97/4271 AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Sociale Verzekeringsbank, appellant,
en
A., wonende te B., Marokko, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij brief van 7 augustus 1995 heeft appellant aan gedaagde kennis gegeven van een besluit ingevolge de Algemene Ouderdomswet.
De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 31 januari 1997 het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard en tevens bepaald dat appellant het gestorte griffierecht aan gedaagde dient te vergoeden.
Appellant heeft op bij beroepschrift van 20 mei 1997 uiteengezette gronden hoger beroep ingesteld, slechts voorzover het betrof de vergoeding van het griffierecht.
Gedaagde heeft de Raad nog nadere stukken doen toekomen.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad gehouden op 20 mei 1998 waar partijen niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Appellant is in hoger beroep gekomen tegen het onderdeel van de aangevallen uitspraak waarin de rechtbank heeft bepaald, met toepassing van artikel 8:74, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat appellant wegens schending van de ingevolge de Awb geldende termijnen voor het indienen van gedingstukken het door gedaagde betaalde griffierecht dient te vergoeden.
De rechtbank heeft aanleiding gezien om toepassing aan bovengenoemd artikel te geven op grond van de volgende overwegingen:
"Ingevolge artikel 8:42, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dient het bestuursorgaan binnen vier weken nadat daaraan het beroepschrift is toegezonden, de op de zaak betrekking hebbende stukken in bij de rechtbank.
Ingevolge artikel 8:58, eerste lid, van de Awb, kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen.
Verweerder heeft eerst ter zitting de ontvangstbevestiging aan eiser naar aanleiding van zijn bezwaarschrift en eisers brief waarin hij mededeelt af te zien van een hoorzitting, ingediend.
Nu verweerder deze stukken in strijd met de wettelijke voorschriften te laat heeft ingediend staat het de rechtbank niet zonder meer vrij haar uitspraak mede daarop te baseren.
Echter, omdat de rechtbank van oordeel is dat eiser in geen enkele zin geschaad is door de schending van de hiervoor bedoelde indieningstermijn, heeft zij besloten deze stukken in aanmerking te nemen bij haar beoordeling.
Gelet op bovenstaande ziet de rechtbank aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:74, tweede lid, van de Awb.".
In hoger beroep is slechts in geding de vraag of de rechtbank terecht heeft bepaald dat appellant het gestorte griffierecht aan gedaagde dient te vergoeden.
De Raad overweegt als volgt.
Artikel 8:74, lid 2, van de Awb geeft de rechter de mogelijkheid, ook bij een ongegrondverklaring van het beroep, te bepalen dat het bestuursorgaan het griffierecht vergoedt.
Anders dan de rechtbank acht de Raad in het onderhavige geval in de overschrijding van de indieningstermijnen onvoldoende aanleiding gelegen voor een veroordeling van appellant in de vergoeding van het griffierecht, nu elk causaal verband ontbreekt tussen de late overlegging van de stukken door appellant en het instellen van het beroep door gedaagde en voorts niet gesproken kan worden van een dientengevolge ontstane verslechtering van gedaagdes procespositie.
Het vorenstaande leidt de Raad, anders dan de rechtbank, tot een ontkennende beantwoording van opgemelde vraag. Derhalve dient de aangevallen uitspraak vernietigd te worden voorzover daarin is bepaald dat appellant het door gedaagde gestorte griffierecht dient te vergoeden.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover betreffend de vergoeding van griffierecht.
Aldus gegeven door mr N.J. Haverkamp als voorzitter en r H.J. Grendel en mr F.P. Zwart als leden, in tegenwoordigheid van mr M.F. van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 juli 1998.
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) M.F. van Moorst.
LK