom kan [naam] geen procesbelang ontlenen aan de omstandigheid dat geen vergoeding is toegekend voor de in bezwaar gemaakte kosten. Het College verwijst naar zijn rechtspraak in onder andere de uitspraak van 4 juni 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:378, onder 2.4.4). De door [naam] genoemde mogelijkheid om vergoeding van griffierecht en proceskosten in beroep te verkrijgen, is als procesbelang ontoereikend, omdat het bestuursorgaan ook tot vergoeding van die kosten kan worden veroordeeld zonder gegrondverklaring van het beroep. Het College constateert overigens dat de door [naam] gestelde kosten, voor zover die op de behandeling van het beroep betrekking hebben, niet als proceskosten kunnen worden aangemerkt die voor vergoeding in aanmerking komen. Tot slot stelt het College vast dat [naam] niet heeft gesteld dat hij schade heeft geleden ten gevolge van de last onder dwangsom of kosten heeft gemaakt om aan de last te voldoen. Hij heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de beoordeling van de last voor hem nog feitelijke betekenis heeft.
Slotsom
3 Het College oordeelt op grond van het voorgaande dat [naam] geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk en de inhoudelijke beroepsgronden behoeven dan ook niet te worden besproken.
4 Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Voor het laten vergoeden van het betaalde griffierecht bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.C.E. Winfield, mr. M.L. Noort en mr. P.H.A. Knol, in aanwezigheid van mr. E.M.M.A. Driessen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2026
w.g. W.C.E. Winfield w.g. E.M.M.A. Driessen