COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
[naam 1] B.V., te [vestigingsplaats] , appellante
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid)
uitspraak
zaaknummer: 23/1298
uitspraak van de meervoudige kamer van 17 februari 2026 op het hoger beroep van:
(gemachtigde: mr. S. Maakal),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 april 2023, kenmerk 21/4332, in het geding tussen
appellante
(gemachtigde: mr. B.M. Kleijs),
en
Procesverloop in hoger beroep
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 april 2023 (ECLI:NL:RBROT:2023:3393).
De minister heeft een reactie gegeven op het hogerberoepschrift.
De zitting was op 6 november 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen voor appellante [naam 2] en de gemachtigde van appellante en voor de minister zijn gemachtigde, tezamen met [naam 3] .
Het College heeft de Staat als partij aangemerkt in verband met het verzoek van appellante om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Grondslag van het geschil
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.
Appellante exploiteert een op- en overslagbedrijf in [vestigingsplaats] en houdt zich bezig met het mengen, opslaan en laden van dierlijke eiwitten voor diervoeder. Op 30 augustus 2019 hebben twee toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) een rapport van bevindingen opgesteld. Zoals blijkt uit het rapport hebben de toezichthouders in juni en juli 2018 bij het bedrijf van appellante een (her)inspectie uitgevoerd waarbij zij zich hebben gericht op twee zendingen van door appellante, in opdracht van [naam 4] ( [naam 4] ), gemengde partijen verwerkte dierlijke eiwitten (VDE) afkomstig van herkauwers. De eigenaar van de VDE was [naam 5] . In de TRACES-meldingen en op de handelsdocumenten behorende bij deze partijen was als bestemming ingevuld: [naam 6] te Bulgarije. De partijen VDE zijn echter niet naar Bulgarije vervoerd maar via een containerterminal naar de haven van Rotterdam en (via Singapore) naar Vietnam. Op grond van het rapport van bevindingen heeft de minister met het besluit van 20 december 2019 (boetebesluit) appellante een boete opgelegd van € 2.500,-. In het boetebesluit staat dat appellante het volgende beboetbare feit heeft gepleegd:
“De exploitant is betrokken bij de uitvoer van verwerkte dierlijke eiwitten met hierin van herkauwers afkomstige verwerkte dierlijke eiwitten, vanuit Nederland met bestemming een derde land, met name Vietnam.”
Volgens de minister levert dit feit een overtreding op van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 3.3, eerste lid, aanhef en onder c, van de Regeling dierlijke producten, en gelezen in samenhang met bijlage IV, hoofdstuk V, onderdeel E, punt 2, van Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën (Verordening 999/2001). In laatstgenoemde bepaling uit Verordening 999/2001 staat dat, behoudens een aantal uitzonderingen, de uitvoer van producten die verwerkte dierlijke eiwitten afkomstig van herkauwers bevatten, verboden is. Met uitvoer wordt bedoeld de verplaatsing naar een land buiten de Europese Unie.
Met het besluit van 29 juni 2021 (het bij de rechtbank bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellante tegen de boete ongegrond verklaard, en de boete gematigd tot € 2.250,- vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM.
Uitspraak van de rechtbank
2 De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover van belang voor het hoger beroep, het volgende overwogen, waarbij voor eiseres en verweerder respectievelijk appellante en de minister moet worden gelezen:
“6.3. Bij het vervoer van de betreffende VDE waren meerdere bedrijven betrokken. Uit het rapport van bevindingen en de toelichting van de bestuurder van eiseres op zitting blijkt dat [naam 7] de VDE heeft opgehaald bij eiseres en via containerterminal [naam 8] op een binnenvaartschip heeft geladen en vervoerd naar de haven van Rotterdam vanaf waar het door [naam 9] is vervoerd naar Singapore (en vervolgens naar Vietnam) met het schip CSCL Indian Ocean. [naam 4] was de opdrachtgever voor het mengen en opslaan van de VDE door eiseres en het transport naar de eindbestemming en [naam 10] was de expediteur die in opdracht van [naam 4] het transport (inclusief de zeevrachten en de douanepapieren) heeft georganiseerd.
Weliswaar heeft eiseres de VDE niet zelf vervoerd naar Singapore en blijkt uit de stukken ook niet dat zij de betrokken bedrijven daartoe opdracht heeft gegeven, maar naar het oordeel van de rechtbank kan uit het rapport van bevindingen, alle daarbij gevoegde stukken en de toelichting van partijen op zitting wel worden geconcludeerd dat eiseres zodanig nauw betrokken was bij de uitvoer van de VDE dat zij als medepleger moet worden aangemerkt.
Uit het rapport van bevindingen en de daarbij gevoegde stukken blijkt dat eiseres heeft samengewerkt met [naam 4] aan de transporten van de VDE. Eiseres heeft meng- en laadschema’s ontvangen van [naam 4] en had daarover e-mailcorrespondentie met dit bedrijf. Ook was eiseres actief betrokken bij de verscheping van de containers met VDE. Zo zijn er e-mailwisselingen tussen eiseres en [naam 7] over de planning van de laadopdrachten. Daarin vindt afstemming plaats om de closing time van het schip in de haventerminal van Rotterdam te halen en geeft eiseres aan de planning aan te passen en een nachtploeg in te zetten zodat de containers van beide transporten tijdig kunnen worden geladen. Uit genoemd mailverkeer tussen eiseres en [naam 4] en [naam 7] blijkt ook dat eiseres wist dat bij deze transporten een expediteur was betrokken, namelijk [naam 10] . Daarnaast heeft [naam 11] per e-mail boekingsbevestigingen van [naam 7] ontvangen waarop onder meer staat dat het gaat om een export rountrip, dat [naam 9] de shipping company is, dat het gaat om export via Euromax (een containerterminal in de haven van Rotterdam) en dat de bestemming van de containers CSCL Indian Ocean is. De bestuurder van eiseres heeft ter zitting bevestigd dat hij eigenaar is van [naam 11] . Dat er overlap was in de werkzaamheden van [naam 11] en eiseres leidt de rechtbank verder af uit de omstandigheid dat [naam 12] zowel correspondentie voert namens eiseres als namens [naam 11] over de transporten. Onder die omstandigheden moet het ervoor worden gehouden dat de informatie die bij [naam 11] bekend was over de transporten, eveneens bekend is geweest bij eiseres. Voor de rechtbank staat daarmee voldoende vast dat eiseres actief betrokken was bij het transport van de VDE, dat zij een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan het halen van de closing time van het zeeschip dat de containers vervoerde en dat zij op de hoogte was, dan wel had moeten zijn, dat de containers met VDE zouden worden geëxporteerd met een zeeschip en dus buiten de Europese Unie zouden worden gebracht.
Eiseres heeft de handelsdocumenten van de twee partijen VDE zelf ingevuld en daarop als bestemming van de VDE het bedrijf [naam 6] in Bulgarije opgegeven. Gebleken is dat die opgegeven bestemming niet juist was. Eiseres stelt dat zij niet had kunnen vermoeden dat de VDE niet naar het opgegeven bedrijf in Bulgarije zouden worden vervoerd maar dat volgt de rechtbank niet. Het door eiseres ingevulde bedrijf van bestemming had geen opslaglocatie voor VDE en had daarvoor ook niet de vereiste registratie. Het bedrijf in Bulgarije kon dus geen bestemming zijn voor de VDE. Voor zover eiseres dit niet wist, had zij dit wel kunnen (en moeten) controleren. Verweerder heeft in dit verband verwezen naar de verplichtingen die op eiseres rusten ten aanzien van het bijhouden van registers en het beschikken over systemen en procedures voor de identificatie en traceerbaarheid van dierlijke bijproducten en diervoeders. Gelet op die verplichtingen mag van eiseres verwacht worden dat zij (tot op zekere hoogte) de juistheid controleert van de gegevens over de bestemming van de VDE die vanuit haar bedrijf worden vervoerd. Zo heeft verweerder in het boetebesluit onbetwist gesteld dat eiseres eenvoudig op de website van de lidstaat Bulgarije voorafgaand aan de zendingen had kunnen nagaan of het bedrijf in Bulgarije beschikte over de vereiste registraties. Daarnaast heeft eiseres op de handelsdocumenten ingevuld dat de VDE per vaartuig door vervoerder [naam 7] naar Bulgarije zouden worden vervoerd en eiseres had ook gelet op die informatie op zijn minst kunnen vermoeden dat bepaalde gegevens van het transport niet klopten. Zoals verweerder op de zitting onbetwist heeft gesteld betekent transport per zeeschip van Rotterdam naar Bulgarije dat het schip (met de containers VDE) de Europese Unie moet verlaten of moet aanmeren in een ander EU-land van waaruit de containers worden doorgevoerd naar Bulgarije. Als van doorvoer via een andere EU-lidstaat sprake is, moet dit ook op het handelsdocument worden vermeld. Op de handelsdocumenten van beide transporten is dit evenwel door eiseres niet ingevuld. Dat zou dan betekenen dat de VDE de Europese Unie moest verlaten en dus zou worden uitgevoerd. Gelet op al deze informatie staat voor de rechtbank vast dat eiseres in elk geval kon vermoeden dat bepaalde gegevens over het vervoer en/of de bestemming niet juist waren, en dat zij vervolgens, gelet op haar verplichtingen in het kader van de tracering van de VDE had kunnen en moeten vaststellen dat de VDE niet naar Bulgarije zou worden vervoerd en/of zou worden geëxporteerd.
Uit al het voorgaande volgt dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiseres betrokken was bij de uitvoer van VDE (afkomstig van herkauwers) vanuit Nederland naar een derde land en dat zij bewust en nauw heeft samengewerkt met andere bedrijven aan die uitvoer. Voor de rechtbank staat voldoende vast, gelet op het rapport van bevindingen en bijlagen en de toelichting van partijen op zitting, dat eiseres wist dan wel had moeten weten dat de VDE werd uitgevoerd naar een derde land en dat zij actief betrokken was bij de organisatie van het transport van de VDE.”
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
Standpunt van appellante
3 Appellante bestrijdt dat zij als medepleger van de gestelde overtreding kan worden aangemerkt. Daartoe voert zij aan dat geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen haar en andere (rechts)personen om de partijen VDE met daarin eiwitten van herkauwers uit te voeren naar Vietnam, althans een bestemming buiten de Europese Unie (EU). Uit het rapport van bevindingen kan niet worden afgeleid dat zij wist dat de partijen VDE zouden worden uitgevoerd en zij heeft dit dan ook niet aanvaard. Wat er met de partijen VDE gebeurt vanaf het moment dat deze haar bedrijfsterrein verlaten, onttrekt zich aan haar waarneming en zij heeft vanaf dan ook geen invloed op wat er met de partijen VDE gebeurt. Appellante bestrijdt dat zij uit de boekingsbevestigingen had moeten afleiden dat de partijen VDE de EU zouden verlaten. Bij gebrek aan wetenschap van de daadwerkelijke bestemming kan volgens appellante geen sprake zijn geweest van een bewuste samenwerking. Voor zover de minister de e-mailcorrespondentie door en aan planningsmedewerker [naam 12] bij de besluitvorming heeft betrokken, betoogt appellante dat de gedragingen van [naam 12] haar niet kunnen worden toegerekend. [naam 12] is niet bij haar werkzaam, maar bij de rechtspersoon [naam 11] B.V. ( [naam 11] ).
Standpunt van de minister
4 De minister stelt zich op het standpunt dat appellante als medepleger van de overtreding kan worden aangemerkt. Daartoe voert de minister aan dat appellante had kunnen weten dat de partijen VDE de EU zouden verlaten, omdat de opgegeven ontvanger [naam 6] geen registratie en locatie had voor de opslag van de partijen VDE. Appellante heeft nagelaten de bestemming op het handelsdocument te controleren, terwijl zij daartoe op grond van artikel 22, tweede lid, van Verordening 1069/2009 en artikel 5, tweede lid, van Verordening 183/2005 wel verplicht was. Verder bevatten de boekingsbevestigingen, die appellante van [naam 7] ontving, aanwijzingen dat de partijen VDE de EU zouden verlaten, onder meer omdat daarop de begrippen ‘export round trip’ en EUROMAX, een containerterminal in Rotterdam, voorkomen. Ook worden shipping company [naam 9] en het zeeschip Indian Ocean op de boekingsbevestigingen vermeld. Op de zitting heeft de minister verklaard dat hij appellante ziet als voorbereider van de overtreding. De bijdrage van appellante bestond er volgens de minister uit dat zij heeft bewerkstelligd, door inzet van een nachtploeg, dat de ladingen tijdig gereed werden gemaakt om per binnenvaartschip naar de Rotterdamse haven te worden verscheept. Vanuit Rotterdam zijn de partijen VDE vervolgens uitgevoerd naar Vietnam.
Oordeel van het College
Op grond van artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder ‘overtreder’ verstaan degene die de overtreding pleegt of medepleegt. In een geval als dit, waarin een boete is opgelegd, rust de bewijslast dat appellante de overtreding heeft (mede)gepleegd, gelet op het vermoeden van onschuld, op het bestuursorgaan dat de boete heeft opgelegd.
Niet is in geschil dat de partijen VDE van herkauwers zijn uitgevoerd naar een land buiten de EU en dat deze uitvoer in de gegeven omstandigheden verboden was op grond van Verordening 999/2001, Bijlage IV, hoofdstuk V, onderdeel E, punt 2 (exportverbod). In geschil is ook niet dat appellante de partijen VDE niet zelf feitelijk heeft uitgevoerd. De minister verwijt appellante, gezien de omschrijving van het beboetbare feit in het bestreden besluit, betrokkenheid bij het uitvoeren van de partijen VDE. Het College begrijpt uit het rapport van bevindingen dat de minister hiermee heeft bedoeld om appellante als medepleger van de overtreder aan te merken.
Voor de vraag of appellante als medepleger kan worden aangemerkt dient, gelet op vaste rechtspraak van de Hoge Raad (HR), onder meer de arresten van 2 december 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3474) en 24 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:716), te worden vastgesteld of de minister heeft aangetoond dat sprake is geweest van voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen appellante en andere betrokken (rechts)personen dat van medeplegen kan worden gesproken. In het bijzonder dient te worden vastgesteld dat en waarom de bijdrage van appellante aan de overtreding van het exportverbod van voldoende gewicht is geweest. Dit moet worden beoordeeld aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval.
Bij de beoordeling of sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan betrokken worden de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van de overtreding. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van de overtreding in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit, maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Ook is niet uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd (vergelijk bijvoorbeeld het arrest van de HR van 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9972). Zeker in dergelijke, in zekere zin afwijkende of bijzondere situaties dient in de bewijsvoering aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke uitzonderlijke gevallen wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.
Het College oordeelt dat de minister niet heeft aangetoond dat sprake is van de vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen appellante en andere betrokken (rechts)personen dat van medeplegen bij de uitvoer van de partijen VDE kan worden gesproken. Het College licht dit oordeel hierna toe.
Uit het rapport van bevindingen volgt dat (de bedrijfsleider van) appellante de handelsdocumenten voor de twee partijen VDE heeft ingevuld en daarbij het bedrijf [naam 6] in Bulgarije, op aangeven van opdrachtgever [naam 4] , als bestemming voor de VDE heeft vermeld. Uit het rapport van bevindingen is gebleken dat dit bedrijf onmogelijk een bestemming kon zijn voor de VDE. Gebleken is immers dat [naam 6] , een handelaar in diervoerder, niet over een opslaglocatie voor VDE beschikte en daarvoor ook niet de vereiste registratie had. De minister heeft gesteld dat appellante van die omstandigheden op de hoogte had kunnen zijn, als zij nader onderzoek had verricht door op een Bulgaarse website de gegevens van het bedrijf [naam 6] te controleren, en dat appellante daartoe op grond van specifieke bepalingen uit de Verordeningen 1069/2009 en 183/2005 ook verplicht was. De minister heeft echter op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt dat die bepalingen in dit geval voor appellante tot een dergelijke onderzoeksplicht zouden strekken. Dat appellante het door de minister bedoelde nadere onderzoek niet heeft verricht, staat tussen partijen vast. Het College oordeelt dat de minister daarmee niet heeft aangetoond dat appellante wist dat [naam 6] onmogelijk de bestemming van de VDE kon zijn. Enkel op grond van de door [naam 4] opgegeven bestemming hoefde appellante niet te vermoeden dat de VDE de EU zouden verlaten.
De minister heeft verder gewezen op de boekingsbevestigingen voor de partijen VDE. Uit het rapport van bevindingen volgt dat deze als bijlagen zijn verzonden door [naam 7] aan het algemene e-mailadres van [naam 11] . Vast staat dat de bestuurder/eigenaar van appellante tevens bestuurder/eigenaar van [naam 11] is en niet bestreden is dat de administratie van appellante wordt gehouden op het kantoor van [naam 11] . Uit het rapport van bevindingen blijkt daarnaast dat planningsmedewerker [naam 12] per e-mail zowel correspondeerde namens [naam 11] als namens appellante. Gelet hierop heeft de rechtbank naar het oordeel van het College terecht overwogen dat het ervoor moet worden gehouden dat appellante kennis heeft genomen van de aan [naam 11] per e-mail gestuurde boekingsbevestigingen.
Het College overweegt dat ook uit de verwijzing naar de boekingsbevestigingen niet volgt dat appellante ervan op de hoogte was of moest zijn dat de partijen VDE zouden worden uitgevoerd naar een bestemming buiten de EU. Vast staat dat de eindbestemming Vietnam niet op de boekingsbevestigingen voorkomt. De minister heeft gewezen op de begrippen ‘export round trip’ en EUROMAX op de boekingsbevestigingen, maar heeft niet onderbouwd waarom appellante uit die begrippen in de gegeven context moet hebben afgeleid dat het ging om een transport naar een bestemming buiten de EU. Ook heeft de minister niet onderbouwd waaruit blijkt dat appellante moet hebben geweten dat, zoals de minister stelt, shipping company [naam 9] enkel internationale zeevrachten (buiten de EU) verzorgt en dat de Indian Ocean een zeeschip is dat niet (ook) naar of via bestemmingen binnen de EU vaart.
Het College oordeelt dat de minister ook anderszins met het rapport van bevindingen en de daarbij behorende bijlagen niet heeft aangetoond dat appellante op de hoogte was of moest zijn van de daadwerkelijke bestemming buiten de EU van de partijen VDE.
Gelet op het voorgaande oordeelt het College, anders dan de rechtbank, dat onvoldoende grond bestaat voor de conclusie dat appellante in de gegeven omstandigheden wist of behoorde te weten dat de partijen VDE in strijd met het exportverbod de EU zouden verlaten. De minister heeft daarom niet aangetoond dat sprake was van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen appellante en de andere betrokken (rechts)personen bij de uitvoer van de partijen VDE, zodat niet is aangetoond dat appellante de overtreding heeft medegepleegd. Nu appellante niet als overtreder kan worden aangemerkt, is de boete ten onrechte opgelegd. Het betoog slaagt. Dat betekent dat de boete zal worden herroepen.
Overschrijding van de redelijke termijn
Appellante heeft op de zitting verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.
In een bestraffende zaak geldt dat de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties (bezwaar, beroep en hoger beroep) in beginsel is overschreden als die in haar geheel langer duurt dan vier jaar. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bestuurlijke fase en het beroep ieder een jaar mogen duren, en het hoger beroep twee jaar. De redelijke termijn begint op het moment waarop een handeling wordt verricht waaraan de betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een bestuurlijke boete wordt opgelegd. De in aanmerking te nemen termijn eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet in de procedure over het geschil dat de betrokkene en het bestuursorgaan verdeeld houdt.
In dit geval is de redelijke termijn aangevangen met het boetevoornemen van 10 september 2019. De redelijke termijn is op het moment van deze uitspraak in hoger beroep overschreden met afgerond 2,5 jaar (30 maanden). Dat betekent dat appellante in aanmerking komt voor vergoeding van de door haar geleden immateriële schade. Daarbij wordt volgens vaste rechtspraak uitgegaan van een tarief van € 500,- per zes maanden dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Dat betekent dat appellante in aanmerking komt voor een schadevergoeding van € 2.500,-.
De redelijke termijn is zowel in de bestuurlijke fase (10 maanden) als in de rechterlijke fase (20 maanden) overschreden. De vergoeding zal naar evenredigheid moeten plaatsvinden door de minister tot een bedrag van € 833,- (10/30 deel van € 2.500,-) en door de Staat (minister van Justitie en Veiligheid) tot een bedrag van € 1.667,- (20/30 deel van € 2.500,-).
Slotsom
7 Het hoger beroep is gegrond. Het College zal de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit vernietigen en het boetebesluit herroepen. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM komt daarnaast voor toewijzing in aanmerking.
Proceskosten
Het College zal de minister veroordelen in de door appellante in bezwaar, beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten.
Appellante heeft in bezwaar en beroep verzocht om vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten voor rechtsbijstand. Artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) biedt ruimte om van de forfaitaire kostenvaststelling af te wijken, indien sprake is van bijzondere omstandigheden. Daarvan is het College in dit geval niet gebleken. Er is dan ook geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat de proceskosten worden vergoed op basis van de forfaitaire kostenvaststelling zoals opgenomen in de bijlage bij het Bpb.
Het College stelt de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op grond van het Bpb vast op € 5.068,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting met een waarde per punt van € 666,- en een wegingsfactor 1, en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting in beroep, 1 punt voor het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting in hoger beroep met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Wat de door appellante in beroep verzochte reiskosten betreft, stelt het College deze overeenkomstig artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, Bpb in samenhang met artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 vast op € 0,28 x 300 km (van en naar de bedrijfslocatie van appellante in [vestigingsplaats] ) = € 84,-. Het College wijkt af van de gebruikelijke vergoeding voor het openbaar vervoer, omdat er op 15 maart 2023 geen treinen vertrokken vanaf station [vestigingsplaats] . Wat de door appellante in beroep verzochte verletkosten tot een bedrag van € 2.000,- voor acht uur betreft, overweegt het College dat in het Bpb voor verletkosten wordt uitgegaan van een bedrag tussen € 9,- en € 109,- per uur, afhankelijk van de omstandigheden, en dat alleen de kosten voor het tijdsverzuim door aanwezigheid tijdens de zitting daarbij in aanmerking komen. Gezien de reisafstand en de geschatte duur van de zitting bij de rechtbank acht het College een vergoeding voor 5 uur verletkosten redelijk; de opgegeven 8 uur zijn niet nader onderbouwd. Het genoemde uurtarief is evenmin onderbouwd, zodat het College uit zal gaan van het minimumtarief. Het totaal aan te vergoeden verletkosten bedraagt € 45,-.
Tot slot zal het College appellante een vergoeding toekennen voor de door haar gemaakte kosten voor het indienen van het verzoek tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Appellante heeft recht op vergoeding van € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor 0,5) aan proceskosten, ieder voor de helft te betalen door de minister en de Staat omdat de overschrijding van de redelijke termijn aan beiden is toe te rekenen.
Beslissing
Het College:
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.S.J. Albers, mr. C.T. Aalbers en mr. M.L. Noort, in aanwezigheid van mr. C.A. Blankenstein, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026.
w.g. H.S.J. Albers w.g. C.A. Blankenstein