COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2026 op het hoger beroep van:
[naam 1] BV, te [vestigingsplaats 1] ( België ) (intermediair)
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
uitspraak
zaaknummer: 24/591
(gemachtigde: mr. A.C.M. Brom),
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 mei 2024, kenmerk 23/3303, in het geding tussen
de intermediair
en
(gemachtigden: mr. A.R. Alladin en mr. H.J. Kram)
Procesverloop in hoger beroep
De intermediair heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (rechtbank) van 23 mei 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:11729) (aangevallen uitspraak).
De minister heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.
De zitting was op 16 januari 2026. De zaak is samen met de zaken 24/624 en 25/28 op de zitting behandeld. In die zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.
Grondslag van het geschil
De intermediair is een Belgische onderneming die mest vervoert van Nederland naar het buitenland.
Na een melding van [naam 2] in [vestigingsplaats 2] is de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) een onderzoek gestart naar door de intermediair op 10 september 2020 bij het laboratorium aangeleverde mestmonsters. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van bevindingen met nummer 125375 van 13 januari 2021 (rapport).
Met het besluit van 2 april 2021 (boetebesluit) heeft de minister aan de intermediair meerdere boetes opgelegd voor het niet uiterlijk binnen tien werkdagen na bemonstering toezenden van dertig mestmonsters aan een erkend laboratorium (artikel 80, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (Urm)). Deze overtredingen hebben plaatsgevonden op 10 september 2020. Voor elke overtreding kan een boete van € 100,- worden opgelegd, zodat het totale bedrag van de boete € 3.000,- zou zijn. Op grond van het Boetebeleid Meststoffenwet 2020 (Boetebeleid) heeft de minister de boete met 50% gematigd tot € 1.500,-
Naar aanleiding van een betalingsherinnering van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) van 24 augustus 2022 heeft de intermediair op 1 maart 2023 het boetebesluit opgevraagd. Met het bezwaarschrift van 6 april 2023 heeft de intermediair bezwaar gemaakt tegen het boetebesluit.
Met de beslissing op bezwaar van 11 mei 2023 (bestreden besluit 1) heeft de minister het bezwaar van de intermediair niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend. De intermediair heeft hiertegen beroep ingesteld.
Tijdens het beroep heeft de minister met de herziene beslissing op bezwaar van 25 juli 2023 (bestreden besluit 2) het bezwaar alsnog ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard en de boete vastgesteld op € 550,-. De minister heeft daarbij een marge van vijf reguliere dagen bovenop de wettelijke termijn van tien werkdagen voor het toezenden van mestmonsters toegepast, in verband met de mogelijke ruimte tussen het verzenden en ontvangen van de mestmonsters. Dat betekent dat acht mestmonsters van vrachten vervoerd op 24 en 26 augustus 2020 alsnog zijn aangemerkt als tijdig toegezonden. De boete heeft dan nog betrekking op tweeëntwintig mestmonsters en bedraagt dan 22 x € 100,- = € 2.200,-. Na matiging met 50% resteert een boete van € 1.100,-. Omdat op het moment van de overtredingen de corona-maatregelen van kracht waren, is de boete nogmaals met 50% gematigd tot € 550,-.
Op 29 februari 2024 heeft de minister opnieuw een herziene beslissing op bezwaar (bestreden besluit 3) genomen en de boete vastgesteld op € 110,-. De minister handhaaft het standpunt dat tweeëntwintig mestmonsters te laat zijn toegezonden. De boete hiervoor bedraagt 22 x € 100,- = € 2.200,-. De boete moet echter niet met 50% maar met 90% worden gematigd, omdat sprake is van een eerste overtreding. De boete wordt daarom gematigd tot € 220,-. Omdat op het moment van de overtredingen de corona-maatregelen van kracht waren, is de boete nogmaals met 50% gematigd tot € 110,-.
Uitspraak van de rechtbank
2 De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep van de intermediair tegen de bestreden besluiten 1 en 2 niet-ontvankelijk en het beroep tegen het bestreden besluit 3 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij de minister veroordeeld tot betaling van de door de intermediair gemaakte proceskosten.
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
De hogerberoepsgronden van de intermediair zijn gericht tegen de ongegrondverklaring van haar beroep tegen het bestreden besluit 3 door de rechtbank. Het College zal deze gronden hierna bespreken in dezelfde volgorde als in de aangevallen uitspraak. Daarbij zal het College eerst het aangevochten oordeel van de rechtbank weergeven, daarna de gronden, gevolgd door de beoordeling door het College. Het standpunt van de minister zal in die beoordeling worden weergegeven, voor zover nodig.
In artikel 80, eerste lid, van de Urm werd op het moment van belang bepaald dat in geval van bemonstering, bedoeld in artikel 78, de vervoerder het uit een vracht dierlijke meststoffen genomen monster, onder vermelding van de betrokken leverancier van meststoffen en de afnemer, alsmede van het nummer van het op deze vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen, uiterlijk tien werkdagen na bemonstering toestuurt aan een door de minister erkend laboratorium als bedoeld in artikel 80a.
Volgens artikel 130 van de Urm wordt de hoogte van de bestuurlijke boete vastgesteld overeenkomstig het bedrag dat in bijlage M voor de desbetreffende overtreding is vermeld. In die bijlage staat de overtreding van artikel 80, eerste lid, van de Urm als volgt vermeld:
Art. 80, lid 1, art 80, lid 2, art. 80, lid 4, art 81, lid 3, art 124, lid 1, art. 125
Niet uiterlijk 10 werkdagen na bemonstering toezenden van het mestmonster aan een geaccrediteerd of gelijkwaardig laboratorium door de vervoerder, dan wel niet uiterlijk binnen 7 werkdagen na bemonstering toezenden van het mestmonster aan een geaccrediteerd of gelijkwaardig laboratorium door de monsternemende organisatie
M513
€ 100
Schending van het (Unierechtelijke) verdedigingsbeginsel
De rechtbank heeft als volgt overwogen:
“5.1. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het niet ontvangen van het primaire besluit niet betekent dat het besluit niet aan de eisen voldoet. Het primaire besluit bevat een omschrijving van de overtreding onder het kopje ‘de overtreding’. In de bijlage ‘Relevante wet- en regelgeving’ staat de wettelijke onderbouwing van de geconstateerde overtredingen en van de opgelegde boete. Het ontbreken van een specifieke feitcode wordt naar het oordeel van de rechtbank hersteld door deze bijlage.
Dat eiseres ook het NVWA-rapport pas op een later moment, namelijk gedurende de heroverweging in bezwaar, heeft ontvangen, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat eiseres in haar belangen is geschaad. Eiseres heeft het NVWA-rapport ontvangen voor de hoorzitting, waardoor zij de gronden nog heeft kunnen aanvullen en tot aan het nieuwe besluit de gelegenheid heeft gehad om haar standpunt daarover kenbaar te maken.
Verder is de rechtbank met verweerder van oordeel dat de situatie zoals die is beschreven in de uitspraak van de Rechtbank Overijssel van 22 februari 2019 anders is dan onderhavige situatie, omdat in die boetebeschikking het feitencomplex onvoldoende was gespecificeerd. Zoals hiervoor is overwogen, komt in onderhavige zaak uit het primaire besluit wel voldoende duidelijk naar voren voor welke overtreding een boete is opgelegd.”
De intermediair voert aan dat het (Unierechtelijke) verdedigingsbeginsel is geschonden. Bij het boetebesluit ontbraken het rapport en een overzicht van onderliggende gegevens, zoals beschikkingsnummers, nummers van vervoersbewijzen dierlijke meststoffen (VDM’s), data van bemonsteren, verzenddata van de monsters en de ontvangstdata van de monsters. Ook is in het boetebesluit geen feitcode vermeld en is niet vermeld wanneer de overtredingen zijn begaan. De boetes zijn daardoor onvoldoende onderbouwd. De intermediair heeft het rapport pas ontvangen nadat zij beroep bij de rechtbank had ingesteld. Verder is de intermediair niet voorafgaand aan de boeteoplegging gehoord en is zij pas in bezwaar gehoord nadat beroep bij de rechtbank was ingesteld.
Het College is met de rechtbank van oordeel dat uit het boetebesluit voldoende duidelijk blijkt voor welke overtredingen de boetes zijn opgelegd. Het boetebesluit vermeldt om welke beschikkingsnummers het gaat, wat de datum van de overtredingen is en om welke overtredingen het gaat. Verder verwijst het boetebesluit naar het rapport, waarin de mestmonsters met VDM-nummers, data van het laden en lossen en andere gegevens zijn terug te vinden. Dat de intermediair het rapport pas heeft ontvangen nadat zij beroep bij de rechtbank had ingesteld, betekent niet dat het boetebesluit niet voldoende duidelijk is. Uit het rapport blijkt verder dat de intermediair wel degelijk voorafgaand aan de boeteoplegging is gehoord. Ook is de intermediair voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit 3 gehoord. Van schending van het verdedigingsbeginsel is dan ook geen sprake. De hogerberoepsgrond slaagt niet.
Waarschuwing vooraf
De rechtbank heeft als volgt overwogen:
“5.4. Het standpunt van eiseres dat verweerder vooraf een waarschuwing had moeten geven, omdat geen sprake is van een ernstige overtreding, wordt door de rechtbank niet gevolgd. De NVWA kwalificeert alle overtredingen die krachtens de Meststoffenwet kunnen worden begaan als ernstige overtredingen (categorie B). Gezien de ernst van de overtredingen wordt ook een sanctionerende en/of een corrigerende interventie opgelegd. Aan dit type overtredingen gaat dus geen waarschuwing vooraf. De rechtbank kan eiseres niet volgen in de enkele stelling dat niet gesproken kan worden over een ernstige overtreding, omdat uit het matigingsbeleid van verweerder volgt dat een overtreding van feitcode M513 een administratieve overtreding is. Ook voor overtredingen van feitcodes uit bijlage M, waaronder M513, wordt een boete opgelegd. Dat in de zaak die aanhangig was bij de rechtbank Overijssel van 22 februari 2019 wel eerst een waarschuwing werd gegeven doet hier niet aan af. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat die zaak op een andere situatie zag, omdat onder andere sprake was van een andere feitcode (feitcode M491), er geen motivering gegeven was met betrekking tot de overtreding, enkel administratief onderzoek had plaatsgevonden en de waarschuwing was verjaard (oude stijl). Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in onderhavig geval dan ook kunnen overgaan tot het opleggen van een boete.”
De intermediair voert aan dat de overtreding van artikel 80, eerste lid, van de Urm volgens het Algemeen Interventiebeleid NVWA (2016-2024) niet kan worden aangemerkt als een ernstige (categorie B) overtreding. Dat volgt volgens de intermediair al uit het matigingsbeleid van de minister. Het kan volgens de intermediair verder onmogelijk zo zijn dat het niet binnen tien werkdagen na bemonstering voor analyse sturen naar een erkend of gelijkwaardig laboratorium kan leiden tot een feit dat naar zijn aard en omvang grote gevolgen (gevaar, schade, hinder en maatschappelijke impact) zou kunnen hebben met betrekking tot de natuur en het milieu en/of de veiligheid van de mens en/of de gezondheid van mens, dier of plant en/of de aantasting van het dierenwelzijn. Het boetebeleid, waarin alle overtredingen uit de Meststoffenwet als ernstig worden aangemerkt, is op dit punt dus onjuist en moet buiten behandeling worden gesteld. De minister had eerst een waarschuwing moeten geven, voordat een boete werd opgelegd.
Het College volgt de rechtbank in het oordeel dat het standpunt van de intermediair, dat geen sprake is van een ernstige overtreding, niet kan worden gevolgd. In het Algemeen Interventiebeleid NVWA (2016-2024) is over klasse B overtredingen onder meer het volgende opgenomen (p. 7):
“Dit betreft ernstige overtredingen waarop bestuursrechtelijk of strafrechtelijk gehandhaafd wordt. De keuze daartoe wordt bepaald aan de hand van de wet, eventueel aanvullende beleidsregels of het richtsnoer zoals weergegeven in paragraaf 2.2. Voor een doelmatige aanpak zijn opsporingsexpertise en/of –middelen die kunnen worden ingezet door de NVWA-IOD [NVWA Inlichtingen- en opsporingsdienst, College] niet per se noodzakelijk.”
In het Boetebeleid heeft de minister het interventiebeleid voor naleving van de regels van de Meststoffenwet als volgt uitgewerkt:
“4.2 Toezicht op de Meststoffenwet
In aanvulling op het algemene interventiebeleid is er voor het meststoffenbeleid specifiek interventiebeleid. In dit beleid zijn de interventies beschreven per specifieke overtreding. Het specifiek interventiebeleid verdeelt overtredingen in geringe overtredingen (D), overtredingen (C), ernstige overtredingen (B) en zeer ernstige overtredingen (A) en koppelt daar een interventie aan.
De NVWA heeft alle overtredingen die krachtens de Meststoffenwet kunnen worden begaan aangemerkt als ernstige overtredingen (B). De NVWA karakteriseert deze overtredingen als feiten die naar hun aard en omvang grote gevolgen kunnen hebben voor natuur en het milieu, de veiligheid van de mens, de gezondheid van mens, dier of plant of het dierenwelzijn. Ernstige overtredingen (B) worden bestuursrechtelijk of strafrechtelijk gehandhaafd. Bij deze overtredingen wordt ook een sanctionerende en/of een corrigerende interventie opgelegd. Aan dit type overtredingen gaat dus geen waarschuwing vooraf.”
Het is een duidelijke beleidskeuze van de minister om alle overtredingen die op grond van de Meststoffenwet kunnen worden begaan, aan te merken als ernstige overtredingen waaraan geen waarschuwing voorafgaat. De niet nader onderbouwde opvatting van de intermediair, dat de haar verweten overtreding niet ernstig kan zijn, maakt niet dat dit beleid onjuist is. Het matigingsbeleid van de minister ziet verder niet op de kwalificatie van de overtreding, maar op de hoogte van de boete. De hogerberoepsgrond slaagt niet.
Schending van het gelijkheidsbeginsel
De rechtbank heeft als volgt overwogen:
“5.5. Daarnaast is het de rechtbank niet gebleken dat sprake zou zijn van schending van het gelijkheidsbeginsel dan wel willekeur, omdat in een andere beslissing op bezwaar verweerder eerst een waarschuwing zou hebben gegeven voor een overtreding van feitcode M513 voordat er een boete was opgelegd. Eiseres heeft enkel deze stelling ingenomen, maar niet nader onderbouwd (met stukken) dat het gaat om een vergelijkbare situatie.”
De intermediair voert aan dat de minister soms eerst een waarschuwing geeft voordat een boete wordt opgelegd. De intermediair wijst op de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 22 februari 2019 (niet gepubliceerd) en op een brief van de minister van 9 juli 2021, waarin de intermediair wel (eerst) een waarschuwing is gegeven voor het niet tijdig insturen van mestmonsters. Deze waarschuwing dateert van na het boetebesluit. De minister had ook in deze zaak eerst een waarschuwing moeten geven. Door dat niet te doen heeft de minister volgens de intermediair in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld.
Het College volgt de minister in het standpunt dat de omstandigheid dat de intermediair in een later stadium alsnog een waarschuwing heeft ontvangen, niet betekent dat de minister verplicht is een waarschuwing te geven voordat een boete wordt opgelegd. In het kader van de versterkte handhavingsstrategie en de al bij de intermediair uitgevoerde controles is de minister overgegaan tot het versturen van een waarschuwing als extra prikkel om te pogen het nalevingsniveau te verhogen. Dat betekent niet dat de minister vervolgens gehouden is altijd eerst een waarschuwing te geven. Verder ziet de uitspraak van de rechtbank Overijssel waarnaar de intermediair verwijst op een andere overtreding. Er is dus geen sprake van een gelijk geval. Voor zover de intermediair met deze verwijzing bedoelt te onderbouwen dat de minister in sommige gevallen wel eerst een waarschuwing geeft, treft deze vergelijking geen doel. Voor de minister bestaat geen wettelijke verplichting om voorafgaand aan de boeteoplegging bij overtreding op grond van de Meststoffenwet eerst een waarschuwing te geven. De hogerberoepsgrond slaagt niet.
Schending van het legaliteits- of rechtszekerheidsbeginsel
De rechtbank heeft als volgt overwogen:
“5.6. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het legaliteits- of rechtszekerheidsbeginsel. Net als verweerder leest de rechtbank artikel 80 van de Regeling zo dat het gaat om het daadwerkelijk versturen van de mestmonsters aan het laboratorium, en niet om het moment waarop eiseres de vracht digitaal aanmeldt bij de ophaalservice. Op dat moment wordt het monster immers nog niet daadwerkelijk toegestuurd aan het laboratorium. De rechtbank vindt steun voor deze uitleg in de toelichting op de Regeling, waarin staat vermeld dat het algemene uitgangspunt is dat de mestmonsters zo spoedig mogelijk naar het laboratorium worden verstuurd. Het moment van het daadwerkelijk overhandigen van de mestmonsters aan, in dit geval, een ophaalservice, moet worden gezien als de uiteindelijke verzenddatum. Als ontvangstdatum moet worden gezien het moment dat de mestmonsters worden aangenomen door het laboratorium. Mede gelet op het NVWA-rapport is de rechtbank met verweerder van oordeel dat in beginsel het moment van overhandigen van de mestmonsters aan de ophaaldienst, dezelfde dag is dat de mestmonsters worden ontvangen door het laboratorium. Dat verweerder, uit coulance, hierbij een marge hanteert van drie werkdagen, laat onverlet dat binnen de gestelde tijdsspanne de monsters moeten worden ontvangen door het laboratorium. Ook het gegeven dat eiseres er zelf voor heeft gekozen om gebruik te maken van een ophaalservice door het laboratorium, en dat deze werkwijze is goedgekeurd door RVO, ontslaat haar niet van haar eigen verantwoordelijkheid om de monsters tijdig aan het laboratorium toe te sturen en komt het voor haar eigen rekening en risico als dit niet tijdig gebeurt. Gelet hierop zijn de 22 overtredingen naar het oordeel van de rechtbank correct vastgesteld en heeft verweerder daarmee feitcode M513 aan de bestuurlijke boete ten grondslag mogen leggen. De door eiseres gemaakte vergelijking met de uitspraak van het CBb gaat daarom niet op.”
De intermediair voert aan dat artikel 8, eerste lid, van de Urm alleen spreekt van toezending van het mestmonster en niet over de ontvangstdatum van het mestmonster. Volgens de intermediair is het moment van toezending het moment waarop zij de mestmonsters digitaal aanmeldt bij het laboratorium. Dat blijkt ook uit het verzendoverzicht dat de intermediair na digitale aanmelding van het laboratorium ontvangt. De monsters worden door het laboratorium slechts eenmaal per week opgehaald. De datum waarop de monsters worden opgehaald is niet de datum van toezending, maar de datum van ontvangst door het laboratorium. De intermediair heeft de mestmonsters tijdig aangemeld en daarmee tijdig toegestuurd. Zij heeft dus aan haar verplichting voldaan en haar kan geen boete worden opgelegd.
Het College volgt de rechtbank in het oordeel dat “stuurt […] toe” in artikel 80, eerste lid, van de Urm betekent het daadwerkelijk fysiek overdragen van de mestmonsters aan (de ophaalservice van) het laboratorium. Digitale aanmelding gaat daaraan vooraf. De te verzenden mestmonsters zijn dan nog in de macht van de intermediair en nog niet daadwerkelijk toegestuurd aan het laboratorium. Uit het rapport blijkt dat de intermediair de mestmonsters op 10 september 2020 fysiek heeft overgedragen aan de ophaalservice van het laboratorium. De minister is dan ook terecht uitgegaan van 10 september 2020 als verzenddatum. Van enige strijd met het legaliteits- of rechtszekerheidsbeginsel is geen sprake.
De intermediair voert ook aan dat haar niet kan worden verweten dat het laboratorium niet dagelijks maar slechts eenmaal per week de mestmonsters komt ophalen. Het laboratorium en diens werkwijze zijn door de minister geaccrediteerd en erkend. Het College volgt de minister in het standpunt dat van het ontbreken van verwijtbaarheid geen sprake is. De intermediair is zelf verantwoordelijk voor het tijdig toesturen van de mestmonsters. Zij kiest er zelf voor om van de ophaalservice van het laboratorium gebruik te maken. Ze dient haar bedrijfsvoering dan zo aan te passen dat de monsters eerder worden verstuurd. Het beroep van de intermediair op het ontbreken van enige verwijtbaarheid slaagt niet.
De intermediair voert verder aan dat als de minister de termijn met vijf dagen uitbreidt, dit dan vijf werkdagen moeten zijn, naar analogie met artikel 6:9, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ook kan de minister niet eerst de termijn met vijf dagen verlengen en dan dit terugbrengen naar drie werkdagen, zoals hier is gebeurd. Het College volgt dit betoog al niet omdat het wijzigen van deze coulance van vijf dagen naar drie werkdagen in dit geval geen gevolgen heeft voor het aantal betrokken overtredingen en de hoogte van de boete. Zowel bij een marge van vijf reguliere dagen als een marge van drie werkdagen, zijn acht transporten alsnog als tijdig aan te merken.
De intermediair stelt voorts dat het feit dat een mestmonster drie tot acht dagen te laat wordt ingeleverd, geen enkel effect op de mestketen heeft. De intermediair heeft namelijk wel voldaan aan het vereiste dat de VDM’s binnen dertig dagen moeten zijn ingediend bij de minister. Het College volgt dit standpunt van de intermediair niet. De minister heeft in de reactie op het hogerberoepschrift toegelicht dat het noodzakelijk is dat de meststroom in de gehele keten van producent tot eindgebruiker transparant is. Het tijdig toesturen van de mestmonsters is daarbij van belang. Naast de verplichtingen van de vervoerder dient ook het laboratorium binnen een bepaalde termijn het monster te analyseren en vervolgens kunnen partijen nog om her-analyse verzoeken van het mestmonster. De analyse-uitslagen van de mestmonsters dienen samen met de vervoersgegevens van de vracht zelf tijdig elektronisch verzonden te worden naar de minister. De minister wijst er ook op dat hoe later het mestmonster wordt aangeleverd bij een erkend laboratorium, hoe groter het negatieve effect daarvan is op de kwaliteit en betrouwbaarheid van de monstername. Dat de intermediair heeft voldaan aan de verplichting binnen dertig dagen VDM’s in te dienen, laat onverlet dat zij eveneens moet voldoen aan de verplichting tot het tijdig indienen van de mestmonsters. Beide verplichtingen dienen andere doelen. Het College ziet geen aanleiding de minister niet te volgen in dit betoog. De hogerberoepsgrond slaagt niet.
De intermediair stelt tot slot dat zij geen enkel financieel belang heeft bij het later toesturen van de mestmonsters dan wettelijk verplicht en dat de boete om deze reden gematigd moet worden. De minister stelt daartegenover dat de intermediair, door alle mestmonsters van deze dertig vrachten in één keer te laten ophalen in plaats van meerdere keren binnen de gecontroleerde periode, wel degelijk kosten heeft bespaard. Het College acht dit met de minister aannemelijk. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor verdere matiging van de boete.
Ondertekening
De rechtbank heeft als volgt overwogen:
“5.7. De grond van eiseres met betrekking tot de elektronische handtekening slaagt niet. Gelet op hetgeen verweerder in het verweerschrift en in de bestreden besluiten heeft uiteengezet over de totstandkoming en rechtsgeldigheid van de elektronische handtekening waarmee de besluiten zijn ondertekend, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de besluiten onbevoegdelijk zouden zijn afgegeven. Ook ziet de rechtbank in wat eiseres in beroep heeft aangevoerd geen reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de door verweerder beschreven wijze van elektronisch ondertekenen van de bestreden besluiten. De stelling van eiseres dat niet kan worden gecontroleerd of de persoon die onder het besluit staat vernoemd ook daadwerkelijk zijn/haar (elektronische) handtekening onder het besluit heeft geplaatst is daarvoor onvoldoende. De rechtbank is dan ook van oordeel dat met de elektronische handtekening onder de (bestreden) besluiten aan het vereiste van ondertekening is voldaan. Daarbij is de rechtbank niet gebleken van strijd met bepalingen voor het uitoefenen van mandaat uit afdeling 10.1.1. van de Awb. De door eiseres gemaakte vergelijking met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van State gaat dan ook niet op.”
De intermediair herhaalt in hoger beroep haar grond dat de besluiten niet voldoen aan de vereisten voor een elektronische ondertekening, omdat deze met een gescande handtekening zijn ondertekend. Iedereen kan volgens de intermediair een jpg-plaatje knippen en plakken, waardoor niet valt te controleren of degene van wie de naam onder de beslissing staat, deze ook daadwerkelijk heeft ondertekend. De handtekeningen voldoen volgens de intermediair niet aan de vereisten die de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de uitspraak van 8 oktober 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3355) heeft vermeld.
Het College stelt vast dat alle besluiten in deze zaak op papier staan en per post zijn verstuurd. Dat betekent dat artikel 2:16 (sinds 1 januari 2026: artikel 2:18) van de Awb, dat ziet op de ondertekening van langs de elektronische weg verzonden berichten, niet van toepassing is. Daarmee gaat de verwijzing van de intermediair naar voornoemde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die ziet op de toepassing van artikel 2:16 van de Awb, niet op. Het College ziet verder met de rechtbank in wat de intermediair heeft aangevoerd geen reden voor twijfel aan de juistheid en betrouwbaarheid van de ondertekening van de besluiten, of voor strijd met artikel 10:11, eerste lid, van de Awb. De enkele stelling van de intermediair dat niet valt te controleren of degene wiens naam onder de beslissing staat, deze ook daadwerkelijk heeft ondertekend, is daarvoor onvoldoende. De hogerberoepsgrond slaagt niet.
Tussenconclusie
9 Uit 4.1 tot en met 8.3 volgt dat de rechtbank het beroep van de intermediair tegen het bestreden besluit 3 terecht en op goede gronden ongegrond heeft verklaard.
Proceskostenveroordeling door de rechtbank
10 De intermediair voert aan dat de rechtbank bij de proceskostenveroordeling ten onrechte geen punt heeft toegekend voor het nieuwe beroepschrift tegen het bestreden besluit 2. Het College stelt vast dat de minister het bestreden besluit 2 heeft herzien met het bestreden besluit 3 en dat de rechtbank terecht het beroep tegen het bestreden besluit 2 niet-ontvankelijk en het beroep tegen het bestreden besluit 3 ongegrond heeft verklaard. Voor het bij de proceskostenveroordeling toekennen van een punt voor het beroepschrift tegen het bestreden besluit 2 bestaat dan ook geen aanleiding.
Redelijke termijn
11 Over het verzoek van de intermediair op de zitting om matiging van de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 6 van het EVRM overweegt het College als volgt. In punitieve zaken geldt het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties (bezwaar, beroep en hoger beroep) is overschreden als die procedure in haar geheel langer dan vier jaar heeft geduurd. De termijn begint op het moment waarop een handeling is verricht waaraan de betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een bestuurlijke boete wordt opgelegd. De intermediair heeft in dit geval gesteld pas bekend te zijn geworden met de boete door de toezending van het boetebesluit door de minister op 1 maart 2023. Het College gaat in dit geval daarom voor de aanvang van de termijn uit van de datum 1 maart 2023. Ten tijde van deze uitspraak is de redelijke termijn dus nog niet overschreden. Voor een verdere matiging van de boete bestaat dan ook geen aanleiding.
Slotsom
Het hoger beroep slaagt niet. Het College zal de aangevallen uitspraak bevestigen.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Het College bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek, in aanwezigheid van mr. M.L. Bosman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.
w.g. H.L. van der Beek w.g. M.L. Bosman