ECLI:NL:CBB:2026:83

ECLI:NL:CBB:2026:83

Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak 03-03-2026
Datum publicatie 27-02-2026
Zaaknummer 24/641 en 24/642
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Niet-ontvankelijk bezwaar, bezwaar te laat ingediend, tijdige terpostbezorging niet aannemelijk gemaakt, kennelijk niet-ontvankelijk.

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2026 op de hoger beroepen van:

[naam] B.V., te [woonplaats] (vennootschap)

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

uitspraak

zaaknummers: 24/641 en 24/642

(gemachtigde: mr. A.C.M. Brom)

tegen de uitspraken van de rechtbank Overijssel van 12 juni 2024, kenmerken 22/1751 en 22/1837, in de gedingen tussen

de vennootschap

en

(gemachtigde: mr. E.J.H. Jansen)

Procesverloop in hoger beroep

De vennootschap heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank Overijssel van 12 juni 2024 met kenmerken 22/1751 en 22/1837 (aangevallen uitspraken 1 en 2) (niet gepubliceerd).

De minister heeft een reactie op de hogerberoepschriften ingediend.

De zitting was op 16 januari 2026. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.

Grondslag van het geschil

Met de brief van 16 december 2021 heeft de minister de vennootschap onder verscherpt administratief toezicht gesteld.

Met het besluit van 19 mei 2022 (boetebesluit 1) heeft de minister aan de vennootschap een boete van € 100,- opgelegd voor een overtreding begaan in februari 2022. Het betreft het eenmalig niet binnen tien werkdagen na bemonstering voor analyse sturen van een mestmonster naar een erkend laboratorium (feitcode M513). Met een ander besluit van 19 mei 2022 (boetebesluit 2) heeft de minister de vennootschap een boete van € 200,- opgelegd voor een overtreding begaan in februari 2022. Het betreft het eenmalig niet naar waarheid melden van het vervoer van dierlijke mest (feitcode M486).

De vennootschap heeft tegen de boetebesluiten 1 en 2 bezwaarschriften ingediend. Deze bezwaarschriften vermelden beide als datum 29 juni 2022. Het bezwaarschrift tegen boetebesluit 1 is bij de minister binnengekomen op 6 juli 2022. Het bezwaarschrift tegen boetebesluit 2 is bij de minister binnengekomen op 5 juli 2022. Op de beide enveloppen waarin de bezwaarschriften zijn bezorgd, staan poststempels van PostNL met de datum 3 juli 2022.

Met de beslissingen op bezwaar van 1 september 2022 en 31 augustus 2022 heeft de minister de bezwaren tegen de boetebesluiten 1 en 2 niet-ontvankelijk verklaard omdat de bezwaarschriften te laat zijn ingediend. De bezwaarschriften hadden uiterlijk op 30 juni 2022 ingediend moeten zijn. Op de enveloppen met de bezwaarschriften staat een poststempel van PostNL met de datum 3 juli 2022. Dat betekent dat de bezwaarschriften niet tijdig zijn ingediend.

Uitspraak van de rechtbank

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraken 1 en 2 de beroepen van de vennootschap tegen de beslissingen op bezwaar van 1 september 2022 en 31 augustus 2022 (bestreden besluiten 1 en 2) ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft daarbij eerst de relevante wettelijke bepalingen en vaste rechtspraak aangehaald:

“3. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Artikel 6:8, eerste lid, van de Awb bepaalt dat de termijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat een bezwaarschrift bij verzending per post tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

De Centrale Raad van Beroep heeft in een uitspraak van 26 april 2022 over artikel 6:9, tweede lid, van de Awb het volgende overwogen:

“Terpostbezorging als bedoeld in artikel 6:9, tweede lid, van de Awb vindt volgens vaste rechtspraak van de Raad (vergelijk de uitspraak van 12 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4263) plaats op het moment waarop een poststuk in een brievenbus wordt gedeponeerd of op het moment waarop het op het postkantoor wordt aangeboden. De omstandigheid dat een poststuk op een bepaalde datum is afgestempeld, sluit niet uit dat het stuk op een eerdere datum ter post is bezorgd. Dat neemt niet weg dat het datumstempel veelal het enige vaststaande gegeven is met betrekking tot het tijdstip van terpostbezorging. In verband daarmee moet in gevallen waarin op de envelop een leesbaar poststempel is geplaatst, als bewijsrechtelijk uitgangspunt worden genomen dat terpostbezorging heeft plaatsgevonden op de dag waarop het desbetreffende poststuk is afgestempeld. Bevat het stuk een poststempel met een datum gelegen na de laatste dag van de termijn, dan is het aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat het stuk op een eerdere datum dan het poststempel aangeeft en wel uiterlijk op de laatste dag van de termijn ter post is bezorgd.”

De rechtbank heeft vervolgens in beide uitspraken geoordeeld dat de vennootschap niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bezwaarschriften – zoals zij stelt – door haar gemachtigde op 30 juni 2022 ter post zijn bezorgd. Een enkele uitdraai van Google Maps Timeline van die dag is onvoldoende om daaraan die conclusie te verbinden. Ditzelfde geldt voor de uitdraai van Google Maps Timeline van 3 juli 2022. Daarmee kan namelijk alleen worden vastgesteld dat een persoon met een elektronisch apparaat een bepaalde route heeft afgelegd. Ook kan een foto van een brievenbus van PostNL, zoals de vennootschap heeft overgelegd, niet tot het oordeel leiden dat de bezwaarschriften tijdig ter post zijn bezorgd. De rechtbank gaat daarom uit van terpostbezorging op de dag van afstempeling van de enveloppen. De rechtbank wijst daarbij nog op rechtsoverweging 4 van de uitspraak van de rechtbank Limburg van 2 oktober 2023 (ECLI:NL:RBLIM:2023:5825), waaruit naar voren komt dat alle poststukken gefrankeerd met een postzegel worden gestempeld en dat het uitgangspunt dat gestempeld wordt op de dag van terpostbezorging nog steeds feitelijk juist is. Dat is in dit geval 3 juli 2022 en deze datum is gelegen na de laatste dag van de bezwaartermijn. De minister heeft daarmee terecht gesteld dat de bezwaarschriften te laat zijn ingediend. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat, nu de minister het bezwaar van de vennootschap terecht kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, hij op grond van artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb van het horen in bezwaar heeft kunnen afzien.

Standpunten van partijen in hoger beroep

De vennootschap handhaaft het standpunt dat de bezwaarschriften op 30 juni 2022 ter post zijn bezorgd. Verder heeft de minister het bezwaar niet kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en heeft hij ten onrechte afgezien van het horen van de vennootschap in bezwaar.

De minister handhaaft het standpunt dat de bezwaarschriften te laat zijn ingediend en dat hij van het horen in bezwaar heeft mogen afzien.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Het College stelt vast dat wat de vennootschap in hoger beroep heeft aangevoerd, in essentie een herhaling is van de gronden die de vennootschap in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op deze beroepsgronden ingegaan. De vennootschap heeft geen redenen aangevoerd waarom deze overwegingen van de rechtbank onjuist of onvolledig zouden zijn. De vennootschap heeft ook geen nieuwe stukken ingebracht waaruit aannemelijk wordt dat de bezwaarschriften wel tijdig ter post zijn bezorgd. Het College kan zich vinden in de overwegingen en het oordeel van de rechtbank, zoals weergegeven onder 2.1 tot en met 2.3, en neemt deze over. Het College is met de rechtbank van oordeel dat de minister de bezwaren terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat de bezwaarschriften te laat zijn ingediend.

Het College volgt niet het standpunt van de vennootschap dat uit de bestreden besluiten niet blijkt dat de minister de bezwaren kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard. In het bestreden besluit 1 heeft de minister geschreven:

“Omdat uw bezwaar niet-ontvankelijk is, bent u niet gehoord (artikel 7:3 Algemene wet bestuursrecht, hierna: Awb)”.

In het bestreden besluit 2 heeft de minister geschreven:

“U bent niet gehoord (artikel 7:3 Algemene wet bestuursrecht, hierna: Awb)”.

Uit de verwijzingen naar artikel 7:3 van de Awb volgt duidelijk dat de minister de bezwaren van de vennootschap kennelijk niet-ontvankelijk heeft geacht. Het College is met de rechtbank van oordeel dat de minister ook terecht heeft geoordeeld dat deniet-ontvankelijkheid van de bezwaren kennelijk was, zodat hij de vennootschap niet hoefde te horen.

Slotsom

De hoger beroepen slagen niet. Het College zal de aangevallen uitspraken bevestigen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek, in aanwezigheid van mr. M.L. Bosman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.

w.g. H.L. van der Beek w.g. M.L. Bosman

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M.L. Bosman

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?