95/7354 AW
96/8999 AW
U I T S P R A A K
in de gedingen geding tussen:
A., wonende te B., appellante,
en
het College van Bestuur van de Rijksuniversiteit te Leiden, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Appellante heeft op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep doen instellen
tegen de door de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage op 5 september 1995 onder nr. AWB 94/4233
AW gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Voorts heeft appellante op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep doen
instellen tegen de door de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage op 14 augustus 1996 onder
nummer AWB 96/338 AW gegeven uitspraak.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend en zijn, desgevraagd, nog enkele stukken ingezonden.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 13 februari 1997, waar appellante in persoon is
verschenen, bijgestaan door mr W.E. Pors, advocaat en procureur te Den Haag, en waar gedaagde zich
heeft laten vertegenwoordigen door mr C.B.M. Bruens en S.J. Beurze, beiden werkzaam bij de
Rijksuniversiteit te Leiden.
II. MOTIVERING
Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende
voor deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellante is namens gedaagde door de directeur-beheerder van de divisie Inwendige Geneeskunde
van de Rijksuniversiteit te Leiden bij die universiteit aangesteld in de functie van
manager bij de Faculteit der Geneeskunde. Ten tijde hier van belang vervulde zij de functie van
manager-beheer X. Op 25 februari 1994 vond tussen appellante en de directeur-beheerder, S.J. Beurze,
in aanwezigheid van prof. dr C.J.M. Melief een gesprek plaats waarin opheffing van appellantes
functie aan de orde is geweest. Genoemde directeur-beheerder heeft bij brief van 15 maart 1994
verslag gedaan van dit gesprek waarin onder meer is gezegd dat de functie van appellante wordt
opgeheven. Bij brieven van 17 maart 1994 en 20 maart 1994 heeft appellante hierop een reactie
gegeven. Na nadere contacten en briefwisseling tussen betrokkenen heeft appellante bij brief
van 10 mei 1994 aan de directeur-beheerder laten weten dat haar brieven van 17 en 20 maart - voor
zover dat onverhoopt nog niet het geval was - moeten worden aangemerkt als bezwaarschriften tegen
de brief van 15 maart 1994. In een brief van 31 mei 1994 heeft de directeur-beheerder appellante
laten weten dat hij haar functie had opgeheven. Vervolgens is namens appellante op 10 juni 1994
beroep ingesteld tegen het beweerdelijk niet tijdig nemen van een besluit door de directeur-beheerder
op een bezwaarschrift van 17 maart 1994, gericht tegen de beslissing van de directeur-beheerder
tot opheffing van de functie van appellante.
Bij brief van 30 juni 1994 heeft de directeur-beheerder appellante medegedeeld dat aan de aan
appellante gezonden brieven inzake de opheffing van haar functie (en de ontzegging toegang en het
buiten dienst stellen) "geen rechtsgevolgen zullen worden gegeven"; voorts is gesteld dat aan de
hand van een geactualiseerde formatiebeschrijving zal worden nagegaan "welke taakelementen zijn
verdampt dan wel versnipperd"; tot slot is gesteld: "Indien een en ander leidt tot de beslissing
van de direkteur-beheerder dat de management-functie X. wordt opgeheven en dat schriftelijk aan
mw. A. wordt medegedeeld, kan mw. A. bezwaar maken c.q. zonodig beroep aantekenen. Een beslissing
tot opheffing van de funktie houdt in dat mw. A. dan wordt aangemerkt als een herplaatsingskandidaat".
Op basis van een notitie van 10 oktober 1994 is bij besluit van 8 november 1994 de functie van
appellante per 1 januari 1995 opgeheven. Bij besluit van 30 november 1995 heeft gedaagde het namens
appellante tegen dat opheffingsbesluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, met welke beslissing
appellante zich niet kan verenigen.
Bij de aangevallen uitspraak van 5 september 1995 heeft de rechtbank het beroep van appellante van
10 juni 1994 niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep van appellante tegen het besluit tot
opheffing van haar betrekking per 1 januari 1995 is bij de aangevallen uitspraak van 14 augustus
1996 ongegrond verklaard.
De Raad overweegt op zijn beurt als volgt.
Hij stelt voorop dat hij gedaagdes standpunt deelt dat de directeur-beheerder bevoegd was namens
gedaagde (een groot aantal) beslissingen op het gebied van personeel en beheer te nemen. Mede gelet
op haar functie kon dit appellante bekend zijn, terwijl haar dat ook reeds bekend was uit haar met
zoveel woorden krachtens mandaat door de directeur-beheerder genomen aanstellingsbesluit. De Raad
wil overigens niet nalaten op te merken dat van gedaagde grote(r) inspanningen mogen worden gevergd
om in krachtens mandaat namens hem genomen beslissingen duidelijk tot uitdrukking te laten komen
dat zulks het geval is.
Met betrekking tot het op 10 juni 1994 ingestelde beroep tegen het beweerdelijk niet tijdig
beslissen op een bezwaar overweegt de Raad dat hij gedaagdes standpunt deelt dat de brief van
15 maart 1994 niet als een besluit kan worden aangemerkt - er is sprake van een verslag van een
gesprek - en dat hij de reactie van appellante van 17 maart 1994 (en van 20 maart 1994) op die
brief niet als bezwaarschrift kan kwalificeren. Mede gelet op de brief van de directeur-beheerder
van 30 juni 1994 ziet de Raad in dezen ook geen beslissende betekenis toekomen aan de brief van
evengenoemde van 31 mei 1994. Van een (voor bezwaar of beroep vatbaar) besluit of een daarmee
ingevolge artikel 6:2, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gelijk te stellen besluit
is dan ook geen sprake: het namens appellante op 10 juni 1994 ingestelde beroep is niet-ontvankelijk.
De aangevallen uitspraak van 5 september 1995 komt op evenvermelde gronden voor bevestiging in aanmerking.
Met betrekking tot het beroep tegen het besluit van gedaagde om de functie van appellante per
1 januari 1995 op te heffen overweegt de Raad het volgende.
Hij stelt, ambshalve toetsend, voorop dat hij het (impliciete) standpunt van de rechtbank dat dit
besluit een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit in de zin van de Awb is, onderschrijft.
Hij is van oordeel dat bedoeld besluit voldoet aan de in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb
neergelegde definitie van het besluitbegrip. Hij constateert voorts dat voornoemd besluit niet kan
worden aangemerkt als een besluit inhoudende een algemeen verbindend voorschrift, en derhalve in
zoverre niet behoort tot een van de in artikel 8:2 van de Awb van beroep uitgezonderde besluiten.
Ook overigens is niet gebleken dat sprake is van een niet-appellabel besluit in de zin van de Awb.
Met betrekking tot de vraag of appellante bevoegd was om tegen het opheffingsbesluit van 8 november
1994 bezwaar te maken, moet worden bezien of zij kan worden aangemerkt als belanghebbende in de
zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Evenbedoeld artikellid bepaalt dat onder belanghebbende
wordt verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
Ten aanzien van een besluit tot opheffing van een functie als hier aan de orde is de Raad van
oordeel dat in ieder geval ten aanzien van degene die de desbetreffende functie laatstelijk
vervult niet kan worden gezegd dat zijn belangen niet rechtstreeks bij dat besluit zijn betrokken.
Als gevolg van het opheffen van de functie verliest betrokkene immers de hem krachtens aanstelling
geboden mogelijkheid tot het verrichten van het desbetreffende samenstel van werkzaamheden. Dat
een besluit betreffende de opheffing van een functie zal worden gevolgd door een besluit tot het
opdragen van andere werkzaamheden dan wel, bij voorbeeld, tot ontslagverlening acht de Raad van
onvoldoende gewicht voor een andersluidend oordeel.
De Raad stelt op grond van het bovenstaande vast dat appellante ten aanzien van het besluit van
8 november 1995 als belanghebbende in de zin van de Awb moet worden aangemerkt.
De vraag of het opheffingsbesluit in rechte stand kan houden, beantwoordt de Raad, evenals de
rechtbank, bevestigend.
In dit verband merkt hij in de eerste plaats op dat de rechterlijke toetsing terughoudend dient
te zijn, in die zin dat de rechter zich, naast de overigens in aanmerking komende toetsing van het
bestreden besluit aan regels van geschreven en ongeschreven recht, moet beperken tot de vraag, of
de in geding zijnde opheffing op onvoldoende gronden berust.
In hetgeen namens appellante tegen dat besluit is aangevoerd heeft de Raad onvoldoende grond
kunnen vinden voor het oordeel dat het bestreden besluit - en het daaraan ten grondslag liggende
besluit - niet in stand zou kunnen worden gelaten. De motivering is in hoofdlijnen terug te vinden
in de notitie van 10 oktober 1994. Daarin worden zakelijke argumenten aangevoerd voor het wegvallen
van de noodzaak van aanwezigheid van de onderhavige manager-functie. Dat, zoals van de zijde van
appellante gesteld, andere motieven tot de omstreden opheffing zouden hebben geleid, acht de Raad
onvoldoende aannemelijk.
Aan de Raad is, tot slot, niet gebleken dat het besluit niet in stand zou kunnen blijven wegens
strijd met de vereiste zorgvuldigheid of wegens het ontbreken van een voldoende afweging van
belangen. De Raad verenigt zich in grote lijnen met hetgeen de rechtbank hieromt heeft overwogen.
Op grond van het bovenstaande komt ook de aangevallen uitspraak van 14 augustus 1996 voor
bevestiging in aanmerking.
Nu de Raad in de gegeven omstandigheden geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Awb, leidt het voorgaande tot de conclusie dat moet worden
beslist als volgt:
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraken.
Aldus gegeven door mr H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr Ch. de Vrey en
mr W.D.M. van Diepenbeek als leden, in tegenwoordigheid van P.H. Schippers als griffier en
uitgesproken in het openbaar op 13 maart 1997.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) P.H. Schippers.