COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Otolift Trapliften B.V., te Bergambacht
[naam 1] B.V., te [vestigingsplaats]
uitspraak
Zaaknummers: 24/304, 24/305 en 24/306
uitspraak van de meervoudige kamer van 17 februari 2026 op de hoger beroepen van
Handicare Stairlifts B.V., te Heerhugowaard
TK Home Solutions B.V., te Krimpen aan den IJssel
(trapliftproducenten)
(gemachtigden: mr. W.A.A.M. Duineveld en mr. M.G. Jansen)
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 februari 2024, 23/593, 23/598 en 23/603, in het geding tussen
de trapliftproducenten
en
de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, nu de staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport
(gemachtigden: mr. I. Brink en mr. I.C.M. Nijland)
met als derde partij
(gemachtigde: mr. M.Ch. Kaaks)
Procesverloop in hoger beroep
De trapliftproducenten hebben afzonderlijk hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 februari 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:985).
De staatssecretaris heeft een reactie op de hogerberoepschriften ingediend.
[naam 1] heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven en nadere stukken ingediend.
De trapliftproducenten hebben nadere stukken ingediend.
De zitting was op 15 december 2025. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Verder waren aanwezig [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] namens de trapliftproducenten, [naam 5] namens [naam 1] , W.G. Kasteleijn, werkzaam bij het Liftinstituut en G.G. Ros en L. van Kesteren, werkzaam bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).
De trapliftproducenten hebben verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Grondslag van het geschil
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak, alsook naar de uitspraak van de rechtbank van 7 februari 2022 (ECLI:NL:RBROT:2022:878). Het College volstaat met het volgende.
De trapliftproducenten produceren trapliften. Een traplift bestaat uit een stoel, die door middel van een elektromotor wordt voortbewogen over een railbaan, die is bevestigd op een trap in een woning. Een traplift is bedoeld voor personen die niet op eigen kracht naar boven of naar beneden kunnen.
De trapliftproducenten hebben de staatssecretaris medio 2020 met afzonderlijke verzoeken verzocht om handhavend op te treden tegen [naam 1] . De handhavingsverzoeken zijn inhoudelijk grotendeels gelijkluidend en vinden volgens de trapliftproducenten hun grondslag in de problematiek met betrekking tot de veiligheids- en certificeringsaspecten van gereviseerde tweedehands trapliften. In hun verzoeken wijzen de trapliftproducenten ieder voor zich op een door hen zelf geproduceerde, maar door [naam 1] gereviseerde, doorverkochte en geplaatste traplift zonder dat [naam 1] daarvoor een beoordelingsprocedure heeft doorlopen of een nieuwe CE-markering heeft aangevraagd. Op hun verzoek heeft het Liftinstituut de drie trapliften onderzocht. In de daartoe opgemaakte rapporten heeft het Liftinstituut zijn bevindingen over de trapliften weergegeven en het volgende geconcludeerd:
“Een traplift is specifiek ontworpen en geproduceerd voor een specifieke omgeving. De CE-markering en Verklaring van Overeenstemming heeft hier betrekking op. Voor een andere locatie moet de installatie opnieuw ontworpen worden wat in de regel tot aanpassingen van de railbaan leidt. Deze aanpassingen zijn hierdoor ingrijpende wijzigingen waardoor er, overeenkomstig de vigerende wetgeving (Warenwetbesluit machines) een nieuwe machine ontstaat. Hierdoor moeten de overeenstemmingsprocedures opnieuw gevolgd worden en een nieuwe Verklaring van Overeenstemming met CE-markering worden afgegeven. Ook voor deze installatie is dit het geval. Daarbij is het ontwerp en installatie niet overeenkomstig dan wel gelijkwaardig aan de veiligheidsnorm.”
Met afzonderlijke besluiten van 1 oktober 2020 heeft de staatssecretaris de verzoeken niet in behandeling genomen. Met besluiten van 29 januari 2021 en 4 februari 2021 heeft de staatssecretaris de hiertegen door de trapliftproducenten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Met de uitspraak van 7 februari 2022 (hiervoor aangehaald) heeft de rechtbank de hiertegen door de trapliftproducenten ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en de staatssecretaris opgedragen opnieuw – inhoudelijk – te beslissen op de bezwaren van de trapliftproducenten.
Vervolgens heeft de NVWA de drie trapliften beoordeeld aan de hand van de rapporten van het Liftinstituut. De NVWA concludeert dat bij een aantal bevindingen (mogelijk) sprake is van een wijziging aan de machine, maar dat deze wijzigingen niet kunnen worden gezien als een ingrijpende wijziging. Daarom hoeft de conformiteitsbeoordelingsprocedure niet opnieuw te worden doorlopen en hoeft er geen nieuwe CE-markering te worden aangebracht.
Met afzonderlijke besluiten van 20 december 2022 (bestreden besluiten), waartegen de beroepen bij de rechtbank waren gericht, heeft de staatssecretaris de handhavingsverzoeken alsnog afgewezen, omdat geen sprake is van een overtreding op basis waarvan handhavend kan worden opgetreden. De staatssecretaris heeft in die besluiten uiteengezet dat de NVWA bij iedere bevinding van het Liftinstituut een theoretische beoordeling heeft uitgevoerd om te bepalen of die bevinding gezien kan worden als een ‘ingrijpende of substantiële wijziging’. Volgens de staatssecretaris is Richtlijn 2006/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende machines en tot wijziging van Richtlijn 95/16/EG (Machinerichtlijn) ook van toepassing op machines die zijn gebaseerd op gebruikte machines die zo ingrijpend zijn omgevormd of omgebouwd, dat zij kunnen worden beschouwd als nieuwe machines. De fabrikant van zulke ‘nieuwe’ machines moet in een dergelijk geval de volledige overeenstemmingsbeoordelingsprocedure doorlopen. In dat verband heeft de staatssecretaris gewezen op paragraaf 72 van de Gids voor de toepassing van Machinerichtlijn 2006/42/EG van de Europese Commissie (juni 2010), de Duitse notitie ‘Wesentliche Veranderung von Maschinen’ en naar de door de door de Nederlandse Arbeidsinspectie opgestelde werkinstructie ‘Werkinstructie Beoordelen van gewijzigde machines’. De staatssecretaris heeft vervolgens uiteengezet dat vrijwel iedere (gereviseerde) traplift uniek is en dat de bevindingen van de NVWA over de trapliften waar de handhavingsverzoeken op zien niet kunnen bewerkstelligen dat er een algemene werkwijze komt. Verder heeft hij opgemerkt dat inspectie van twee trapliften, zoals deze zich in de woning bevonden, niet meer mogelijk was omdat deze trapliften zich niet meer in de woning bevonden. Onder verwijzing naar de conclusie van de NVWA is de staatssecretaris van mening dat (mogelijke) wijzigingen aan de trapliften niet kunnen worden gezien als dusdanig ingrijpend dat deze moeten worden beschouwd als een nieuwe machine.
Uitspraak van de rechtbank
2 De rechtbank heeft de beroepen van de trapliftproducenten ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen.
“[…]
Met de minister is de rechtbank van oordeel dat deze trapliften niet onder bijlage IV van de Machinerichtlijn vallen, nu er geen gevaar van een vrije val van meer dan drie meter bestaat. De traplift wordt immers langs de trap op de traptreden gemonteerd. Bij een eventuele val is er geen sprake van een verticale val van drie meter, nu men (met het stoeltje) op de onderliggende traptreden terecht zal komen.
De rechtbank heeft verder geconstateerd dat in de gedingstukken verschillende begrippen en definities worden gehanteerd voor (het omschrijven van) de aard van de wijzigingen waarvan volgens eiseressen sprake is en die volgens hen leidt tot de conclusie dat sprake is van nieuwe machines.
In de eerste plaats verwijzen eiseressen naar de Blauwe Gids waarin staat: “een product dat in belangrijke mate is gewijzigd of gereviseerd met het oog op het veranderen van zijn oorspronkelijke prestaties, doel of type kan eventueel als een nieuw product worden beschouwd. (…) Als uit de risicobeoordeling wordt geconcludeerd dat de aard van het gevaar is veranderd of het risiconiveau is verhoogd, moet het gewijzigde product worden beschouwd als een nieuw product”.
Verder hanteren partijen in hun stukken de term "ingrijpende wijziging", een term die nergens wordt gedefinieerd. Wel wordt de term gebruikt in de door eiseressen ingebrachte werkinstructie “Beoordelen van gewijzigde machines” van de Nederlandse Arbeidsinspectie, waarin onder meer het volgende staat:
“3.2.1 Wanneer is er sprake van een ingrijpende wijziging?
Diegene die een machine aanpast of wijzigt moet beoordelen of deze wijziging "een ingrijpende wijziging" betreft. Hiervoor moet de wijziger ten minste een risicobeoordeling als bedoeld in de "Algemene beginselen" van bijlage 1 van de Machinerichtlijn 2006/42/EG uitvoeren. Als de wijziger vaststelt dat er sprake is van een ingrijpende wijziging, rusten op hem de volledige fabrikantsverplichtingen van de gehele machine. Er zijn situaties denkbaar dat het onduidelijk is of de wijziging een "ingrijpende wijziging" is. Om hierin duidelijkheid te verschaffen heeft de Arbeidsinspectie in 2017 de brochure "Zo past u uw machine veilig aan" opgesteld. Daarnaast is er een Duitse notitie "Wesentliche Veränderung von Maschinen".”
Die Duitse notitie bevat een "flowchart" die in bijlage 3 bij de bestreden besluiten is opgenomen (“Fig. 1: Decision steps - substantial modification to machinery”). De daarin gebruikte terminologie komt overeen met de nog niet in werking getreden Machineverordening, waarin “substantiële wijziging” in artikel 3, zestiende lid is gedefinieerd als: een niet door de fabrikant voorziene of geplande wijziging van een machine of verwant product met fysieke of digitale middelen nadat die machine of dat verwante product in de handel is gebracht of in bedrijf is gesteld, die gevolgen heeft voor de veiligheid van die machine of dat verwante product, door een nieuw gevaar te creëren of een bestaand risico te vergroten.
Gelet op hetgeen partijen hierover ter zitting hebben verklaard, zal de rechtbank in het navolgende uitgaan van (de definitie van) de term "substantiële wijziging" zoals opgenomen in artikel 3, zestiende lid, van de Machineverordening (EU) 2023/1230 en de invulling daarvan door middel van de flowchart.6 Onder “substantiële wijziging” wordt verstaan: niet door de fabrikant voorziene of geplande wijziging van een machine of verwant product met fysieke of digitale middelen nadat die machine of dat verwante product in de handel is gebracht of in bedrijf is gesteld, die gevolgen heeft voor de veiligheid van die machine of dat verwante product, door een nieuw gevaar te creëren of een bestaand risico te vergroten, zodat het volgende vereist is: a) de toevoeging van afschermingen of beveiligingsinrichtingen aan die machine of dat verwante product waarvan de realisatie een wijziging vereist van het bestaande veiligheidscontrolesysteem, ofb) de vaststelling van aanvullende beschermingsmaatregelen om de stabiliteit of de mechanische sterkte van de machine of dat verwante product te waarborgen.
[…]
Voor zover eiseressen stellen dat van de bevindingen van het Liftinstituut moet worden uitgegaan, omdat dit instituut door de overheid is aangewezen als ‘notified body’ en dus als deskundige is aangewezen om een oordeel te geven kan de rechtbank eiseressen niet volgen. Hoofdstuk 5 van het Warenwetbesluit machines regelt de aanwijzing van een EU- en NL-conformiteitsbeoordelingsinstantie. Als notified body, in het Warenwetbesluit machines aangeduid als EU-divisie conformiteitsbeoordelingsinstantie, kunnen worden aangewezen instellingen die voldoen aan de voorwaarden genoemd in het Warenwetbesluit machines. Uit het verweerschrift blijkt dat het Liftinstituut is geaccrediteerd voor het doen van typeonderzoek aan hijs- en hefwerktuigen voor het heffen van personen of van personen en goederen waarbij een gevaar voor een vrije val van meer dan 3 meter bestaat. Uit 6.1. blijkt dat trapliften hier niet onder vallen en het Liftinstituut is niet geaccrediteerd voor het inspecteren en controleren van de trapliften zoals hier aan de orde. Dat neemt niet weg dat het Liftinstituut veel deskundigheid op het gebied van (trap)liften heeft, maar dat het aan de NVWA is om te bepalen of er sprake is van een substantiële wijziging.
De minister betwist niet dat [naam 1] , indien ten aanzien van een gereviseerde traplift sprake zou zijn van een substantiële wijziging, een nieuwe machine in de handel brengt en daarvoor een conformiteitsprocedure moet doorlopen.
[…]
De rechtbank zal hieronder per bevinding van het Liftinstituut de standpunten van partijen bespreken en daar haar oordeel over geven. Zoals overwogen doet zij dat op basis van (de definitie van) de term "substantiële wijziging" en de invulling daarvan door middel van de flowchart. Daarbij stelt de rechtbank op voorhand vast dat uit de definitie van "substantiële wijziging" volgt dat het niet alleen gaat om een niet door de fabrikant voorziene of geplande wijziging van een machine, maar die wijziging óók gevolgen moet hebben voor de veiligheid van die machine, door een nieuw gevaar te creëren of een bestaand risico te vergroten. Indien maar één van deze omstandigheden zich voordoet, is dat dus niet doorslaggevend.[…]”
De rechtbank heeft vervolgens over de drie trapliften geconcludeerd dat de staatssecretaris ten aanzien van alle (aangevochten) bevindingen toereikend heeft gemotiveerd dat geen sprake is van een substantiële wijziging. Er is volgens de rechtbank geen sprake van een overtreding die maakt dat de staatssecretaris handhavend moest optreden.
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
Standpunten van partijen
De trapliftproducenten hebben, samengevat weergegeven, het volgende aangevoerd. Anders dan de rechtbank overweegt, vallen trapliften wel onder bijlage IV bij de Machinerichtlijn. Daarom is niet de staatssecretaris, maar het Liftinstituut als ‘notified body’ de geaccrediteerde instantie om de gereviseerde trapliften te beoordelen. Omdat het Liftinstituut na onderzoek tot de conclusie is gekomen dat sprake is van substantiële wijzigingen aan de trapliften, moeten deze worden gezien als nieuwe machines en moeten deze opnieuw onderworpen worden aan een conformiteitsbeoordelingsprocedure. De staatssecretaris is aan die conclusie gebonden. Vast staat dat [naam 1] deze procedure niet heeft doorlopen en ook niet onder eigen naam een nieuwe EU-conformiteitsverklaring heeft opgesteld voor de gewijzigde trapliften. Hiertegen dient alsnog handhavend te worden opgetreden. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Verder heeft de staatssecretaris de bevindingen van het Liftinstituut in de bestreden besluiten summierlijk weerlegd. Met de in beroep overgelegde brief van 1 maart 2023 heeft het Liftinstituut daarop gereageerd en heeft het bevestigd dat sprake is van substantiële wijzigingen. Voor zover de staatssecretaris hier al beoordelingsruimte toekomt, is het niet aan de rechtbank om die ruimte met een eigen oordeel over de (aanvullende) bevindingen van het Liftinstituut in te vullen. Daarmee gaat de rechtbank ten onrechte op de stoel van de staatssecretaris zitten. Bovendien zijn de trapliftproducenten het ook inhoudelijk niet eens met de beoordeling van de rechtbank. Wanneer een traplift niet één-op-één wordt verplaatst en er dus gebruik wordt gemaakt van raildelen van verschillende trapliften, houdt dat per definitie een substantiële wijziging in en betreft dat niet slechts een installatiefout.
De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat het aan hem is om te bepalen of sprake is van een substantiële wijziging van de trapliften. Trapliften zijn namelijk geen machines als bedoeld in bijlage IV bij de Machinerichtlijn, omdat er bij trapliften geen gevaar is van een vrije val van meer dan drie meter. Uit het onderzoek van de NVWA blijkt dat de trapliften niet substantieel zijn gewijzigd, zodat er geen sprake is van een overtreding op basis waarvan de staatssecretaris bevoegd is handhavend op te treden.
[naam 1] heeft het standpunt van de staatssecretaris op hoofdlijnen onderschreven. Daarbij heeft [naam 1] toegelicht dat zij niet betrokken is geweest bij het onderzoek van het Lifteninstituut en zij zich niet kan vinden in diens bevindingen.
Beoordeling door het College
Was er sprake van een overtreding die maakt dat de staatssecretaris handhavend moest optreden ?
Het College komt tot het oordeel dat de rechtbank de beroepen van de trapliftproducenten terecht ongegrond heeft verklaard, omdat geen sprake is van een overtreding die maakt dat de staatssecretaris handhavend moest optreden. Het College zal dit hieronder toelichten.
Zoals het College eerder heeft overwogen is het aan het bevoegd gezag toezicht te houden op de naleving van regelgeving en handhavend op te treden ingeval van overtreding. Door een belanghebbende kan aan dat gezag worden gevraagd om handhavend op te treden jegens een derde. Het ligt in dat geval op de weg van die belanghebbende om het bevoegd gezag voldoende aanknopingspunten te bieden voor onderzoek naar de vraag of de derde tegen wie handhavend optreden gevraagd wordt een overtreding begaat of heeft begaan. Het is dan aan het bevoegd gezag om te onderzoeken of sprake is van een overtreding (zie bijvoorbeeld de uitspraken van het College van 25 mei 2021, ECLI:NL:CBB:2021:514 en 9 april 2024, ECLI:NL:CBB:2024:263).
Aan hun handhavingsverzoeken hebben de trapliftproducenten ten grondslag gelegd dat [naam 1] heeft nagelaten om voor de drie gereviseerde trapliften een beoordelingsprocedure te doorlopen en een nieuw CE-keurmerk aan te vragen. Zij hebben daarbij gewezen op artikel 5 van de Machinerichtlijn.
De Machinerichtlijn is – kort gezegd – van toepassing op machines en legt, voor zover hier van belang, verplichtingen op aan de fabrikant. Een fabrikant is elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een onder deze richtlijn vallende machine of niet voltooide machine ontwerpt en/of produceert (artikel 2, aanhef en onder i, van die richtlijn). Op grond van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder d en f, van die richtlijn moet de fabrikant, alvorens een machine in de handel te brengen en/of in bedrijf te stellen respectievelijk de procedures ter beoordeling van de overeenstemming uitvoeren, overeenkomstig artikel 12 en overeenkomstig artikel 16 de CE-markering aanbrengen. Deze bepaling is geïmplementeerd in artikel 3a van het Warenwetbesluit machines. In dat artikel is onder meer bepaald dat de fabrikant een CE-markering op de machine aanbrengt, alvorens deze in de handel te brengen. Op grond van artikel 5 van het Warenwetbesluit machines wordt de CE-markering uitsluitend op de machine aangebracht, indien de fabrikant de in dit artikel genoemde procedure uit de Machinerichtlijn toepast.
Omdat genoemde bepalingen uit het Warenwetbesluit machines (net als artikel 5 van de Machinerichtlijn) verplichtingen opleggen aan fabrikanten en [naam 1] niet de fabrikant is van de trapliften, moet worden geoordeeld dat die bepalingen in zoverre niet van toepassing zijn op [naam 1] . Voor zover al met de rechtbank, de staatssecretaris en de trapliftproducenten moet worden aangenomen dat de Machinerichtlijn en meer in het bijzonder de hiervoor genoemde verplichtingen ook van toepassing zijn op degene die een gebruikte machine substantieel wijzigt, moet met de rechtbank en de staatssecretaris worden geoordeeld dat daarvan hier geen sprake is. Anders dan de trapliftproducenten hebben aangevoerd is het aan de staatssecretaris op grond van de Warenwet en niet aan het Liftinstituut om te beoordelen of [naam 1] de trapliften substantieel heeft gewijzigd en daarmee mogelijk in strijd heeft gehandeld met het Warenwetbesluit machines. Weliswaar is het Liftinstituut aangewezen als een conformiteitsbeoordelingsinstantie en heeft het aldus een rol in de in bijlage IX bij de Machinerichtlijn omschreven procedure voor het EG-typeonderzoek, maar die procedure is pas aan de orde als de Machinerichtlijn van toepassing is. Aan de verwijzing van de trapliftproducenten naar artikel 14, zesde lid, van de Machinerichtlijn gaat het College voorbij, al omdat van een opschorting of intrekking van een in die bepaling genoemde verklaring of goedkeuring hier geen sprake is. Verder stelt het College vast dat de rechtbank per (aangevochten) bevinding heeft beoordeeld of de staatssecretaris toereikend heeft gemotiveerd dat geen sprake is van een substantiële wijziging van de trapliften. De rechtbank heeft daarbij de brief van het Liftinstituut van 1 maart 2023 betrokken. Anders dan de trapliftproducenten aanvoeren, heeft de rechtbank op deze wijze haar eigen oordeel niet in de plaats gesteld van de beoordeling van de staatssecretaris. Met de rechtbank is het College van oordeel dat de staatssecretaris ten aanzien van alle (aangevochten) bevindingen toereikend heeft gemotiveerd dat geen sprake is van een substantiële wijziging van de trapliften. Dat wat de trapliftproducenten verder naar voren hebben gebracht leidt niet tot een ander oordeel.
Uit het voorgaande volgt dat de artikelen 3a en 5 van het Warenwetbesluit niet op [naam 1] van toepassing zijn. Dat wat de trapliftproducenten hebben aangevoerd over bijlage IV van de Machinerichtlijn behoeft hier geen verdere bespreking.
De rechtbank heeft dus terecht geoordeeld dat geen sprake is van een overtreding op grond waarvan de staatssecretaris handhavend moest optreden.
Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
De trapliftproducenten hebben in hoger beroep verzocht om schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
In deze zaken geldt het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties (bezwaar, beroep en hoger beroep) in beginsel is overschreden als die procedure in haar geheel langer duurt dan vier jaar. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bestuurlijke fase in beginsel zes maanden mag duren, de beroepsfase anderhalf jaar en de hoger beroepsfase twee jaar. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Uitgangspunt voor de schadevergoeding is een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
Vanaf de indiening van de bezwaarschriften van de trapliftproducenten op 22 oktober 2020 (Handicare), 23 oktober 2020 (Otolift) en 29 oktober 2020 (TK Home Solutions) tot de datum van deze uitspraak zijn vijf jaar en ruim drie maanden verstreken. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake. De redelijke termijn van vier jaar is dus met één jaar en ruim drie maanden overschreden. Dit betekent dat de schadevergoeding voor elk van de trapliftproducenten in beginsel moet worden vastgesteld op een bedrag van € 1.500,-. Omdat de trapliftproducenten gezamenlijk als partij aan de procedure hebben deelgenomen, ziet het College aanleiding dit bedrag te matigen in die zin dat dit bedrag van € 1.500,- gelijk over de trapliftproducenten wordt verdeeld. Dit betekent dat aan de trapliftproducenten elk een bedrag van € 500,- moet worden toegekend. Deze matiging acht het College redelijk vanwege de matigende invloed die het samen deelnemen als partij in deze procedure heeft gehad op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die zij hebben ondervonden door de te lang durende procedure. Door gezamenlijk op te treden hebben zij de voor- en nadelen van het voeren van deze procedure kunnen delen (vergelijk de uitspraak van 26 maart 2025 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2025:1202, onder 18.3).
In een geval als dit, waarin een vernietiging door de rechtbank van beslissingen op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van de bezwaren en een herhaalde behandeling door de rechter, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden niet voor rekening van het bestuursorgaan maar voor rekening van de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid). In de voorliggende procedure heeft de eerste behandeling van de beroepen door de rechtbank minder dan anderhalf jaar geduurd. De behandeling van de daaropvolgende beroepen door de rechtbank en de hier voorliggende hoger beroepen hebben minder dan drie en een half jaar geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn komt dus volledig voor rekening van de staatssecretaris.
Slotsom
6 De hoger beroepen slagen niet. Het College zal de uitspraak van de rechtbank bevestigen. Het College zal de staatssecretaris veroordelen tot vergoeding aan Otolift, Handicare en TK Home Solutions van immateriële schade tot een bedrag van € 500,- per partij en in de kosten die zij in verband met hun verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn redelijkerwijze hebben moeten maken. Die kosten worden begroot op € 467,- (1 punt, met een waarde van € 934,- per punt en wegingsfactor 0,5, uitgaande van samenhangende zaken). Er bestaat geen aanleiding voor een vergoeding van de gemaakte kosten voor de inschakeling van het Liftinstituut, zoals is verzocht door de trapliftproducenten.
Beslissing
Het College:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. M. van Duuren en mr. M.J. Jacobs, in aanwezigheid van mr. M.C. Verviers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026.
w.g. A. Venekamp w.g. M.C. Verviers