COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2026 in de zaak tussen
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
uitspraak
zaaknummer: 23/1908
[naam 1] en [naam 2] (voormalig vennoten), voorheen handelend onder de naam V.O.F. [naam 1] . en [naam 2] , te [woonplaats] (vennootschap)
en
(gemachtigden: mr. I.M.H.G. van Lankveld en mr. S.H.B. van der Zalm)
Procesverloop
Met het besluit van 26 augustus 2022 heeft de minister de basis- en vergroeningsbetaling en de extra betaling jonge landbouwer van de vennootschap voor het jaar 2018 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) herberekend, opnieuw vastgesteld en een geldbedrag van de vennootschap teruggevorderd.
Met het besluit van 26 september 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
De voormalig vennoten hebben gezamenlijk beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 16 december 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen namens de voormalig vennoten [naam 2] , en de gemachtigden van de minister.
Overwegingen
Inleiding
Met de Gecombineerde opgave 2018 van 11 mei 2018 heeft de vennootschap gevraagd om uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling en extra betaling jonge landbouwer voor het jaar 2018.
Deze betalingen heeft de minister met het besluit van 14 december 2018 vastgesteld op € 23.516,10.
De vennootschap is op 1 juni 2022 ontbonden.
Met het besluit van 12 juli 2022 heeft de minister de vennootschap een randvoorwaardenkorting van 3% opgelegd over het jaar 2018 wegens niet-naleving van een tweetal randvoorwaarden. Het ging om de randvoorwaarde identificatiemiddelen runderen en de randvoorwaarde mutaties I&R-systeem en bedrijfsregister runderen.
Met het besluit van 26 augustus 2022 heeft de minister de basis- en vergroeningsbetaling en extra betaling jonge landbouwer voor 2018 herberekend en lager vastgesteld op een bedrag van € 22.701,89. Dit vanwege de opgelegde randvoorwaardenkorting en omdat 0,18 hectare (ha) van de bij het besluit van 14 december 2018 in aanmerking genomen oppervlakte niet voldoet aan de voorwaarden van subsidiabele landbouwgrond. Dat leidt ertoe dat de vennootschap in totaal € 814,21 moet terugbetalen. De minister heeft het daartegen gemaakte bezwaar met het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Standpunten van partijen
De voormalig vennoten zijn het niet eens met de herberekening. Zij betogen dat de vennootschap in 2018 alle randvoorwaarden heeft nageleefd. Ook voeren zij aan dat de minister niet na vier jaar nog een randvoorwaardenkorting over 2018 mocht opleggen. Verder stellen de voormalig vennoten dat zij het besluit waarmee de randvoorwaardenkorting is opgelegd, niet hebben ontvangen. Ook wijzen de voormalig vennoten erop dat het bedrag niet meer kan worden teruggevorderd, omdat de vennootschap is ontbonden, alle belasting is betaald en alle winsten en verliezen zijn verrekend.
De minister heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
Beoordeling door het College
Het besluit van 12 juli 2022 over de randvoorwaardenkorting
Het College stelt vast dat de beroepsgronden grotendeels gaan over de randvoorwaardenkorting en zich dus richten tegen het hiervoor onder 1.4 vermelde besluit van 12 juli 2022. Vast staat dat de vennootschap ten tijde van het nemen van dat besluit was ontbonden. Het besluit had daarom niet tot de vennootschap, maar tot de voormalig vennoten gericht moeten worden. Zij zijn echter hierdoor niet in hun belangen geschaad, omdat aannemelijk is geworden dat de voormalig vennoten dat besluit wel hebben ontvangen. Het College stelt vast dat de minister het besluit heeft verstuurd naar het toenmalige adres van één van de vennoten ( [naam 1] ). Daarnaast heeft de minister erop gewezen dat hij het besluit ook via de digitale berichtenbox van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland heeft verstuurd, en dat de voormalig vennoten de brief met het voornemen om het besluit van 12 juli 2022 te nemen – dat naar hetzelfde adres is gestuurd – wel hebben ontvangen.
Het besluit van 12 juli 2022 staat in rechte vast, omdat de voormalig vennoten daartegen geen rechtsmiddelen hebben aangewend. Het in rechte vaststaan van dat besluit betekent dat bij de beoordeling van het nu voorliggende besluit over de herberekening, vaststelling en terugvordering in beginsel ervan moet worden uitgegaan dat de vennootschap de genoemde randvoorwaarden niet heeft nageleefd. Maar omdat hier sprake is van ketenbesluitvorming (zie conclusie van AG de Bock van 23 januari 2025, (ECLI:NL:CRVB:2025:1) (onder 10.15-10.16) en onder andere de uitspraak van het College van 5 augustus 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:403)) kan niet in alle gevallen worden uitgegaan van de juistheid van eerdere besluiten. Daarbij is het aan het bestuursorgaan om te na te gaan of het in rechte vaststaande besluit evident onjuist is en dus of sprake is van een uitzonderlijk geval. In dit geval is daarvan geen sprake. Hierna legt het College uit waarom.
De minister heeft het besluit van 12 juli 2022 overgelegd en dat besluit in zijn verweerschrift toegelicht. Ook heeft de minister het NVWA-rapport van 22 januari 2018 dat ten grondslag lag aan dat besluit, overgelegd. Het besluit en het rapport vermelden dat de vennootschap in 2018 de randvoorwaarde identificatiemiddelen runderen en de randvoorwaarde mutaties I&R-systeem en bedrijfsregister runderen niet heeft nageleefd. De voormalig vennoten hebben niets aangevoerd waaruit blijkt dat de conclusie dat de vennootschap deze randvoorwaarden niet heeft nageleefd, onjuist is. De minister heeft daarvoor een randvoorwaardenkorting van 3% opgelegd aan de vennootschap. Dit komt overeen met de in het besluit van 26 augustus 2022 – de herberekening basisbetaling 2018 – toegepaste randvoorwaardenkorting.
Voor zover de voormalig vennoten bedoelen te betogen dat het besluit van 12 juli 2022 evident onrechtmatig is, omdat de mogelijkheid om een randvoorwaardenkorting voor het jaar 2018 op te leggen op dat moment al verjaard was, geldt het volgende. Op grond van artikel 3, eerste lid, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 bedraagt de verjaringstermijn vier jaar vanaf de dag waarop de onregelmatigheid is ontstaan. In dit geval is de onregelmatigheid ontstaan op 14 december 2018, de datum waarop de minister het besluit tot vaststelling van de basis- en vergroeningsbetaling en extra betaling jonge landbouwer van de vennootschap heeft vastgesteld. Het besluit van 12 juli 2022 is evident binnen vier jaar genomen. Van verjaring is geen sprake.
Het College ziet gelet op het voorgaande geen grond voor het oordeel dat het besluit van 12 juli 2022 evident onjuist is.
Het besluit van 26 augustus 2022 over de herberekening, vaststelling en terugvordering
4 Het betoog van de voormalig vennoten dat de minister met het besluit van 26 augustus 2022 het bedrag van € 814,21 niet mocht terugvorderen omdat de vennootschap toen al ontbonden was, slaagt niet. De vennootschap, waarin de voormalig vennoten op dat moment vennoot waren, heeft in 2018 gevraagd om uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling en de extra betaling jonge landbouwer. De volledige betaling van die landbouwsteun is op grond van de artikelen 91, 92 en 93 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 afhankelijk gesteld van de naleving van de randvoorwaarden. Bij niet-naleving van deze randvoorwaarden wordt het steunbedrag gekort of ingetrokken. Verder volgt uit de artikelen 54 en 63 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 dat ook wanneer een begunstigde niet blijkt te voldoen aan de subsidiabiliteitscriteria de steun wordt ingetrokken en dat onverschuldigde betalingen worden teruggevorderd. In dit geval heeft de minister geconstateerd dat de vennootschap in 2018 een tweetal randvoorwaarden niet heeft nageleefd, en dat 0,18 ha van het in aanmerking genomen oppervlakte niet voldoet aan de subsidiabiliteitscriteria. De minister was daarom gehouden de basis- en vergroeningsbetaling en extra betaling jonge landbouwer voor 2018 opnieuw te berekenen en het teveel uitbetaalde bedrag terug te vorderen. Ten tijde van het nemen van het besluit van 22 augustus 2022 was de vennootschap ontbonden, waardoor de minister het bedrag alleen nog kon terugvorderen van de voormalig vennoten. Hij had het besluit van 26 augustus 2022 daarom moeten richten aan de voormalig vennoten. Omdat zij gezamenlijk bezwaar hebben gemaakt en beroep hebben ingesteld tegen het besluit, zijn zij niet in hun belangen geschaad doordat het besluit aan de vennootschap was gericht.
5 De conclusie is dat de minister terecht de basis- en vergroeningsbetaling van de vennootschap voor het jaar 2018 heeft herberekend en een geldbedrag van € 814,21 heeft teruggevorderd.
Slotsom
6 Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Glerum, in aanwezigheid van mr. R.H. Verheijen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.
w.g. M.P. Glerum w.g. R.H. Verheijen