ECLI:NL:CRVB:1994:ZB4999

ECLI:NL:CRVB:1994:ZB4999, Centrale Raad van Beroep, 17-02-1994, AW 93/164

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 17-02-1994
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer AW 93/164
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0003630 BWBR0005537

Samenvatting

Functievervulling. Bezoldiging.

Uitspraak

AW 1993/164 O

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Staatssecretaris van Financiën, eiser,

en

[gedaagde], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens eiser is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde

gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank

te Groningen op

18 februari 1993 onder nr. AW 209-140-91 gegeven uitspraak, waarnaar

hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is van contra-memorie gediend.

Het geding is behandeld ter terechtzitting van 27 januari 1994, waar eiser

zich heeft doen vertegenwoordigen door L.P. de Jonge, werkzaam bij de

Directie Personeel en Organisatie van de Belastingdienst, en waar voor

gedaagde is opgetreden mr. Chr.J.M. Scheen, werkzaam bij de CFO

(C.N.V.-bond voor Overheid, Zorgsector en Verzelfstandigde

Overheidsinstellingen).

II. MOTIVERING

Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht in werking

getreden en de Ambtenarenwet 1929 - sindsdien geheten Ambtenarenwet -

gewijzigd. De in dit kader gegeven wettelijke regels van overgangsrecht

brengen echter mee dat op het onderhavige hoger beroep moet worden beslist

met toepassing van het procesrecht zoals dat luidde vóór 1 januari 1994,

behoudens wat betreft de mogelijkheid van vergoeding van proceskosten als

geregeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Onder verwijzing overigens naar het in de aangevallen uitspraak gegeven

overzicht van de in dit geding relevante feiten volstaat de Raad met

vermelding van het navolgende:

Gedaagde, die tot dan toe als medewerker in groepsfunctie H van het

Loopbaan- en Bezoldigingsreglement Belastingdienst (LBB) werkzaam was bij

de [afdeling] te [standplaats], is, in het kader van een

grootscheepse herstructurering van de Belastingdienst, per 1 januari 1990

in dezelfde volgens salarisschaal 13 van het Bezoldigingsbesluit

Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (BBRA 1984) bezoldigde functie toebedeeld

aan de Eenheid Ondernemingen te Leeuwarden van de Belastingdienst.

Gedaagde is evenwel vanaf die datum belast geweest met de waarneming van

de functie van [functie] bij die Eenheid, een individuele functie die

gewaardeerd is op hoofd-/niveaugroep Ve, waarbij behoort salarisschaal 14

van bijlage B van het BBRA 1984.

Bij het thans bestreden besluit, dat weliswaar in twee stukken is vervat,

maar gezien datering en nummering als één geheel mag worden beschouwd, en

ook door de eerste rechter als zodanig is opgevat, is gedaagde alsnog met

ingang van 1 januari 1990 aangewezen als [functie] bij de Eenheid

Ondernemingen te Leeuwarden met behoud van zijn bezoldiging in

salarisschaal 13, en is ingaande 1 januari 1991 zijn bezoldiging

vastgesteld in salarischaal 14.

De eerste rechter heeft de in dit geding aan de orde zijnde vraag of eiser

terecht en op goede gronden heeft besloten gedaagde eerst ingaande 1

januari 1991 voor bezoldiging overeenkomstig het niveau van zijn functie

van [functie] in aanmerking te brengen, ontkennend beantwoord.

Het gaat in dit geding om toepassing van artikel 5, tweede lid, van het

BBRA 1984, welke bepaling inhoudt dat de salarisschaal welke voor de

ambtenaar geldt, tenzij zijn wijze van functioneren zich nog daartegen

verzet bepaald wordt met inachtneming van de aard en het niveau van zijn

functie en van bijzondere regelingen als bedoeld in artikel 13 van het

Algemeen Rijksambtenarenreglement of in bepalingen van dezelfde

strekking in een soortgelijke regeling.

Buiten twijfel is dat er met betrekking tot functies als die van gedaagde

geen bijzondere regeling geldt als aan het slot van evenvermeld voorschrift

bedoeld.

Eiser heeft in hoger beroep naar voren doen brengen dat hij in het kader

van artikel 5, tweede lid, van het BBRA 1984 een beleid voert volgens

hetwelk bij benoeming in een functie waaraan een hogere salarisschaal is

verbonden dan die waarnaar de ambtenaar wordt bezoldigd, die hogere

salarisschaal niet met ingang van de datum van benoeming doch eerst na

verloop van één jaar wordt toegekend, waarbij indien het functioneren zulks

toelaat de functionele schaal eerder dan na verloop van één jaar wordt

toegekend.

Dit beleid steunt op de opvatting van eiser dat bij benoeming van een

ambtenaar in een hoger gewaardeerde functie weliswaar de verwachting

bestaat dat hij geschikt is voor de vervulling van die functie, maar niet

de verwachting dat hij die functie van meet af aan bekwaam en volledig zal

kunnen vervullen.

De Raad merkt in de eerste plaats op dat naar zijn oordeel het door eiser

geschetste beleid in wezen neerkomt op een omkering van de hoofdregel die

in artikel 5, tweede lid, van het BBRA 1984 is vervat. De in die bepaling

voorziene mogelijkheid inschaling in de functionele schaal nog achterwege

te laten is uitdrukkelijk geformuleerd als een uitzondering op het

uitgangspunt dat salariëring volgens de aan de hand van functiewaardering

voor de functie vastgestelde schaal verloopt, en is blijkens

de bij die bepaling behorende toelichting ook bedoeld voor toepassing in

bijzondere situaties.

Naar het oordeel van de Raad strookt het niet met dit uitgangspunt van

artikel 5, tweede lid, van het BBRA 1984 om een beleid te hanteren waarin,

behoudens uitzonderingen, een wachttijd van een jaar tot regel wordt

verheven.

Weliswaar is ook in het van de zijde van eiser geschetste beleid rekening

gehouden met de mogelijkheid dat een ambtenaar reeds eerder dan na verloop

van een jaar na plaatsing in een hoger gewaardeerde functie in de

functionele schaal wordt ingedeeld, maar naar het oordeel van de Raad wordt

langs die weg aan beantwoording van de vraag of het functioneren van de

ambtenaar zich (nog) tegen inschaling in de functionele schaal verzet een

duidelijk ander accent gegeven dan met artikel 5, tweede lid, van het BBRA

1984 in overeenstemming is.

De Raad moet vervolgens constateren dat uit het bestreden besluit in het

geheel niet blijkt dat aandacht is besteed aan de vraag of gedaagdes wijze

van functioneren zich ten tijde van zijn aanstelling in de functie van

[functie], hetgeen met terugwerkende kracht tot 1 januari 1990 is

geschied, verzette tegen inschaling in de bij die functie behorende

salarisschaal 14. Ook in de loop van de procedure is geen enkel concreet

gegeven aangedragen waaruit blijkt dat zulks tot 1 januari 1991 het geval

is geweest. Aan het gegeven dat gedaagdes chef hem eerst met ingang van

laatstgenoemde datum voor inschaling in de functionele schaal heeft

voorgedragen kan in dit verband geen gewichtige betekenis worden

toegekend, nu die voordracht is gedaan met het hiervoor geschetste beleid

van eiser als uitgangspunt, terwijl de bewoordingen van die op 25 oktober

1990 gedane voordracht er juist op lijken te wijzen dat gedaagde in elk

geval op een vóór die datum gelegen tijdstip tot tevredenstellende

functievervulling is gekomen. De Raad is gezien het hiervoor overwogene

van oordeel dat het bestreden besluit voor zover betrekking hebbend op de

inschaling van gedaagde onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en

onvoldoende is gemotiveerd en om die redenen niet in stand kan worden

gelaten.

De Raad merkt nog op dat hij weliswaar begrip kan opbrengen voor de door

eiser geschetste ongewisheid omtrent de wijze van functievervulling die kan

bestaan op het tijdstip waarop een ambtenaar een hoger gewaardeerde

functie aanvaardt. Hij wijst er echter op dat niets zich ertegen verzet om

beoordeling van de wijze van functievervulling op een later tijdstip dan

dat van de aanvaarding te verrichten. Die beoordeling behoort dan echter

gericht te zijn op beantwoording van de vraag of en zo ja tot welk tijdstip

de wijze van vervulling van de nieuwe functie zich verzette tegen

inschaling in de bij de nieuwe functie behorende salarisschaal, hetgeen kan

uitmonden in een indeling in die schaal met terugwerkende kracht tot dat

tijdstip.

De Raad concludeert uit het hiervoor overwogene dat de aangevallen

uitspraak dient te worden bevestigd en hij ziet daarin voorts aanleiding

eiser te veroordelen in de kosten die gedaagde in verband met de

behandeling van het beroep in eerste aanleg en het hoger beroep redelijkerwijs

heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op een bedrag van f

1.420,-- als kosten voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verstaat dat eiser een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van

hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt eiser in de aan de zijde van gedaagde redelijkerwijs gemaakte

proceskosten ten bedrage van f 1.420,- en wijst de Staat der Nederlanden

aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gegeven door mr. H. Bekker als voorzitter en

mr. W. van den Brink en mr. W.D.M. van Diepenbeek als leden, in

tegenwoordigheid van mr. I. de Hartog als griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 1994 door voornoemde

voorzitter, in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

(get.) H. Bekker.

(get.) I. de Hartog.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. H. Bekker als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl TAR 1994/87 met annotatie van J. Zwennis
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?