COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2026 in de zaak tussen
[naam] , te [woonplaats] (maatschap)
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
uitspraak
zaaknummer: 24/220
en
(gemachtigden: mr. I.M.H.G. van Lankveld en mr. S.H.B. van der Zalm)
Procesverloop
Met het besluit van 28 september 2023 heeft de minister de basis- en vergroeningsbetaling en de extra betaling jonge landbouwer van de maatschap voor het jaar 2019 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) herberekend, opnieuw vastgesteld en een geldbedrag van de maatschap teruggevorderd.
Met het besluit van 18 januari 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
De maatschap heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 16 december 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen de gemachtigden van de minister.
Overwegingen
Inleiding
De maatschap exploiteert een melkveehouderij. Met de Gecombineerde opgave 2019 van 14 mei 2019 heeft de maatschap gevraagd om uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling en de extra betaling jonge landbouwer voor het jaar 2019. Daarbij heeft zij in totaal een oppervlakte van 10,54 hectare (ha) opgegeven.
Met het besluit van 18 december 2019 heeft de minister de basis- en vergroeningsbetaling en de extra betaling jonge landbouwer van de maatschap voor het jaar 2019 vastgesteld op € 4.271,48. De minister heeft daarbij een oppervlakte van 10,54 ha in aanmerking genomen.
Met het besluit van 28 september 2023 heeft de minister de basis- en vergroeningsbetaling en de extra betaling jonge landbouwer voor het jaar 2019 herberekend en lager vastgesteld op € 4.060,54. Daarbij heeft de minister in totaal een oppervlakte van 10,20 ha in aanmerking genomen. De minister heeft een gedeelte van perceel 6 (0,15 ha van de aangevraagde 0,49 ha) subsidiabel gevonden en de rest afgekeurd. De herberekening leidt ertoe dat de maatschap € 210,94 moet terugbetalen. Dat bedrag bestaat voor € 92,37 uit een extra sanctie. Met het bestreden besluit heeft de minister dit besluit gehandhaafd.
Standpunten van partijen
De maatschap voert aan dat de minister een gedeelte van perceel 6 ten onrechte heeft afgekeurd. Volgens haar is een oppervlakte van in totaal 0,24 ha van perceel 6 aan te merken als subsidiabel landbouwareaal. Op dat gedeelte van perceel 6 heeft de maatschap een beheerovereenkomst in het kader van de ANLb-subsidie afgesloten. Op grond van die overeenkomst was zij verplicht om dat gedeelte in de periode van 15 februari 2019 tot en met 15 juni 2019 onder water te laten staan. Op de luchtfoto van 19 juni 2019 is te zien dat het perceel al gedeeltelijk weer is opgedroogd. Verder is op de foto van 25 augustus 2019 te zien dat er is gemaaid. Ook in oktober 2019 heeft er water op het perceel gestaan, op 2 oktober een beetje en op 27 oktober was het weer aan het opdrogen. De maatschap heeft nog erop gewezen dat het gedeelte in andere jaren wel is goedgekeurd.
De minister heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
Beoordeling van het beroep
Voor de vaststelling van het bedrag aan basis- en vergroeningsbetaling is van belang dat het – kort gezegd – moet gaan om subsidiabele hectares. Onder 'subsidiabele hectare' wordt verstaan ieder landbouwareaal van het bedrijf dat wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit of dat, indien het areaal ook voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, overwegend voor landbouwactiviteiten wordt gebruikt (artikel 32, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van Verordening (EU) nr. 1307/2013). Daarbij geldt dat een landbouwareaal van een bedrijf dat ook voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, wordt aangemerkt als een overwegend voor landbouwactiviteiten gebruikt areaal, mits de uitoefening van de landbouwactiviteiten geen noemenswaardige hinder ondervindt van de intensiteit, de aard, de duur en de planning van de niet-landbouwactiviteiten (artikel 32, derde lid, aanhef en onderdeel a, van Verordening (EU) nr. 1307/2013). Onder 'landbouwareaal' wordt verstaan om het even welke grond die wordt gebruikt als bouwland, blijvend grasland en blijvend weiland, of voor blijvende teelten (artikel 4, eerste lid, onderdeel e, van Verordening (EU) nr. 1307/2013). Onder ‘landbouwactiviteit’ wordt verstaan een landbouwareaal in een staat houden die begrazing of teelt mogelijk maakt, zonder dat daarvoor voorbereidende activiteiten nodig zijn die verder gaan dan activiteiten op basis van de gebruikelijke landbouwmethoden en -machines, op basis van criteria die de lidstaten bepalen aan de hand van een door de Commissie vastgesteld kader (artikel 4, eerste lid, onderdeel c, onder ii, van Verordening (EU) 1307/2013).
Artikel 2.10, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling, zoals deze bepaling gold ten tijde van belang (2019), bepaalt dat voor de toepassing van artikel 32, derde lid, aanhef en onderdeel a, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 geen sprake is van noemenswaardige hinder voor de uitoefening van landbouwactiviteiten, indien de duur van de niet-landbouwactiviteiten op een landbouwareaal 90 dagen in het jaar van aanvraag niet overschrijdt; ook is er geen sprake van noemenswaardige hinder als op een landbouwareaal voor meer dan 90 dagen niet-landbouwactiviteiten plaatsvinden in het kader van contracten op basis van subsidieregelingen ANLb, SNL of de Catalogus Groenblauwe diensten, mits de landbouwgrond na afloop van deze activiteiten weer in een staat verkeert waarin begrazing of teelt mogelijk is als bedoeld in artikel 4 eerste lid, onderdeel c, onder ii, van Verordening (EU) nr. 1307/2013.
Partijen verschillen van standpunt of de gehele 0,24 ha, waarvoor de maatschap een beheerovereenkomst op basis van de subsidieregeling ANLb heeft afgesloten, subsidiabel is. Volgens die overeenkomst was de maatschap verplicht om dit gedeelte (BE nr. 725495) in de periode van 15 februari 2019 tot en met 15 juni 2019 onder water te laten staan. Uit het beeldmateriaal dat de minister heeft overgelegd blijkt echter dat dit gedeelte ook na afloop van die periode, in ieder geval van 2 oktober 2019 tot en met 27 oktober 2019, onder water heeft gestaan. Dat betekent dat deze niet-landbouwactiviteiten plaatsvinden buiten het kader van de beheerovereenkomst.
Het College is van oordeel dat de minister met het overgelegde beeldmateriaal aannemelijk heeft gemaakt dat het onder water staan van het in geschil zijnde gedeelte van perceel 6 – van in ieder geval 15 februari 2019 tot en met 15 juni 2019 en van 2 oktober 2019 tot en met 27 oktober 2019 – werkelijke en niet onbelangrijke moeilijkheden of obstakels heeft veroorzaakt voor de uitoefening door de maatschap van haar landbouwactiviteiten. Daarmee was dan ook sprake van noemenswaardige hinder voor de uitoefening van die landbouwactiviteiten (zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 2 juli 2015, Demmer, C-684/13, ECLI:EU:C:2015:439, punt 70). Dat, zoals de maatschap aanvoert, het gedeelte in andere jaren wel is goedgekeurd, leidt niet tot een ander oordeel. De aanvraag om uitbetaling van betalingsrechten wordt per jaar beoordeeld en de situatie ter plaatse kan ieder jaar verschillen.
De conclusie is dat de minister het gedeelte van perceel 6 dat in geschil is terecht als niet-subsidiabel heeft aangemerkt. Het beroep slaagt niet.
Slotsom
4 Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Glerum, in aanwezigheid van mr. R.H. Verheijen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.
w.g. M.P. Glerum w.g. R.H. Verheijen