CENTRALE GRONDKAMER
Datum: 10 september 2026
Dossiernummer: GP 11.895
Beschikking
in de zaak van:
1. [verpachter sub 1],
2. [verpachtster sub 2],
die wonen in [woonplaats 1], gemeente [gemeente 1],
3. [verpachtster sub 3] B.V.,
die is gevestigd in [vestigingsplaats 1], gemeente [gemeente 1],
4. [verpachtster sub 4] B.V.,
die is gevestigd in [vestigingsplaats 2],
hierna te noemen: verpachters,
gemachtigde: mr. B. Nijman,
-tegen-
[pachter],
die woont in [woonplaats 1], gemeente [gemeente 1],
hierna te noemen: pachter,
gemachtigde: mr. E.H.M. Harbers.
De beslissing van de Centrale Grondkamer in het kort
Verpachters komen in beroep van een ongewijzigd goedgekeurde pachtovereenkomst. De Centrale Grondkamer beslist dat het in dat geval niet mogelijk is om beroep in te stellen. Verpachters worden niet-ontvankelijk verklaard in hun beroep.
Hierna legt de Centrale Grondkamer de beslissing uit. Eerst beschrijft de Centrale Grondkamer onder 1. en 2. wat er in de procedure bij de grondkamer en in de procedure bij de Centrale Grondkamer is gebeurd. Onder 3. staan de redenen voor de beslissing. Onder 4. staat de beslissing in juridische woorden.
1. De procedure bij de grondkamer
De pachtkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft, op de voet van artikel 7:317 BW, in het arrest van 9 december 2025 een reguliere pachtovereenkomst tussen pachter en de verpachters vastgesteld met betrekking tot verschillende percelen land met als ingangsdatum 1 januari 2010 voor de wettelijke duur van zes jaren tegen een jaarlijkse pachtprijs van € 431 per hectare.
Een afschrift van dit arrest is door de griffier van de pachtkamer van het gerechtshof ter goedkeuring naar de grondkamer Zuid (hierna: de grondkamer) gezonden. Dit verzoek is op 9 december 2025 door de grondkamer geregistreerd. Op 23 januari 2026 heeft de grondkamer dit verzoek ongewijzigd goedgekeurd. Partijen zijn bij brief van 27 januari 2026 hiervan op de hoogte gesteld.
Tegen het arrest van het gerechtshof van 9 december 2025 is cassatie ingesteld. Het oproepingsbericht voor een rechtszaak bij de Hoge Raad is gedateerd 5 februari 2026.
2. De procedure bij de Centrale Grondkamer
Verpachters zijn met een beroepschrift dat de Centrale Grondkamer op 24 februari 2026 heeft ontvangen in beroep gegaan tegen de beschikking van de grondkamer. Verpachters hebben de Centrale Grondkamer verzocht de beschikking van de grondkamer te vernietigen en de zaak terug te wijzen naar de grondkamer zodat alsnog de door de wet (artikel 1019t lid 6 Rv) aangewezen weg kan worden gevolgd, inhoudende dat de beslissing over de goedkeuring wordt aangehouden tot de Hoge Raad definitief heeft beslist.
Pachter heeft hiertegen verweer gevoerd met een verweerschrift dat de Centrale Grondkamer op 11 mei 2026 heeft ontvangen. Pachter heeft de Centrale Grondkamer verzocht verpachters niet-ontvankelijk te verklaren in hun beroep dan wel de behandeling van het beroepschrift aan te houden totdat de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan in het door verpachters ingestelde cassatieberoep.
3. De redenen voor de beslissing
Van het arrest van de pachtkamer van het gerechtshof van 9 december 2025 is overeenkomstig artikel 1019t Rv een afschrift aan de grondkamer verstuurd. De grondkamer heeft de vastgelegde pachtovereenkomst op 23 januari 2026 ongewijzigd goedgekeurd.
Voorop staat dat tegen een ongewijzigde goedkeuring geen hoger beroep mogelijk is. In artikel 36 lid 1 van de Uitvoeringswet grondkamers staat dat partijen de mogelijkheid hebben om binnen een maand nadat de beschikking aan hen is verzonden beroep in te stellen bij de Centrale Grondkamer. Lid 3 van dit artikel geeft hierop een uitzondering. Daarin staat onder andere dat geen beroep door pachter of verpachter kan worden ingesteld indien de pachtovereenkomst ongewijzigd is goedgekeurd. Verpachters kunnen tóch beroep instellen bij de Centrale Grondkamer (in juridische woorden heet dat: het appelverbod doorbreken) onder meer als de grondkamer wettelijke regels ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten of ten onrechte heeft toegepast dan wel fundamentele rechtsbeginselen heeft geschonden waardoor niet gesproken kan worden van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak. Door verpachters is niet gesteld en ook is niet gebleken dat sprake is van een doorbrekingsgrond, zodat de Centrale Grondkamer verpachters niet-ontvankelijk zal verklaren in hun beroep.
Daarbij merkt de Centrale Grondkamer nog op dat pas na de uitspraak van de grondkamer cassatie is ingesteld, zodat in zoverre lid 6 van artikel 1019t Rv toepassing mist. Mocht blijken dat de Hoge Raad tot een andere beslissing komt dan de pachtkamer van het gerechtshof, dan geldt dat de beslissing van de grondkamer geen rechtskracht heeft en partijen niet bindt. Immers in het geval dat het arrest van de pachtkamer van het gerechtshof wordt vernietigd, heeft dit tot gevolg dat de vastgelegde pachtovereenkomst niet bestaat en ook nooit heeft bestaan. Indien daarna een pachtovereenkomst met andere inhoud wordt vastgelegd, zal opnieuw toepassing moeten worden gegeven aan lid 5 van artikel 1019t Rv en de alsdan vastgelegde pachtovereenkomst voor goedkeuring aan de grondkamer moeten worden voorgelegd.
4. De beslissing
De Centrale Grondkamer, beschikkende in hoger beroep:
verklaart verpachters niet-ontvankelijk in hun beroep.
Deze beschikking is gegeven op 10 september 2026 door mrs. M.S.A. van Dam, J.H. Kuiper en W.F. Boele en de deskundige leden mr. ing. E. Oostra en ir. J.H. Jurrius, in tegenwoordigheid van mr. M. Knipping-Verbeek als griffier.