COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2026 in de zaak tussen
[naam] , te [woonplaats] (ondernemer)
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
uitspraak
Zaaknummer: 24/237
(gemachtigde: J.H.F. van den Hombergh)
en
Procesverloop
Met het besluit van 18 augustus 2023 heeft de minister op grond van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 vastgesteld dat de aanmelding voor de basispremie en extra betaling van de eerste 40 hectare en de eco-regeling voor 2023 te laat is ontvangen en dat de ondernemer daardoor geen subsidie kan aanvragen.
Met het besluit van 1 december 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de ondernemer tegen het besluit van 18 augustus 2023 ongegrond verklaard.
De ondernemer heeft tegen het besluit van 1 december 2023 beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Naar aanleiding van de uitspraken van het College van 14 januari 2025 (ECLI:CBB:2025:8 en ECLI:CBB:20025:9) heeft de minister een nieuw besluit genomen. Met het besluit van 6 maart 2025 (intrekkingsbesluit) heeft de minister het besluit van 1 december 2023 niet langer gehandhaafd, het bezwaar van de ondernemer tegen het besluit van 18 augustus 2023 gegrond verklaard en laatstgenoemd besluit ingetrokken.
Geen van de partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord. Het College heeft vervolgens bepaald dat een zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. De minister heeft met het intrekkingsbesluit zijn standpunt, dat de aanmelding te laat is en daarom geen subsidie kan worden aangevraagd, gewijzigd en het besluit van 18 augustus 2023 herroepen. Dit betekent dat de minister de aanmelding alsnog als tijdig ingediend heeft aangemerkt en de aanvraag alsnog in behandeling heeft genomen.
2 In reactie daarop heeft de ondernemer aangegeven dat hij het beroep handhaaft omdat in het intrekkingsbesluit niet wordt aangegeven wat de hoogte van de subsidie GLB 2023 zal zijn. Daarnaast heeft de ondernemer verzocht om veroordeling van de minister in de kosten van de bezwaar- en beroepsprocedure.
3 Omdat het bestreden besluit is ingetrokken bestaat geen belang meer bij een beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit. Een zelfstandig procesbelang is niet gelegen in een verzoek tot proceskostenvergoeding. Dat beroep is dan ook niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang.
4 Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep tegen het bestreden besluit van rechtswege mede betrekking op het intrekkingsbesluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
5. Het vaststellen van de hoogte van de GLB-2023 subsidie, zoals de ondernemer in zijn reactie heeft aangegeven, valt buiten de omvang van dit geding. Met het herroepen van het besluit van 18 augustus 2023 is het geschil dat zag op de niet tijdige aanmelding en de consequentie daarvan, geëindigd. Bij het intrekkingsbesluit gaat het namelijk om het accepteren van de aanmelding zelf. Na het toelaten van de aanmelding stelt de minister de hoogte van de subsidie vast met nadere besluitvorming. Dit heeft de minister ook medegedeeld in het intrekkingsbesluit. Tegen die besluitvorming kunnen afzonderlijke rechtsmiddelen worden ingesteld.
6 Met het intrekkingsbesluit komt de minister dus volledig tegemoet aan de bezwaren van de ondernemer in deze procedure. Daarom heeft de ondernemer ook geen belang meer bij een inhoudelijk oordeel van het College over het intrekkingsbesluit.
Proceskosten en griffierecht
7 Doordat de minister met het intrekkingsbesluit volledig is tegemoetgekomen aan het beroep van de ondernemer veroordeelt het College de minister in de door de ondernemer gemaakte proceskosten en het door de ondernemer betaalde griffierecht in beroep. Niet is gebleken van een verzoek op grond van artikel 7:15, tweede en derde lid, van de Awb in verband met de kosten van bezwaar.
8 Het College veroordeelt de minister in de door de ondernemer gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 934,- voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift; waarde per punt € 934,- en wegingsfactor 1)
9 De minister moet ook het door de ondernemer betaalde griffierecht in beroep van € 187,- vergoeden.
Beslissing
Het College:
- veroordeelt de minister in de proceskosten van de ondernemer tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Schoneveld in aanwezigheid van mr. B. van den Bergh, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.
w.g. M. Schoneveld w.g. B. van den Bergh