COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid)
uitspraak
zaaknummer: 23/1788
uitspraak van de meervoudige kamer van 24 februari 2026 op het hoger beroep van:
[naam 1] , te [plaats] (de tabaksfabrikant)
(gemachtigden: mr. H.J. van den Bos, mr. S. van Dijk en mr. I.S. Noija)
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam 25 augustus 2023, kenmerk 21/499, in het geding tussen
de tabaksfabrikant
en
(gemachtigden: mr. I. Renkema-Brink en mr. D.W. Gerritsen)
Het College heeft ook als partij aangemerkt:
Procesverloop in hoger beroep
De tabaksfabrikant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van rechtbank Rotterdam van 25 augustus 2023 (aangevallen uitspraak; niet gepubliceerd).
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting over het hoger beroep gegeven.
De zitting was op 27 november 2025. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.
Grondslag van het geschil
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.
De tabaksfabrikant verkocht tijdens het festivalseizoen van 2018 bij het [naam 2] -, het [naam 3] -, en het [naam 4] -festival (de festivals) tabaksproducten in daarvoor bestemde tabaksverkooppunten. Daartoe had de tabaksfabrikant voor het festival [naam 4] met [naam 5] B.V. ( [naam 5] ) en voor de andere twee festivals met [naam 6] B.V. ( [naam 6] ) samenwerkingsovereenkomsten gesloten. Daarin was overeengekomen dat de tabaksfabrikant een distributievergoeding betaalde waarmee hij het recht verkreeg om tabaksproducten te verkopen tijdens de festivals. Deze distributievergoeding voor dit zogenoemde verkooprecht bestond uit een vaste en een variabele vergoeding.
De vaste vergoeding aan [naam 6] bedroeg € 120.000,- (excl. btw) en € 110.000,- (excl. btw) aan [naam 5] voor het gehele festivalseizoen, waaronder de festivals in deze zaken. Verder was overeengekomen dat de vergoeding zou halveren voor elke andere tabaksfabrikant die ook aanwezig was tijdens een festival. In het geval van aanwezigheid van een andere top 5 tabaksfabrikant behield de tabaksfabrikant daarnaast het recht om de samenwerking op een evenement te beëindigen zonder enige aansprakelijkheid voor schade of betaling van de variabele vergoeding.
De variabele vergoeding werd per evenement berekend op basis van het aantal verkochte pakjes sigaretten en het totaal aantal bezoekers.
Voor de verkoop huurde de tabaksfabrikant een derde partij, [naam 7] B.V. ( [naam 7] ), in. Bij de verkoop moesten werknemers van [naam 7] een werkinstructie hanteren (en ondertekenen). Deze werkinstructie hield kort gezegd in dat klanten die vroegen om concurrerende merken moesten worden geadviseerd tot de aanschaf van één van de producten van de tabaksfabrikant. Verder moest de verkoopwand volgens het zogenoemde planogram worden gevuld, mochten er geen sigaretten van een ander merk op lege plekken geplaatst worden en moest de klant bij vragen over de tabaksfabrikant of haar producten worden doorverwezen naar de managers of de website van de fabrikant.
Toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) hebben inspecties uitgevoerd bij de festivals. Naar aanleiding van deze inspecties is nader onderzoek gedaan naar de afspraken tussen de tabaksfabrikant, de festivalorganisatoren en derden. De bevindingen van de toezichthouders zijn neergelegd in drie afzonderlijke rapporten van bevindingen.
Met drie besluiten van 18 oktober 2019 (boetebesluiten) heeft de staatssecretaris aan de tabaksfabrikant drie boetes opgelegd van elk € 45.000,-. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat de tabaksfabrikant artikel 5, eerste lid, van de Tabaks-en rookwarenwet (Trw) heeft overtreden. Dat sprake is van reclame blijkt volgens de staatsecretaris onder meer uit de werkinstructies voor het personeel dat was belast met de verkoop van tabaksproducten en de exclusiviteit die aan de tabaksfabrikant wordt gegund.
Met zijn besluit van 22 december 2020 (beslissing op bezwaar), waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft de staatssecretaris de bezwaren van de tabaksfabrikanten tegen de boetebesluiten ongegrond verklaard en deze boetebesluiten gehandhaafd. Hij wijst erop dat elke handeling in de economische sfeer met als doel de verkoop van tabaksproducten te bevorderen, verboden is. Volgens de staatssecretaris zijn de distributievergoedingen, die leiden tot de exclusieve aanwezigheid van de tabaksfabrikant op de festivals, en de werkinstructies te kwalificeren als handelingen in de economische sfeer met als doel de verkoop van tabaksproducten te bevorderen. Niet valt in te zien waarom – anders dan ter bevordering van de verkoop van tabaksproducten – vaste vergoedingen aan festivals gegeven worden voor het exclusief aanwezig zijn op deze festivals, variabele vergoedingen afhankelijk zijn van het aantal bezoekers en het aantal verkochte pakjes sigaretten en waarom er werkinstructies zijn ter advisering van klanten die sigaretten van andere tabaksfabrikanten roken. Om die reden vallen deze vergoedingen en afspraken onder de definitie van reclame zoals opgenomen in de Trw.
Aangevallen uitspraak
2 De rechtbank heeft het beroep van de tabaksfabrikant gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover het de hoogte van de boetes betreft, de boetebesluiten in zoverre herroepen en de hoogte van de boetes vastgesteld op € 33.750,-. Volgens de rechtbank heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat de tabaksfabrikant met de afspraken over de distributievergoedingen en de gehanteerde werkinstructies het reclameverbod heeft overtreden. Met het uitoefenen van invloed op de verkooppunten en rookruimten heeft de tabaksfabrikant dat verbod niet overtreden. Voor de overtredingen mocht de staatssecretaris boetes opleggen. De rechtbank heeft de boetes gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
De tabaksfabrikant kan zich niet vinden in de beoordeling door de rechtbank en heeft daartegen verschillende hoger beroepsgronden gericht. De minister heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat wat de tabaksfabrikant aanvoert, stelt allereerst aan de orde of hij met de samenwerkingsovereenkomsten en meer in het bijzonder de afspraken over de distributievergoedingen en de werkinstructies het reclameverbod heeft overtreden.
Het reclameverbod
In artikel 5, eerste lid, van de Trw is bepaald dat elke vorm van reclame of sponsoring is verboden. De definitie van reclame staat in artikel 1, eerste lid, van de Trw en luidt als volgt:
“reclame: elke handeling in de economische sfeer met als doel de verkoop van tabaksproducten en aanverwante producten te bevorderen en elke vorm van commerciële mededeling die het bekendheid geven aan of het aanprijzen van een tabaksproduct of aanverwant product tot doel dan wel rechtstreeks of onrechtstreeks tot gevolg heeft, met inbegrip van reclame waarmee, zonder het tabaksproduct of aanverwant product rechtstreeks te noemen, wordt getracht het reclameverbod te omzeilen door gebruik te maken van een naam, merk, symbool of enig ander onderscheidend teken van een tabaksproduct of aanverwant product.”
Het College heeft in uitspraken van 20 februari 2024 (bijvoorbeeld ECLI:NL:CBB:2024:97 onder 4.2 en 6.3) over het eerste deel van die wettelijke definitie overwogen dat deze zo moet worden uitgelegd dat alleen sprake is van een verkoopbevorderend doel als de handeling in de economische sfeer direct of indirect is gericht op enige vorm van communicatie naar de consument met als doel het tabaksgebruik en/of het gebruik van aanverwante producten bij de consument aan te wakkeren. Dat betekent dat de consument op enig moment een effect van de handeling moet kunnen merken. Het doel van verkoopbevordering kan anders namelijk niet worden bereikt. Of dat effect daadwerkelijk is of wordt bereikt, is daarbij niet van belang. Het gaat om het met de handeling beoogde doel, niet om het feitelijk resultaat.
Verder heeft het College in genoemde uitspraak (onder 7) overwogen dat de bewijslast van een overtreding, gelet op de waarborgen die voortvloeien uit artikel 6, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), rust op de staatssecretaris en dat in geval van twijfel aan de betrokkene het voordeel van de twijfel dient te worden gegund. Om een overtreding van het reclameverbod vast te kunnen stellen, moet de staatssecretaris dus bewijzen dat de samenwerkingsovereenkomsten en/of de werkinstructies een verkoopbevorderend doel hebben. Daarvoor moet bewezen worden dat de overeenkomsten en/of werkinstructies direct of indirect zijn gericht op enige vorm van communicatie naar de consument met als doel het tabaksgebruik en/of het gebruik van aanverwante producten bij de consument aan te wakkeren.
Samenwerkingsovereenkomsten (exclusiviteit)
De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:
“8.6.2. Hoewel het de organisatoren van de festivals in de samenwerkingsovereenkomsten niet is verboden (ook) met andere tabaksfabrikanten een overeenkomst te sluiten, heeft de staatssecretaris zich op het standpunt kunnen stellen dat de distributievergoedingen naar hun aard een verkoopbevorderend effect hebben. Daarvoor heeft de staatssecretaris van belang kunnen achten dat de vaste vergoeding steeds met 50% vermindert als de organisator andere tabaksfabrikanten toestaat om hun producten te verkopen op de festivals. Ondanks dat het de organisator van het festival vrij heeft gestaan een overeenkomst met een andere tabaksfabrikant te sluiten, bevordert deze afspraak de verkoop van tabaksproducten van [naam tabaksfabrikant]. De financiële gevolgen voor de organisator van de festivals zijn immers groot wanneer er ook met een andere tabaksfabrikant een contract wordt afgesloten. Daarbij komt dat ook het ter beschikking stellen van de variabele vergoeding de organisator ertoe verleidt exclusief producten van [naam tabaksfabrikant] aan te bieden, aangezien deze vergoeding hoger uitvalt naarmate meer producten van [naam tabaksfabrikant] worden verkocht. Het doel van deze overeenkomst is om de organisator ertoe te bewegen exclusief producten van [naam tabaksfabrikant] te (laten) verkopen, wat ontegenzeggelijk een bevorderend effect heeft op de verkoop van producten van [naam tabaksfabrikant].
Daarmee is sprake van "een handeling in de economische sfeer" die als doel heeft "de verkoop van tabaksproducten en aanverwante producten te bevorderen", zodat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [naam tabaksfabrikant] met deze vergoedingen het reclameverbod heeft overtreden.”
De tabaksfabrikant voert aan dat de samenwerkingsovereenkomsten die hij met [naam 6] en [naam 5] heeft gesloten niet kwalificeren als reclame in de zin van artikel 5 van de Trw. De tabaksfabrikant betwist dat de financiële gevolgen voor de festivalorganisatoren groot zouden zijn als de festivalorganisatoren met andere tabaksfabrikanten zouden contracteren en/of dat zij een exclusief recht zou hebben gehad om op festivals te mogen staan. Wanneer de festivalorganisatoren zouden contracteren met andere tabaksfabrikanten, zouden zij hier ook inkomsten uit genereren. Daarnaast is uit de samenwerkingsovereenkomsten niet gebleken dat sprake was van enig verkoopbevorderend doel in de communicatie richting de festivalgangers.
De staatssecretaris voert het volgende aan. Hoewel het de organisatoren van de festivals op grond van de samenwerkingsovereenkomsten niet is verboden (ook)
met andere tabaksfabrikanten een overeenkomst te sluiten, heeft de distributievergoeding naar haar aard een verkoopbevorderend effect. Het dwingt exclusiviteit af. Uit die overeenkomsten blijkt namelijk dat de vaste vergoeding steeds met 50% vermindert als zij andere
tabaksfabrikanten toestaat om hun producten te verkopen op de festivals. Het exclusief aanwezig zijn van de tabaksfabrikant en daarmee het uitsluiten van de verkoop van andere merken dan die van hem, bevordert de verkoop van zijn producten en is daarmee in strijd met het reclameverbod. Daarbij komt dat ook het ter beschikking stellen van de variabele vergoeding de organisator ertoe verleidt exclusief producten van de fabrikant aan te bieden, aangezien deze vergoeding hoger uitvalt naarmate meer producten van hem worden verkocht. Het doel van de overeenkomst is om de organisatoren ertoe te bewegen exclusief producten van de fabrikant te laten verkopen, wat een bevorderend effect heeft op de verkoop van zijn producten. Doordat de samenwerkingsovereenkomst exclusiviteit afdwingt, worden overwegend producten van de fabrikant verkocht, wat merkbaar is voor de consument. De
consument ziet nagenoeg enkel de producten van appellant, heeft daarmee geen keuze en wordt op deze manier 'gedwongen' een product van de fabrikant te kopen als de sigaretten van de consument op zijn en de consument wel wil blijven roken. De manier waarop de
samenwerkingsovereenkomsten zijn aangegaan, maakt normale concurrentie niet
mogelijk.
Zoals het College eerder heeft overwogen in de uitspraak van 20 februari 2024 (hiervoor aangehaald, onder 10.2) is het sluiten van een samenwerkingsovereenkomst tussen een tabaksfabrikant en een wederverkoper op zichzelf niet verboden. De verkoop van tabak is namelijk toegestaan en concurrentie tussen fabrikanten – tot op zekere hoogte – ook. Zolang de verkoop van tabaksproducten en aanverwante producten is toegestaan, hoort daarbij dat een fabrikant, binnen de wettelijke beperkingen die er zijn, zoekt naar manieren om zo veel mogelijk van zijn producten te verkopen en daarmee zo veel mogelijk winst te maken, al is het maar ten koste van de concurrerende fabrikanten en zonder dat de verkoop als geheel toeneemt. Voor zover uit de samenwerkingsovereenkomsten blijkt dat de tabaksfabrikant de verkoop van zijn producten wil bevorderen, is dit daarom op zichzelf onvoldoende om te bewijzen dat de overeenkomsten een verkoopbevorderend doel hebben in de zin van de wettelijke definitie van reclame. Verder blijkt uit de in de samenwerkingsovereenkomsten opgenomen afspraken tussen de tabaksfabrikant en de festivalorganisatoren niet dat deze direct of indirect zijn gericht op enige vorm van communicatie naar de consument met als doel het tabaksgebruik en/of het gebruik van aanverwante producten bij de consument aan te wakkeren. Het College wil wel aannemen dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, de afspraken over de vaste en variabele vergoeding de verkoop van tabaksproducten van de tabaksfabrikant bevorderen. Daaruit blijkt echter niet op welke manier de afspraken zijn gericht op communicatie met de consument en het aanwakkeren van zijn tabaksgebruik (vergelijk de uitspraak van 20 februari 2024, hiervoor aangehaald, onder 10.6). Dat, zoals de staatssecretaris nog heeft aangevoerd, de samenwerkingsovereenkomsten exclusiviteit bedingen waardoor overwegend producten van de tabaksfabrikant worden verkocht, wat merkbaar is voor de consument, maakt dat niet anders. Zoals hiervoor overwogen, hoort bij het feit dat de verkoop van tabaksproducten is toegestaan dat een fabrikant, binnen de wettelijke beperkingen die er zijn, zoekt naar manieren om – kort gezegd – zo veel mogelijk van zijn producten te verkopen. Verder was het de organisatoren van de festivals niet verboden (ook) met andere tabaksfabrikanten een overeenkomst te sluiten over de aanwezigheid op de festivals, zodat, zonder verder onderzoek, dat ontbreekt, niet duidelijk is op welke wijze de samenwerkingsovereenkomsten de organisatoren van de festivals beïnvloeden in hun communicatie richting de consument.
Uit het voorgaande volgt dat de tabaksfabrikant met de samenwerkingsovereenkomsten het reclameverbod van artikel 5 van de Trw niet heeft overtreden. De minister was in zoverre dus niet bevoegd een boete op te leggen. De hogerberoepsgrond slaagt.
Werkinstructies
De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:
“8.5.2 Naar het oordeel van de rechtbank stelt de staatssecretaris zich terecht op het standpunt dat de in de werkinstructie opgenomen opdracht om een klant die een concurrerend merk rookt een juist alternatief van [naam tabaksfabrikant] te adviseren, tot doel heeft de verkoop van tabaksproducten en aanverwante producten te bevorderen. Ook indien de instructie verkoopmedewerkers zou helpen bij het geven van een professionele reactie op gangbare vragen van consumenten, laat dat onverlet dat daardoor de verkoop van tabaksproducten wordt bevorderd. Door consumenten te adviseren welk merk van [naam tabaksfabrikant] het meest overeenkomt met het concurrerende merk, worden zij verleid en aangespoord om bij afwezigheid van het concurrerende merk de geadviseerde merkvariant van [naam tabaksfabrikant] te kopen. Niet alleen wordt hiermee gestimuleerd dat consumenten blijven roken, maar ook worden zij ertoe bewogen de merkvariant van [naam tabaksfabrikant] in de toekomst te blijven afnemen. Dat door de toezichthouders niet is vastgesteld dat ook daadwerkelijk conform de werkinstructie is gehandeld, laat onverlet dat de werkinstructie naar haar inhoud al tot doel heeft de verkoop van tabaksproducten en aanverwante producten van [naam tabaksfabrikant] te bevorderen.”
De tabaksfabrikant voert aan dat de werkinstructie die hij met [naam 7] is overeengekomen, niet kwalificeert als reclame in de zin van artikel 5, eerste lid, van de Trw. Het doel van de interne instructies was het zekerstellen van een professionele reactie van de verkoopmedewerkers op gangbare vragen van consumenten. Als geen instructie was gegeven, was de verkoop daardoor niet minder ‘bevorderd’. Het enige resultaat was geweest dat sommige consumenten tijdens de festivals een voor hen minder passend product zouden aanschaffen. Het minder passende product zou ook dan een product van de tabaksfabrikant zijn. Van een verkoopbevorderend effect is dan ook geen sprake. Verder waren de instructies reactief van aard. Medewerkers van [naam 7] hebben dan ook slechts geadviseerd over producten van de tabaksfabrikant aan consumenten die al rookten en al besloten hadden om een pakje sigaretten te kopen. In een dergelijke situatie kan geen sprake zijn geweest van een werkinstructie met een ‘verkoopbevorderend effect’.
Volgens de staatssecretaris vallen ook de gemaakte afspraken uit de werkinstructies onder het reclameverbod. Uit de werkinstructie volgt dat verkoopmedewerkers klanten die een concurrerend merk roken, dienen te adviseren welk merk van de tabaksfabrikant het meest overeenkomt met het concurrerende merk. Daarnaast wordt de klant door een dergelijk advies verleid en aangespoord de merkvariant van de tabaksfabrikant te kopen die het meest lijkt op het concurrerende merk en komen klanten in aanraking met de producten van de tabaksfabrikant, die zij mogelijk in de toekomst blijven afnemen. De werkinstructie heeft dus het doel om de verkoop van producten van de tabaksfabrikant te bevorderen en valt dus onder het reclameverbod. Daar waar de tabaksfabrikant stelt dat de werkinstructies niet het effect of het doel hadden het tabaksgebruik aan te wakkeren, merkt de staatssecretaris op dat uit de Nota van Wijziging (Kamerstukken II 2000/01, 26 472, nr. 7), zoals weergegeven in de uitspraak van het College van 20 februari 2024 (hiervoor aangehaald, onder 6.4), blijkt dat het doel van het reclameverbod ook is het verminderen van de verkoop aan en het tabaksgebruik door de consument.
Zoals hiervoor (onder 4.3) overwogen, is het aan de staatssecretaris te bewijzen dat de werkinstructies direct of indirect zijn gericht op enige vorm van communicatie naar de consument met als doel het tabaksgebruik en/of het gebruik van aanverwante producten bij de consument aan te wakkeren. Op de zitting van het College heeft de staatssecretaris erkend dat de werkinstructies niet het totale tabaksgebruik aanwakkeren, maar dat het hem erom gaat dat met de werkinstructies het gebruik van eigen producten van de tabaksfabrikant wordt aangewakkerd. Dit betekent dat hooguit kan worden gezegd dat de werkinstructies het doel hebben het gebruik van een alternatief – namelijk het product van de tabaksfabrikant – aan te wakkeren. Van communicatie naar de consument met als doel het tabaksgebruik en/of het gebruik van aanverwante producten in zijn geheel aan te wakkeren, is dus geen sprake.
Uit het voorgaande volgt dat de tabaksfabrikant met de werkinstructies het reclameverbod van artikel 5, eerste lid, van de Trw niet heeft overtreden. De minister was ook in zoverre niet bevoegd een boete op te leggen. Ook deze hogerberoepsgrond treft dus doel.
Conclusie
7 Het hoger beroep van de tabaksfabrikant slaagt. Het College zal de aangevallen uitspraak vernietigen en, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep van de tabaksfabrikant tegen de beslissing op bezwaar gegrond verklaren, deze beslissing vernietigen en de boetebesluiten herroepen. De overige hogerberoepsgronden behoeven geen bespreking meer.
Overschrijding redelijke termijn
De tabaksfabrikant heeft aangevoerd dat de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, is overschreden.
In bestraffende zaken als hier aan de orde geldt het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties (bezwaar, beroep en hoger beroep) in beginsel is overschreden als die procedure in haar geheel langer duurt dan vier jaar. De redelijke termijn begint op het moment waarop een handeling wordt verricht waaraan de betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een bestuurlijke boete wordt opgelegd. De bestuurlijke fase mag ten hoogste een jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste een jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren. Volgens vaste rechtspraak wordt bij een overschrijding van de redelijke termijn in bestraffende zaken de boete in beginsel gematigd met 5% per half jaar waarmee de termijn is overschreden, naar boven afgerond. In dit geval komen de boetes als gevolg van de uitspraak te vervallen. De tabaksfabrikant komt daarom in aanmerking voor een schadevergoeding. Deze schadevergoeding bedraagt € 500,- per half jaar waarmee in de bestuurlijke respectievelijk de rechterlijke fase de redelijke termijn is overschreden, naar boven afgerond. In dit geval is sprake van meerdere zaken van één belanghebbende die betrekking hebben op hetzelfde onderwerp (drie boetes wegens overtreding van de Trw en het daarin vastgelegde reclameverbod). Deze zaken zijn in bezwaar, beroep en hoger beroep gezamenlijk behandeld en daarom wordt daarvoor gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500,- per half jaar gehanteerd.
De termijn is in dit geval begonnen op 15 april 2019, de dag waarop de staatssecretaris de voornemens tot boeteoplegging aan de tabaksfabrikant heeft verzonden. De staatssecretaris heeft op 22 december 2020 op het bezwaar beslist. De tabaksfabrikant heeft op 26 januari 2021 beroep ingesteld bij de rechtbank. Op 25 augustus 2023 heeft de rechtbank uitspraak gedaan. Met de uitspraak van vandaag is de procedure geëindigd en is de redelijke termijn overschreden met afgerond twee jaar en tien maanden (34 maanden). Dit betekent dat de tabaksfabrikant recht heeft op € 3.000,- schadevergoeding. De redelijke termijn is in de bestuurlijke fase afgerond met acht maanden overschreden. De redelijke termijn is in de rechterlijke fase afgerond met twee jaar en twee maanden overschreden (26 maanden). Dit betekent dat de staatssecretaris zal worden veroordeeld tot vergoeding van de immateriële schade aan de tabaksfabrikant tot een bedrag van € 705,88 (8/34 deel van € 3.000,-) en de Staat tot een bedrag van € 2.294,12 (26/34 deel van € 3.000,-).
Proceskosten en griffierecht
9 Het College zal de staatssecretaris veroordelen in de door de tabaksfabrikant in bezwaar, beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten. Het College stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 5.068,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting in bezwaar, met een waarde per punt van € 666,- en een wegingsfactor 1, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting in beroep, 1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting in hoger beroep, met een wegingsfactor 1 met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
10 Het College zal de minister opdragen het griffierecht in beroep van € 360,- en het griffierecht in hoger beroep van € 548,- aan de tabaksfabrikant te vergoeden.
Beslissing
Het College:
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.O. Kerkmeester, mr. A. Venekamp en mr. M.J. Jacobs, in aanwezigheid van mr. B.W.N. van den Oever, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026.
w.g. H.O. Kerkmeester w.g. B.W.N. van den Oever