ECLI:NL:CRVB:1992:ZB5715

ECLI:NL:CRVB:1992:ZB5715, Centrale Raad van Beroep, 03-06-1992, AAW/WAO 90/646

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 03-06-1992
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer AAW/WAO 90/646
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002524

Samenvatting

Gevolgen vernietiging terugvorderingsbeslissing voor verjaring.

Uitspraak

AAW/WAO 1990/646

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij brief van 9 december 1983 is door gedaagde aan eiser kennis gegeven van

de beslissing de hem eerder toegekende uitkeringen krachtens de Algemene

Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de

arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke uitkeringen met ingang van 1

oktober 1979 werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

45-55% en met ingang van 5 mei 1980 naar 25-35% arbeidsongeschiktheid,

ingaande 1 oktober 1979 te herzien en nader vast te stellen naar een mate

van arbeidsongeschiktheid van 25-35% en ingaande 5 mei 1980 in te

trekken, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van

laatstgenoemde datum dient te worden gesteld op minder dan 15%.

Bij brief van 23 januari 1984 is door gedaagde aan eiser vervolgens

mededeling gedaan van de beslissing, waarbij van eiser een bedrag groot f

23.711,71 wordt teruggevorderd wegens over de periode van 1 oktober 1979

tot en met

30 mei 1983 ten onrechte uitbetaalde uitkeringen krachtens de AAW en de

WAO.

De Raad van Beroep te 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 25 oktober

1984 de tegen die beslissingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 februari 1989 heeft deze Raad de hierboven genoemde

uitspraak d.d. 25 oktober 1984 van de Raad van Beroep te 's-Hertogenbosch

en eisers beslissingen van 9 december 1983 en 23 januari 1984 vernietigd.

Vervolgens heeft gedaagde de thans bestreden beslissing d.d. 31 augustus

1989 genomen, die onder meer luidt als volgt: "Voornoemde twee beslissingen

werden vernietigd bij uitspraak d.d. 24 februari 1989 van de Centrale Raad

van Beroep.

Met inachtneming van het gestelde in die uitspraak is alsnog besloten uw

uitkeringen krachtens de AAW en de WAO met ingang van 1 januari 1980 te

herzien en nader vast te stellen naar een arbeidsongeschiktheid van 25

tot 35%.

De uitkering krachtens de AAW bedraagt 20% van de voor u geldende grondslag

ad f 95,65 is f 19,13 bruto per uitkeringsdag.

Deze uitkering wordt echter niet uitbetaald, omdat u tevens recht hebt op

uitkering krachtens de WAO.

De uitkering krachtens de WAO bedraagt 20% van 100/107,5 van uw dagloon ad

f 142,47 is f 26,51 bruto per uitkeringsdag.

Uw uitkering bedraagt met ingang van 1 januari 1980 derhalve f 26,51 bruto

per uitkeringsdag.

Gelet op voornoemde uitspraak is voorts besloten, onder intrekking van de

beslissing d.d. 12 juni 1989 en de beslissing d.d. 28 juni 1980, uw

uitkeringen krachtens de AAW en de WAO met ingang van 1 augustus 1980 in

te trekken.

Ingevolge het bepaalde in de artikelen 48 van de AAW en 57 van de WAO kan

hetgeen aan arbeidsongeschiktheidsduitkering teveel/ten onrechte is

uitbetaald worden teruggevorderd:

a. indien teveel/ten onrechte is uitbetaald als

gevolg van het niet nakomen van de verplichting

om onverwijld eigener beweging aan de bedrijfsvereniging

mededeling te doen van alle feiten of

omstandigheden, waarvan het redelijkerwijs

duidelijk is, dat zij van invloed kunnen zijn op

het recht op of de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering,

gedurende vijf jaar na de betaalbaarstelling;

b. indien redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest,

dat de uitbetaling tot een te hoog bedrag/ten

onrechte heeft plaatsgevonden, gedurende twee

jaar na de betaalbaarstelling.

U hebt ons niet medegedeeld, dat u vanaf 1 januari 1980 naast uw normale

loon een andere betaling kreeg, die ook als loon moet worden aangemerkt.

Subsidiair dient gesteld te worden dat u redelijkerwijs kon weten, dat de

arbeidsongeschiktheidsuitkering na 1 januari 1980 respectievelijk 1

augustus 1980 tot een te hoog bedrag/ten onrechte werd uitbetaald.

U hebt over de periode van 1 januari 1980 tot en met 30 mei 1983 een bedrag

van f 20.621,06 (inclusief vakantiegeld) ten onrechte ontvangen.

Besloten is voornoemd bedrag van u terug te vorderen en zo nodig te

verrekenen met later uit te betalen uitkeringen krachtens de WAO, de AAW,

de Ziektewet of de Werkloosheidswet.".

De Raad van Beroep te 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 22 mei 1990

het namens eiser tegen die beslissing ingestelde beroep ongegrond

verklaard.

Op de in een aanvullend beroepschrift vermelde gronden heeft eiser bij

gemachtigde Mr. E. Lietaert Peerbolte, belastingadviseur te

's-Hertogenbosch, tegen bovengenoemde uitspraak hoger beroep ingesteld.

Daarbij is verzocht de aangevallen uitspraak te vernietigen en opnieuw

recht doende de bestreden beslissing te vernietigen.

Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad, gehouden op 6 mei

1992, waar eiser en gedaagde niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

In de aangevallen uitspraak heeft de Raad van Beroep te

's-Hertogenbosch vastgesteld dat gedaagde met de thans bestreden beslissing

is gebleven binnen de door de Centrale Raad van Beroep in de uitspraak van

24 februari 1989 aangegeven grenzen. Voorts heeft die Raad eisers grief

verworpen dat het gedaagde in verband met artikel 6 van het Europees

Verdrag voor de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (EVRM) niet

vrij stond om nog een nieuwe terugvorderingsbeslissing te nemen.

In hoger beroep is in de eerste plaats van de zijde van eiser als grief

aangevoerd dat de Raad van Beroep ten onrechte niet is ingegaan op het

verweer dat de rechten van gedaagde zijn verjaard.

Dienaangaand overweegt de Raad het volgende.

Deze grief is in het in eerste aanleg ingediende klaagschrift als volgt

onderbouwd:

"Belanghebbende stelt zich verder op het standpunt, dat de rechten van het

Sociaal Fonds in deze ook zijn verjaard.

Immers, door de vernietiging van de eerder door belanghebbende bestreden

beslissingen is de rechtsgrond aan de terugvorderingsdaden van de

Bedrijfsvereniging (te weten de eerder bestreden beslissingen) komen te

vervallen.

Door de Bedrijfsvereniging in deze verrichte acties (verzonden brieven en

inhoudingen op gedurende de procesperiode verstrekte ziektewetuitkeringen)

dienen, nu zij door de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (vide

productie VII) rechtsgrondslag moesten ontberen en derhalve onrechtmatig

waren, in rechte te worden genegeerd. Het is immers bepaaldelijk niet de

bedoeling van de wetgever geweest dat de Bedrijfsvereniging door

handelingen zonder rechtsgrondslag de in de wet vermelde

verjaringstermijnen voor terugvordering van uitkeringen zou kunnen stuiten.

Stuiting zou alleen kunnen plaatsvinden door rechtmatig handelen van de

Bedrijfsvereniging, waarvan, nu de uitspraak van de Centrale Raad van

Beroep als thans in het geding gebracht als

productie VII, kennelijk geen sprake meer is.".

Met eiser constateert de Raad dat de in dit onderdeel van het klaagschrift

vervatte beroepsgrond geen expliciete bespreking in de aangevallen

uitspraak heeft gevonden. Derhalve zal de Raad alsnog de vraag

beantwoorden of deze grief terecht is aangevoerd.

Naar het oordeel van de Raad moet deze vraag ontkennend worden beantwoord.

Nadat een (binnen de geldende wettelijke termijnen genomen) beslissing tot

terugvordering bij uitspraak d.d. 24 februari 1989 van deze Raad was

vernietigd, heeft gedaagde een (thans in het geding zijnde) nadere

beslissing tot terugvordering genomen.

De omstandigheid dat deze nadere beslissing eerst na de geldende wettelijke

termijnen is genomen, laat onverlet - zoals de Raad reeds eerder heeft

overwogen - dat gedaagde binnen de wettelijke termijn van zijn bevoegdheid

tot terugvordering gebruik heeft gemaakt. Een rechterlijke vernietiging

maakt immers niet volledig ongedaan dat het uitvoeringsorgaan binnen de

wettelijke termijn een beslissing tot terugvordering heeft genomen, maar

strekt er slechts toe een dergelijke beslissing te vernietigen voorzover

deze in strijd met het (geschreven of ongeschreven) recht is. Derhalve moet

deze grief worden verworpen.

Voorts is namens eiser als grief naar voren gebracht dat de Raad van Beroep

ten onrechte het verweer heeft verworpen dat het tijdsverloop tussen het

jaar waarop de beslissing van gedaagde betrekking heeft, en de datum van de

bestreden beslissing in strijd is met het bepaalde in artikel 6 van het

EVRM.

Dienaangaande overweegt de Raad in de lijn van de terzake gevormde

jurisprudentie dat, ook als aangenomen zou moeten worden dat voormeld

artikel 6 van het EVRM op de onderhavige beslissing en/of op de

onderhavige gerechtelijke procedure(s) van toepassing zou zijn, een

overschrijding van een in het algemeen redelijk te achten termijn de

onderlinge verhouding van partijen niet beroert en niet van invloed is op

de vraag hoe hun rechtsstrijd moet worden beslist. Derhalve kan een

uitvoeringsorgaan als gedaagde op deze wijze niet een terugvordering als

hier in geschil te loor zien gaan. Op bovenstaande grond moet ook deze

grief van eiser worden verworpen. De Raad kan en zal daarbij daarlaten wat

er zij van de in de aangevallen uitspraak terzake gebezigde overwegingen.

Nu - zoals de Raad van Beroep met juistheid heeft vastgesteld - gedaagde bij

de thans bestreden beslissing is gebleven binnen de grenzen, die zijn

aangegeven in 's Raads uitspraak van 24 februari 1989 en ook overigens niet

gebleken is dat deze beslissing de rechterlijke toetsing niet kan

doorstaan, komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

Derhalve dient te worden beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door Mr. C.G.L. Plomp als voorzitter en Mr. H. van Leeuwen en

Mr. H.C. Cusell als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als

griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 1992 door voornoemde voorzitter, in

tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

(get.) C.G.L. Plomp.

(get.) E. Heemsbergen.

IS

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?