ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6732

ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6732, Centrale Raad van Beroep, 13-03-1997, 95/7354 AW, 96/8999 AW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 13-03-1997
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 95/7354 AW
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 5 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

Algemeen reorganisatiebesluit/opheffing functie.

Uitspraak

95/7354 AW

96/8999 AW

U I T S P R A A K

in de gedingen geding tussen:

A., wonende te B., appellante,

en

het College van Bestuur van de Rijksuniversiteit te Leiden, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Appellante heeft op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep doen instellen

tegen de door de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage op 5 september 1995 onder nr. AWB 94/4233

AW gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Voorts heeft appellante op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep doen

instellen tegen de door de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage op 14 augustus 1996 onder

nummer AWB 96/338 AW gegeven uitspraak.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend en zijn, desgevraagd, nog enkele stukken ingezonden.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 13 februari 1997, waar appellante in persoon is

verschenen, bijgestaan door mr W.E. Pors, advocaat en procureur te Den Haag, en waar gedaagde zich

heeft laten vertegenwoordigen door mr C.B.M. Bruens en S.J. Beurze, beiden werkzaam bij de

Rijksuniversiteit te Leiden.

II. MOTIVERING

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende

voor deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante is namens gedaagde door de directeur-beheerder van de divisie Inwendige Geneeskunde

van de Rijksuniversiteit te Leiden bij die universiteit aangesteld in de functie van

manager bij de Faculteit der Geneeskunde. Ten tijde hier van belang vervulde zij de functie van

manager-beheer X. Op 25 februari 1994 vond tussen appellante en de directeur-beheerder, S.J. Beurze,

in aanwezigheid van prof. dr C.J.M. Melief een gesprek plaats waarin opheffing van appellantes

functie aan de orde is geweest. Genoemde directeur-beheerder heeft bij brief van 15 maart 1994

verslag gedaan van dit gesprek waarin onder meer is gezegd dat de functie van appellante wordt

opgeheven. Bij brieven van 17 maart 1994 en 20 maart 1994 heeft appellante hierop een reactie

gegeven. Na nadere contacten en briefwisseling tussen betrokkenen heeft appellante bij brief

van 10 mei 1994 aan de directeur-beheerder laten weten dat haar brieven van 17 en 20 maart - voor

zover dat onverhoopt nog niet het geval was - moeten worden aangemerkt als bezwaarschriften tegen

de brief van 15 maart 1994. In een brief van 31 mei 1994 heeft de directeur-beheerder appellante

laten weten dat hij haar functie had opgeheven. Vervolgens is namens appellante op 10 juni 1994

beroep ingesteld tegen het beweerdelijk niet tijdig nemen van een besluit door de directeur-beheerder

op een bezwaarschrift van 17 maart 1994, gericht tegen de beslissing van de directeur-beheerder

tot opheffing van de functie van appellante.

Bij brief van 30 juni 1994 heeft de directeur-beheerder appellante medegedeeld dat aan de aan

appellante gezonden brieven inzake de opheffing van haar functie (en de ontzegging toegang en het

buiten dienst stellen) "geen rechtsgevolgen zullen worden gegeven"; voorts is gesteld dat aan de

hand van een geactualiseerde formatiebeschrijving zal worden nagegaan "welke taakelementen zijn

verdampt dan wel versnipperd"; tot slot is gesteld: "Indien een en ander leidt tot de beslissing

van de direkteur-beheerder dat de management-functie X. wordt opgeheven en dat schriftelijk aan

mw. A. wordt medegedeeld, kan mw. A. bezwaar maken c.q. zonodig beroep aantekenen. Een beslissing

tot opheffing van de funktie houdt in dat mw. A. dan wordt aangemerkt als een herplaatsingskandidaat".

Op basis van een notitie van 10 oktober 1994 is bij besluit van 8 november 1994 de functie van

appellante per 1 januari 1995 opgeheven. Bij besluit van 30 november 1995 heeft gedaagde het namens

appellante tegen dat opheffingsbesluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, met welke beslissing

appellante zich niet kan verenigen.

Bij de aangevallen uitspraak van 5 september 1995 heeft de rechtbank het beroep van appellante van

10 juni 1994 niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep van appellante tegen het besluit tot

opheffing van haar betrekking per 1 januari 1995 is bij de aangevallen uitspraak van 14 augustus

1996 ongegrond verklaard.

De Raad overweegt op zijn beurt als volgt.

Hij stelt voorop dat hij gedaagdes standpunt deelt dat de directeur-beheerder bevoegd was namens

gedaagde (een groot aantal) beslissingen op het gebied van personeel en beheer te nemen. Mede gelet

op haar functie kon dit appellante bekend zijn, terwijl haar dat ook reeds bekend was uit haar met

zoveel woorden krachtens mandaat door de directeur-beheerder genomen aanstellingsbesluit. De Raad

wil overigens niet nalaten op te merken dat van gedaagde grote(r) inspanningen mogen worden gevergd

om in krachtens mandaat namens hem genomen beslissingen duidelijk tot uitdrukking te laten komen

dat zulks het geval is.

Met betrekking tot het op 10 juni 1994 ingestelde beroep tegen het beweerdelijk niet tijdig

beslissen op een bezwaar overweegt de Raad dat hij gedaagdes standpunt deelt dat de brief van

15 maart 1994 niet als een besluit kan worden aangemerkt - er is sprake van een verslag van een

gesprek - en dat hij de reactie van appellante van 17 maart 1994 (en van 20 maart 1994) op die

brief niet als bezwaarschrift kan kwalificeren. Mede gelet op de brief van de directeur-beheerder

van 30 juni 1994 ziet de Raad in dezen ook geen beslissende betekenis toekomen aan de brief van

evengenoemde van 31 mei 1994. Van een (voor bezwaar of beroep vatbaar) besluit of een daarmee

ingevolge artikel 6:2, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gelijk te stellen besluit

is dan ook geen sprake: het namens appellante op 10 juni 1994 ingestelde beroep is niet-ontvankelijk.

De aangevallen uitspraak van 5 september 1995 komt op evenvermelde gronden voor bevestiging in aanmerking.

Met betrekking tot het beroep tegen het besluit van gedaagde om de functie van appellante per

1 januari 1995 op te heffen overweegt de Raad het volgende.

Hij stelt, ambshalve toetsend, voorop dat hij het (impliciete) standpunt van de rechtbank dat dit

besluit een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit in de zin van de Awb is, onderschrijft.

Hij is van oordeel dat bedoeld besluit voldoet aan de in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb

neergelegde definitie van het besluitbegrip. Hij constateert voorts dat voornoemd besluit niet kan

worden aangemerkt als een besluit inhoudende een algemeen verbindend voorschrift, en derhalve in

zoverre niet behoort tot een van de in artikel 8:2 van de Awb van beroep uitgezonderde besluiten.

Ook overigens is niet gebleken dat sprake is van een niet-appellabel besluit in de zin van de Awb.

Met betrekking tot de vraag of appellante bevoegd was om tegen het opheffingsbesluit van 8 november

1994 bezwaar te maken, moet worden bezien of zij kan worden aangemerkt als belanghebbende in de

zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Evenbedoeld artikellid bepaalt dat onder belanghebbende

wordt verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ten aanzien van een besluit tot opheffing van een functie als hier aan de orde is de Raad van

oordeel dat in ieder geval ten aanzien van degene die de desbetreffende functie laatstelijk

vervult niet kan worden gezegd dat zijn belangen niet rechtstreeks bij dat besluit zijn betrokken.

Als gevolg van het opheffen van de functie verliest betrokkene immers de hem krachtens aanstelling

geboden mogelijkheid tot het verrichten van het desbetreffende samenstel van werkzaamheden. Dat

een besluit betreffende de opheffing van een functie zal worden gevolgd door een besluit tot het

opdragen van andere werkzaamheden dan wel, bij voorbeeld, tot ontslagverlening acht de Raad van

onvoldoende gewicht voor een andersluidend oordeel.

De Raad stelt op grond van het bovenstaande vast dat appellante ten aanzien van het besluit van

8 november 1995 als belanghebbende in de zin van de Awb moet worden aangemerkt.

De vraag of het opheffingsbesluit in rechte stand kan houden, beantwoordt de Raad, evenals de

rechtbank, bevestigend.

In dit verband merkt hij in de eerste plaats op dat de rechterlijke toetsing terughoudend dient

te zijn, in die zin dat de rechter zich, naast de overigens in aanmerking komende toetsing van het

bestreden besluit aan regels van geschreven en ongeschreven recht, moet beperken tot de vraag, of

de in geding zijnde opheffing op onvoldoende gronden berust.

In hetgeen namens appellante tegen dat besluit is aangevoerd heeft de Raad onvoldoende grond

kunnen vinden voor het oordeel dat het bestreden besluit - en het daaraan ten grondslag liggende

besluit - niet in stand zou kunnen worden gelaten. De motivering is in hoofdlijnen terug te vinden

in de notitie van 10 oktober 1994. Daarin worden zakelijke argumenten aangevoerd voor het wegvallen

van de noodzaak van aanwezigheid van de onderhavige manager-functie. Dat, zoals van de zijde van

appellante gesteld, andere motieven tot de omstreden opheffing zouden hebben geleid, acht de Raad

onvoldoende aannemelijk.

Aan de Raad is, tot slot, niet gebleken dat het besluit niet in stand zou kunnen blijven wegens

strijd met de vereiste zorgvuldigheid of wegens het ontbreken van een voldoende afweging van

belangen. De Raad verenigt zich in grote lijnen met hetgeen de rechtbank hieromt heeft overwogen.

Op grond van het bovenstaande komt ook de aangevallen uitspraak van 14 augustus 1996 voor

bevestiging in aanmerking.

Nu de Raad in de gegeven omstandigheden geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan het

bepaalde in artikel 8:75 van de Awb, leidt het voorgaande tot de conclusie dat moet worden

beslist als volgt:

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Aldus gegeven door mr H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr Ch. de Vrey en

mr W.D.M. van Diepenbeek als leden, in tegenwoordigheid van P.H. Schippers als griffier en

uitgesproken in het openbaar op 13 maart 1997.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.H. Schippers.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl TAR 1997/85 met annotatie van C.P.J. Goorden JB 1997/119
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?