ECLI:NL:CRVB:1993:2

ECLI:NL:CRVB:1993:2

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 05-08-1993
Datum publicatie 23-03-2026
Zaaknummer AOW 1992-42
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

In dit geding staat centraal eisers opvatting dat het voormalig Nederlands Nieuw-Guinea als één van de overzeese rijksdelen behoorde tot het "Rijk", zodat het werkingsge¬bied van de AOW zich mede heeft uitgestrekt tot dit voormalig onderdeel van het Koninkrijk, hetgeen zijns inziens de conclusie wettigt dat Nederlanders in Nieuw-Guinea evenals in andere overzeese rijksdelen ingevolge de AOW verzekerd waren. Naar het oordeel van de Raad dient derhalve onder de term "Rijk", zoals gebezigd in het destijds geldende artikel 2 van de AOW, alleen Nederland te worden begrepen.

Uitspraak

AOW 1992/42

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.

I. ”ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1992/42

Onder dagtekening 21 augustus 1991 heeft gedaagde eiser in kennis gesteld van zijn beslissing tot toekenning met ingang van 1 augustus van een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (hierna te noemen: AOW), waarbij een korting van 4% op het volledige ouderdomspensioen is toegepast in verband met de periode van 1 januari 1957 tot 9 augustus 1959 gedurende welke eiser werkzaam is geweest in het voormalig Nederlands Nieuw Guinea voor het [onderdeel] aldaar.

De voorzitter van de voormalige Raad van Beroep te Zwolle heeft bij beschikking van 19 februari 1992 eisers beroep tegen evenvermelde beslissing ongegrond verklaard. Na eisers verzet tegen deze beschikking van de voorzitter is bij uitspraak van 18 mei 1992 door de voormalige Raad van Beroep te Zwolle eisers beroep eveneens ongegrond verklaard.

Van de uitspraak van 18 mei 1992 is eiser in hoger beroep gekomen bij beroepschrift van 1 juni 1992.

Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad, gehouden op 15 juli 1993, waar eiser in persoon is verschenen. Gedaagde heeft zich bij die gelegenheid doen vertegenwoordigen door A. van der Weerd, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.

II. MOTIVERING

In dit geding staat centraal eisers opvatting dat het voormalig Nederlands Nieuw-Guinea als één van de overzeese rijksdelen behoorde tot het "Rijk", zodat het werkingsge­bied van de AOW zich mede heeft uitgestrekt tot dit voormalig onderdeel van het Koninkrijk, hetgeen zijns inziens de conclusie wettigt dat Nederlanders in Nieuw-Guinea evenals in andere overzeese rijksdelen ingevolge de AOW verzekerd waren.

De Raad overweegt met betrekking tot dit punt aan de hand van Grondwet, zoals deze luidde in de ten deze van belang zijnde periode het volgende.

Aan eiser kan worden toegegeven dat volgens artikel 1 van de destijds geldende Grondwet het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden mede Nederlands NieuwªGuinea omvat heeft.

Het antwoord op de vraag in hoeverre wetten, als de AOW, ook van toepassing zijn geweest in het voormalig Nederlands Nieuw-Guinea wordt evenwel beheerst door de artikelen 2 en 132 van de hiervorenbedoelde Grondwet, voorzover ten deze relevant, luiddende:

2...

Waar in het volgende artikelen het Rijk wordt genoemd, wordt alleen het Rijk in Europa bedoeld.

...

132

De wetten zijn alleen voor het Rijk verbindende, voor zover daarin niet is uitgedrukt dat zij voor Nederlands Nieuw-Guinea verbindend zijn.

Uit deze artikelen volgt naar het oordeel van de Raad dat onder de term "Rijk" voorzover het de toepassing van wetten betreft, niet vanzelf het voormalig Nederlands Nieuw-Guinea begrepen dient te worden.

Nu zulks niet in de AOW zoals deze destijds luidde tot uitdrukking is gebracht, heeft de Raad niet tot de overtuiging kunnen komen dat deze wet haar werkingssfeer heeft uitgestrekt tot Nederlands Nieuw©Guinea.

De Raad overweegt voorts, dat ingevolge het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden de materie, geregeld in de AOW, niet behoord heeft tot de aangelegenheden van destijds Suriname, de Nederlandse Antillen en Nederland gezamenlijk.

Naar het oordeel van de Raad dient derhalve onder de term "Rijk", zoals gebezigd in het destijds geldende artikel 2 van de AOW, alleen Nederland te worden begrepen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat als volgt moet worden beslist.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. P.J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van B.A. Frijlink als griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 1993 door

voornoemde voorzitter, in tegenwoordigheid van

M. Nieuwenhuis als griffier.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) M. Nieuwenhuis. (get.) B.A. Frijlink.

HD

29.07

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. C.G. Kasdorp als
  • mr. C.G. Kasdorp als voorzitter
  • mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns
  • mr. P.J. Stolk als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?