ECLI:NL:CBB:2026:99

ECLI:NL:CBB:2026:99

Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak 10-03-2026
Datum publicatie 09-03-2026
Zaaknummer 24/586
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Lbv-plus. De uitloopruimtes van de stallen zijn terecht aangemerkt als uitlopen, als bedoeld in artikel 1 van de Lbv-plus. Dat het volgens de maatschap gaat om een buitendeel van de stal dat nodig is om biologische varkens te houden, maakt niet dat deze ruimtes als dierenverblijf moeten worden aangemerkt. Uit de definitie en de toelichting daarop is de, al dan niet overdekte, uitloop daarvan uitdrukkelijk uitgezonderd. De oppervlaktes van de uitloopruimtes zijn terecht niet meegenomen in de berekening van de subsidie. Dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel vanwege de nadelige (financiële) gevolgen, is onvoldoende onderbouwd.

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 maart 2026 in de zaak tussen

[naam 1] , te [woonplaats]

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

uitspraak

zaaknummer: 24/586

(gemachtigde: J. Bouwman)

en

(gemachtigde: mr. C.J.M. Daniels)

Procesverloop

Met het besluit van 24 januari 2024 heeft de minister de aanvraag van de maatschap om subsidie uit de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting (Lbv-plus) gedeeltelijk toegewezen en aan de maatschap een subsidie toegekend van maximaal € 438.010,57.

Met het besluit van 6 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de maatschap daartegen ongegrond verklaard.

De maatschap heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De maatschap heeft een nader stuk ingediend.

De zitting was op 13 januari 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen de gemachtigden van partijen en [naam 2] en [naam 3] namens de maatschap.

Overwegingen

Inleiding

De maatschap exploiteerde een biologische varkenshouderij. Op 5 juli 2023 heeft de maatschap subsidie op grond van de Lbv-plus aangevraagd voor de onomkeerbare sluiting van haar veehouderijlocatie. De minister heeft deze subsidieaanvraag gedeeltelijk goedgekeurd. Het maximale subsidiebedrag dat de minister heeft berekend, is lager dan het door de maatschap aangevraagde subsidiebedrag, omdat volgens de minister voor de (overdekte) uitloopruimtes van de stallen D1, D2, I en F geen vergoeding kan worden verstrekt.

In deze procedure gaat het om de vraag of de (overdekte) uitloopruimtes van de stallen als dierenverblijf of uitlopen moeten worden aangemerkt.

Standpunt van de maatschap

2 De maatschap voert aan dat de afgekeurde oppervlakte van de stallen ten onrechte niet is meegenomen bij de subsidieberekening. Het gaat hier niet om een (overdekte) uitloop als bedoeld in artikel 1 van de Lbv-plus, maar om een buitendeel van de stal dat als dierenverblijf moet worden meegerekend. De wetgeving stelt als eis dat biologische varkens (dag en nacht) over 1,2 m2 per dier aan buitenruimte moeten beschikken. Het buitendeel van de stal moet dan ook worden gezien als (onderdeel van een) dierenverblijf, omdat zonder die ruimte geen biologische varkens mogen worden gehouden en geen Skal-certificaat wordt afgegeven. Daarnaast zijn alle voorzieningen, zoals een watervoorziening, mestroosters en mestopslag (kelder) in en onder het buitendeel van de stal aanwezig. Ook hieruit volgt dat het buitendeel van de stal moet worden meegerekend als dierenverblijf. De minister gaat bij zijn berekening uit van een standaardstal, maar een biologische varkensstal is volgens de maatschap – mede vanwege de andere wijze van mestopslag en de langere duur daarvan – niet vergelijkbaar met een standaardstal. Bovendien zijn de investeringen voor een biologische stal twee maal zo hoog als voor een reguliere stal. De maatschap wordt als biologische varkenshouder op deze manier minder gecompenseerd voor de investeringen die zij heeft gedaan. Tot slot wijst de maatschap erop dat de oppervlakte van een overdekte uitloop bij pluimvee (de zogenoemde wintergarten) wel wordt meegenomen in de berekening van het waardeverlies van de stallen.

Standpunt van de minister

3 De minister handhaaft zijn standpunt dat hij de uitloopruimtes terecht niet heeft meegenomen bij de subsidieberekening, omdat de uitloopruimtes in dit geval niet behoren tot het dierenverblijf. In de definitiebepaling van artikel 1 van de Lbv-plus worden uitlopen die onderdeel uitmaken van het gebouw waar dieren worden gehouden, zoals hier aan de orde, uitgesloten. Volgens de minister is het inderdaad zo dat een Skal-certificering voor biologische varkenshouderijen een uitloopruimte vereist. Dit betekent evenwel niet dat deze uitloopruimtes alsnog als dierenverblijf moeten worden beschouwd, gelet op de tekst van de regeling. De Lbv-plus is een generieke regeling. Dit betekent dat geen individueel maatwerk wordt geleverd, en dat de regeling dus niet door alle veehouderijen als gunstig wordt ervaren. Deelname aan de regeling is evenwel op vrijwillige basis. Tot slot heeft de minister uiteengezet waarom er een verschil is met de zogenoemde wintergartens voor pluimvee.

Beoordeling

De minister kan een veehouder op aanvraag subsidie verstrekken voor de onomkeerbare sluiting van een veehouderijlocatie (artikel 4, eerste lid, van de Lbv-plus). De hoogte van de subsidie op grond van de Lbv-plus omvat een bijdrage in verband met het geheel of gedeeltelijk vervallen van het productierecht, een bijdrage in verband met het verlies van de waarde van de op de veehouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit en een bijdrage in verband met de sloopkosten (artikel 7 van de Lbv-plus). De waarde van de productiecapaciteit bedraagt 120% van de gecorrigeerde vervangingswaarde, die wordt bepaald door het aantal vierkante meters van het dierenverblijf te vermenigvuldigen met een bepaald bedrag (artikel 9 van de Lbv-plus). Het begrip dierenverblijf is in artikel 1 van de Lbv-plus gedefinieerd als ‘gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren, met uitzondering van ruimte voor uitloop’. In de toelichting bij dit artikel van de Lbv-plus staat dat bij de bepaling van de gecorrigeerde vervangingswaarde van stallen is uitgegaan van een standaardstal en de daarvoor benodigde voorzieningen, zoals gedefinieerd in de Kwantitatieve Informatie Veehouderij (KWIN) 2020-2021. Het betreft alleen het gebouw en een, al dan niet overdekte, uitloop is daarom uitgezonderd (Stcrt. 2023, 15029).

Naar het oordeel van het College heeft de minister de (overdekte) uitloopruimtes terecht aangemerkt als uitlopen, als bedoeld in artikel 1 van de Lbv-plus. De maatschap heeft deze buitenruimtes (aan)gebouwd om te voldoen aan de Skal-certificeringseisen. Niet in geschil is dat in de biologische veehouderij geldt dat een Skal-certificering vereist dat er een uitloopruimte is. Dat het volgens de maatschap gaat om een buitendeel van de stal dat nodig is om biologische varkens te houden, maakt niet dat deze ruimtes als dierenverblijf moeten worden aangemerkt. Uit de definitie van het begrip dierenverblijf in artikel 1 van de Lbv-plus en de toelichting daarop, volgt dat de, al dan niet overdekte, uitloop daarvan uitdrukkelijk is uitgezonderd (zie ook de uitspraak van het College van 29 juli 2025, ECLI:NL:CBB:2025:398).

Dat de oppervlakte van een wintergarten voor pluimvee wel kan worden meegenomen in de berekening van het waardeverlies van een dierenverblijf, betekent niet dat de keuze van de regelgever om de oppervlakte van uitlopen niet mee te nemen, willekeurig is. Onder verwijzing naar ter zake geldende regelgeving heeft de minister toegelicht dat openluchtruimten (ook wel uitlopen) moeten worden onderscheiden van binnenruimten en dat wintergartens voor pluimvee worden aangemerkt als veranda’s, die niet als openluchtruimten mogen worden beschouwd. Dit verschil verklaart waarom een wintergarten voor pluimvee wel en een uitloop (voor biologische varkens) niet wordt meegenomen in de berekening van het waardeverlies van een dierenverblijf.

Voor zover de maatschap met wat zij stelt over haar investeringskosten bedoelt te betogen dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel vanwege de nadelige (financiële) gevolgen daarvan voor de maatschap, gaat het College daaraan voorbij, al omdat dat betoog onvoldoende is onderbouwd.

Slotsom

5 Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, mr. C.T. Aalbers en mr M.L. Noort, in aanwezigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.

w.g. B. Bastein w.g. C.E.C.M. van Roosmalen

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. C.E.C.M. van Roosmalen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?